Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2009:BH5077

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
26-02-2009
Datum publicatie
06-03-2009
Zaaknummer
AWB 08/1115
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Besluit algemene rechtspositie politie (Barp). Beroepsziekte. Omstandigheden dragen buitensporig karakter.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

procedurenummer: AWB 08/1115

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 februari 2009 als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in het geding tussen

[naam],

wonende te [woonplaats],

eiser,

gemachtigde: mr. W.J. Dammingh, werkzaam bij FNV Nederlandse Politie Bond te Woerden,

en

Korpsbeheerder Regiopolitie Friesland,

verweerder,

gemachtigde: mr. J.T. Zwart, werkzaam bij verweerder.

Procesverloop

Bij brief van 6 mei 2008 heeft verweerder eiser mededeling gedaan van zijn besluit op bezwaar betreffende de toepassing van het Besluit algemene rechtspositie politie (hierna: het Barp).

Tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) heeft eiser beroep aangetekend.

De zaak is behandeld ter zitting van de rechtbank, gehouden op 8 januari 2009. Eiser is verschenen tezamen met zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Motivering

De feiten

1.1. Eiser, geboren op [geboortedatum], is vanaf 1994 voor verweerder werkzaam in de functie van rechercheur met als taakaccent jeugd- en zedenzaken.

1.2. In 2005 en 2006 heeft eiser tijdens zijn werkzaamheden een aantal zeer ingrijpende gebeurtenissen meegemaakt, die hebben geleid tot een doorverwijzing van de bedrijfsarts naar het Topzorgprogramma Psychotrauma, Psychiatrie AMC de Meren. Door [naam], psychiater in het AMC de Meren, is in april 2007 bij eiser de diagnose chronische posttraumatische stressstoornis (hierna: PTSS) gesteld. In haar schrijven van 25 april 2007 geeft de psychiater aan dat de klachten van eiser zijn ontstaan naar aanleiding van traumatische gebeurtenissen tijdens de uitoefening van aan hem opgedragen werkzaamheden. Het gaat om een identificatie van een jongeman, nadat deze in 2005 voor een rijdende trein was gesprongen en om een strafrechtelijk onderzoek in 2006 naar de mishandeling van een baby met veertig botbreuken.

1.3. Op 22 mei 2007 heeft eiser aan verweerder verzocht om zijn PTSS-klachten aan te merken als een beroepsziekte.

1.4. Verweerder heeft bij brief van 20 juli 2007 zijn voornemen bekend gemaakt om het verzoek van eiser af te wijzen.

1.5. Bij brief van 17 september 2007 heeft eiser zijn zienswijze op het voornemen van verweerder naar voren gebracht.

1.6. Verweerder heeft op 17 oktober 2007 het verzoek van eiser afgewezen. Dit besluit is op 5 november 2007 aan eiser uitgereikt.

1.7. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit bij brief van 13 december 2007. De (nadere) gronden van het bezwaar zijn op 11 februari 2008 ingediend.

1.8. Door de Noordelijke Advies Raad Politie (hierna: NARP) is op 25 maart 2008 advies uitgebracht aan verweerder. De NARP schrijft in haar advies onder meer, en voor zover van belang, het volgende: "Bezwaarde geeft aan dat verweerder erkent dat de ziekte (PTSS) veroorzaakt is door gebeurtenissen tijdens de werkzaamheden van bezwaarde. Het gaat hierbij om een identificatie van een jongeman nadat deze in 2005 voor een rijdende trein was gesprongen en het onderzoek naar de mishandeling van een baby met veertig botbreuken in 2006. (…) De Raad overweegt dat bezwaarde tijdens zijn vrij lange carrière als politieambtenaar gespecialiseerd in jeugd- en zedenzaken meerdere malen geconfronteerd is geweest met schokkende gebeurtenissen. De Raad gaat ervan uit dat bezwaarde op dit gebied veel ervaringen heeft opgedaan. Dit heeft nooit tot problemen geleid. Bovengenoemde schokkende gebeurtenissen (een zelfdoding en een mishandeling van een baby) hebben echter bij bezwaarde zoveel impact gehad dat zich bij bezwaarde, ondanks zijn ruime ervaring, PTSS heeft kunnen ontwikkelen. Naar het oordeel van de Raad was het kennelijk "de druppel die de emmer deed overlopen." De relatie tussen de schokkende gebeurtenissen en de ziekte PTSS is door alle partijen erkend. De omschrijving van de gebeurtenissen door bezwaarde heeft het voor de Raad aannemelijk gemaakt dat deze gebeurtenissen zelfs voor een ervaren ambtenaar als bezwaarde van een dergelijk buitensporig karakter waren dat hier gesproken kan worden van het doen ontstaan van een beroepsziekte in de zin van het Barp. Op grond van bovenstaande overwegingen en met inachtneming van de bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht adviseert de Raad het bestreden besluit voor wat betreft de afwijzing van erkenning als beroepsziekte te herroepen."

1.9. Verweerder heeft bij het bestreden besluit, in afwijking van het advies van de NARP, het bezwaar ongegrond verklaard. Verweerder heeft dit besluit als volgt gemotiveerd: "In de gronden van het bezwaarschrift heeft u aangegeven dat de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep bij arbeidsongeschiktheid vanwege een psychische oorzaak in casu niet van toepassing is. Toepassing van het criterium dat door de Centrale Raad van Beroep in deze jurisprudentie is ontwikkeld, zou er volgens u toe leiden dat bij beroepen met een buitensporige psychische belasting, zoals politie, vrijwel nooit meer van een psychische beroepsziekte sprake zou kunnen zijn. Daarmee heeft u impliciet erkend dat het PTSS van [naam eiser] niet is veroorzaakt door buitensporige omstandigheden. Aangezien dit volgens u dan ook niet relevant is, heeft u in de gronden van bezwaar niet gesteld dat er wel sprake is geweest van buitensporige omstandigheden. Volgens u had het criterium bij dienstongevallen, toegepast moeten worden. In het verweerschrift is geconcludeerd dat kennelijk tussen partijen niet ter discussie staat dat er geen sprake is van buitensporige omstandigheden. Ter zitting bij de Raad is nog wel kort namens [naam eiser] naar voren gebracht dat de schokkende gebeurtenissen wel als buitensporige omstandigheden moeten worden aangemerkt. De Raad heeft dit aspect ter zitting verder niet of nauwelijks besproken. Ondanks voorgaande concludeert de Raad dat er buitensporige omstandigheden zijn aan te wijzen. Hoewel de Raad wel is meegegaan met mijn opvatting over het toepasselijke criterium, kan ik mij niet vinden in het eindoordeel van de Raad. Het ligt op de weg van [naam eiser] als verzoeker om aan te tonen dat gesproken moet worden van buitensporige omstandigheden. Zoals hierboven aangegeven, is evenwel in het bezwaarschrift niet gesteld dat de schokkende gebeurtenissen buitensporig van aard zijn. Ter zitting is dit wel gesteld, doch in het geheel niet onderbouwd. Ik handhaaf derhalve mijn stelling dat de gebeurtenissen die hebben geleid tot het PTSS inherent zijn aan de functie van [naam eiser]. [naam eiser] is er niet in geslaagd - en heeft daartoe ook geen pogingen ondernomen - om deze stelling voldoende gemotiveerd te weerspreken."

Het geschil

2.1. Eiser stelt zich - samengevat - primair op het standpunt dat de definitie van een beroepsziekte, als vermeld in artikel 1, aanhef, onder y, van het Barp niet vereist dat de ziekte het gevolg is van buitensporige omstandigheden waaronder de opgedragen werkzaamheden moesten worden verricht. Omdat de ziekte van eiser (PTSS) in overwegende mate zijn oorzaak vindt in de aard van de opgedragen werkzaamheden voldoet eiser aan de definitie van een beroepsziekte. Secundair stelt eiser dat de schokkende gebeurtenissen die hebben geleid tot PTSS zelfs voor een ervaren politieambtenaar als eiser als abnormaal of excessief moeten worden beschouwd. Het had, mede gelet op het advies van de NARP, op de weg van verweerder gelegen om aan te tonen dat geen sprake was van buitensporige omstandigheden.

2.2 Verweerder handhaaft zijn standpunt als verwoord in het bestreden besluit en verwijst nogmaals naar jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep, meer specifiek naar de uitspraken van 29 maart 2001 en 4 mei 2006, respectievelijk gepubliceerd in TAR 2001, 74 en TAR 2007,19. Daaruit blijkt volgens verweerder dat, indien de ziekte in sterke mate psychisch van aard is, voor het vaststellen van een beroepsziekte in meerdere mate sprake zal moeten zijn van factoren die in verhouding tot dat werk of de werkomstandigheden, objectief gezien, een buitensporig karakter dragen. Daarnaast is het aan de verzoeker, eiser, om te onderbouwen dat er sprake is van buitensporige omstandigheden. In de bezwaarprocedure is eiser niet ingegaan op het bestaan van buitensporige omstandigheden en in beroep onderbouwt hij zijn stelling niet voldoende.

Beoordeling van het geschil

3.1. In artikel 1, lid 1, aanhef en onder y van het Barp is bepaald dat onder een beroepsziekte moet worden verstaan: een ziekte, welke in overwegende mate haar oorzaak vindt in de aard van de aan de ambtenaar opgedragen werkzaamheden of in de bijzondere omstandigheden, waaronder deze moesten worden verricht, en die niet aan zijn schuld of onvoorzichtigheid is te wijten.

3.2. In artikel 54, lid 1 van het Barp is bepaald dat in geval van een dienstongeval of beroepsziekte aan de desbetreffende ambtenaar de noodzakelijk gemaakte kosten van geneeskundige behandeling of verzorging worden vergoed.

3.3. Aan artikel 54 van het Barp ligt het uitgangspunt ten grondslag dat de overheidswerkgever die de ambtenaar werkzaamheden opdraagt en hem daarmee blootstelt aan een - gelet op de aard van die werkzaamheden of de omstandigheden waaronder zij moeten worden verricht - verhoogd risico, de kosten van geneeskundige behandeling en verzorging die de ambtenaar moet maken als gevolg van een ziekte die in overwegende mate met dat verhoogde risico verband houdt, voor zijn rekening dient te nemen.

De Centrale Raad van Beroep heeft dit uitgangspunt in verschillende uitspraken als volgt genuanceerd. Naarmate de ziekte in sterkere mate van psychische aard is, zal in meerdere mate sprake moeten zijn van factoren, die niet alleen deel uitmaken van of in rechtstreeks verband staan met het werk of de werkomstandigheden, maar die in verhouding tot dat werk of die werkomstandigheden - objectief beschouwd - een buitensporig karakter dragen. Met andere woorden, de ziekte moet niet enkel in overwegende mate zijn oorzaak vinden in de opgedragen werkzaamheden, maar juist verband houden met buitensporige omstandigheden in die werkzaamheden. In zoverre treft de primaire beroepsgrond dus geen doel.

3.4. Ten aanzien van de tweede beroepsgrond wordt het volgende overwogen. Vast staat dat de ziekte van eiser psychisch van aard is. Gelet op hetgeen onder 3.3. is overwogen dient vervolgens beoordeeld te worden of in het onderhavige geval sprake is van werkomstandigheden die een buitensporig karakter dragen. De rechtbank stelt voorop dat het aan eiser is om voldoende feiten aan te dragen ter onderbouwing van zijn stelling dat sprake is van buitensporige omstandigheden. Eiser heeft in dit kader in zijn verzoek aan verweerder de omstandigheden als volgt omschreven: "Zelfdoding jongeman, was voor de trein gesprongen, niets van over. Later naar mortuarium, waarbij ik meegeholpen heb lichaamsdelen, die in 6 vuilniszakken lagen, wat op de juiste plaats te leggen. Later bleek dat ik de jongen kende, heb er keer een gesprek gehad. Hij woonde in een begeleidend wonen-centrum. Zware mishandeling baby met 44 botbreuken. Onderzoek gedaan. Met verdachte gesproken. Handen geschud, wetende dat diezelfde handen botjes hadden gebroken bij die baby. Vlak nadien werden de klachten gesignaleerd." Zowel in bezwaar als in beroep heeft eiser herhaald dat deze omstandigheden, zelfs voor iemand met zijn ervaring, een buitensporig karakter dragen.

3.5. Anders dan verweerder heeft aangevoerd, is de rechtbank van oordeel dat eiser met voornoemde omschrijving in zijn verzoek heeft voldaan aan zijn stelplicht. Van eiser hoefde niet te worden gevergd dat hij in bezwaar en beroep nogmaals dezelfde feiten (meer en/of anders onderbouwd) naar voren zou brengen.

3.6. Ter zitting heeft eiser nog toegelicht dat hij wel vaker in aanraking is gekomen met zelfdodingen, maar nog niet eerder een menselijk lichaam in die staat had aangetroffen. Het betrof bovendien het lichaam van een persoon die eiser bekend was. Ook het onderzoeken van kindermishandeling komt in de functie van eiser vaker voor, maar dat die mishandeling in dit geval mogelijk is geweest en dat het kind het heeft overleefd maakt het onbegrijpelijk, zo heeft eiser uitgelegd.

Verweerder heeft daar tegen aangevoerd dat in de functiebeschrijving expliciet wordt genoemd dat confrontatie met ingrijpende gebeurtenissen en menselijk leed deel uitmaakt van de functie. De gebeurtenissen die bij eiser tot PTSS hebben geleid, zijn inherent aan de functie. Ook uit de cijfers van het Opvang Team Fryslân, dat nazorg verleend aan politieambtenaren, blijkt volgens verweerder dat dergelijke gebeurtenissen niet als buitensporige omstandigheden kunnen worden beschouwd.

3.7. De rechtbank acht aannemelijk dat eiser vaak onder moeilijke omstandigheden heeft gewerkt. Op grond van de omschrijving in het verzoek van eiser van de gebeurtenissen die tot zijn ziekte hebben geleid, zijn toelichting daarop ter terechtzitting en mede gelet op zijn werkervaring in de functie van rechercheur jeugd- en zedenzaken, staat voor de rechtbank echter eveneens vast dat deze specifieke zelfdoding en kindermishandeling niet slechts deel uitmaken van het werk van eiser, maar in verhouding tot diens werk - geobjectiveerd beschouwd - een buitensporig karakter dragen. Hetgeen verweerder in zijn algemeenheid heeft aangegeven over de vervulling van functies als die van eiser doet daaraan niet af. Dit betekent dat de ziekte van eiser aangemerkt dient te worden als een beroepsziekte in de zin van het Barp. Het beroep is derhalve gegrond.

3.8. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, Awb en draagt verweerder op met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de bezwaren van eiser, en daarbij eveneens te betrekken de proceskosten die eiser in bezwaar heeft gemaakt.

3.9. De rechtbank zal verweerder op grond van het voorgaande met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb veroordelen tot het betalen van de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 644,00. Met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht is het gewicht van de zaak daarbij bepaald op één (gemiddeld) en worden voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, te weten het indienen van een beroepschrift en het verschijnen ter terechtzitting, twee punten toegekend, met een waarde van € 322,00 per punt. De rechtbank wijst de regiopolitie Fryslân aan als de rechtspersoon die deze kosten aan eiser moet vergoeden. Daarnaast ziet de rechtbank in het voorgaande aanleiding om met toepassing van artikel 8:74 lid 1 Awb te bepalen dat de regiopolitie Fryslân het door eiser betaalde griffierecht aan hem vergoedt.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit en draagt verweerder op met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 644,00, onder aanwijzing van politie Fryslân als de rechtspersoon die deze kosten aan hem moet vergoeden;

- bepaalt voorts dat politie Fryslân het door eiser betaalde griffierecht van € 145,00 aan eiser vergoedt.

Aldus gegeven door mr. E.M. Visser in tegenwoordigheid van mr. J.R. Leegsma als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 februari 2009.

w.g. J.R. Leegsma

w.g. E.M. Visser

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat voor partijen het rechtsmiddel hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in art. 6:13 juncto 6:24 Awb.

Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan:

de Centrale Raad van Beroep

Postbus 16002

3500 DA Utrecht

In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.