Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2009:BH4832

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
05-03-2009
Datum publicatie
05-03-2009
Zaaknummer
17/880100-08 VON
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ontucht, kind, uitsluiting bewijs, betrouwbaarheid verklaring, verschoningsrecht

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 48
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 244
Wetboek van Strafrecht 245
Wetboek van Strafrecht 247
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector straf

parketnummer 17/880100-08

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 5 maart 2009 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1932 te [geboorteplaats],

wonende te [adres].

De rechtbank heeft gelet op het ter terechtzitting gehouden onderzoek van 19 februari 2009.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. A.C. Huisman, advocaat te Deventer.

Telastelegging

Aan dit vonnis is een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van de dagvaarding gehecht, waaruit de inhoud van de telastelegging geacht moet worden hier te zijn overgenomen.

In de telastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

Vordering officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd:

- veroordeling voor het onder 1., 2. en 3. telastegelegde;

- oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden waarvan 3 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar;

- oplegging van een contactverbod met [slachtoffer] als bijzondere voorwaarde.

Bewijsoverweging

1. De raadsman heeft met betrekking tot feit 1. -op grond van de in de pleitnota genoemde argumenten- aangevoerd dat onder de gegeven omstandigheden de politie bij de ondervraging van verdachte de grenzen van een behoorlijke ondervraging heeft overschreden zodat de bekennende verklaringen van verdachte, ook die bij de officier van justitie en de rechter-commissaris, uitgesloten moeten worden voor het bewijs. Subsidiair heeft de raadsman betoogd dat de bekennende verklaringen tegenover de politie onbetrouwbaar zijn en daarom niet tot het bewijs kunnen meewerken.

1.1. De rechtbank verwerpt het (primaire) verweer. De verhorende politieambtenaren hebben verdachte gehoord over zijn betrokkenheid bij het strafbare feit waarvan hij werd verdacht. In de processen-verbaal van verhoor zijn de gestelde vragen vastgelegd. De rechtbank ziet in de opbouw van de verhoren en de gestelde vragen geen grond voor de conclusie dat er ongeoorloofde (psychische) druk op verdachte is uitgeoefend. Ook het gegeven dat de verhorende ambtenaren kennelijk uitgaan van de juistheid van de aangifte en de andersluidende verklaring van verdachte passeren, leidt niet tot een ander oordeel. Dit geldt evenzeer voor de andere door de raadsman genoemde omstandigheden.

Het subsidiair aangevoerde punt wordt door de rechtbank gepasseerd. De rechtbank acht de door verdachte tegenover de politie afgelegde bekennende verklaring betrouwbaar, mede in het licht van hetgeen verdachte tegenover de officier van justitie heeft verklaard.

2. Met betrekking tot feit 2. heeft de raadsman aangevoerd dat de daar telastegelegde periode niet bewezen kan worden verklaard nu [slachtoffer] in haar verhoor van 10 oktober 2007 stelt dat zij vier jaar geleden naar pake is gegaan.

2.1. De rechtbank leest in de door [slachtoffer] afgelegde verklaring (proces-verbaal nummer 2007087744-3, pag. 24 van OPS-dossiernummer 2007087744) dat zij "ongeveer vier jaar geleden" naar pake is gegaan. Op pagina 25 van ditzelfde proces-verbaal geeft [slachtoffer] aan: "Ik heb het pake verteld toen ik nog op de basisschool zat. Het is gestopt toen ik nog op de basisschool zat." In combinatie met de bij de bewijsmiddelen onder 6. opgenomen verklaring komt de rechtbank tot het oordeel dat de in feit 2. telastegelegde periode bewijsbaar is. De genoemde "ongeveer vier jaar geleden" acht de rechtbank hier niet mee in strijd. Het "ongeveer" geeft al aan dat aangeefster daarvan niet zeker was en dat het ook vijf (of drie) jaar geleden kan zijn geweest.

3. De raadsman heeft met betrekking tot feit 3. aangevoerd dat verdachte in feite stelt dat hij de woorden van [slachtoffer] heeft onderschat dan wel niet op waarde heeft geïnterpreteerd en dat -als de rechtbank dat zou aannemen- niet bewezen kan worden verklaard dat verdachte willens en wetens behulpzaam is geweest bij het misbruik door [stiefvader], ofwel dat hij bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij daarbij behulpzaam is geweest.

3.1. De rechtbank overweegt als volgt. Uit de verklaringen van verdachte tegenover de politie blijkt dat hem voldoende duidelijk was welke handelingen [stiefvader] bij [slachtoffer] zou hebben gepleegd. Verdachte verklaart ook [slachtoffer] daar nog een aantal malen naar te hebben gevraagd. Verdachte heeft met deze wetenschap niets gedaan. [slachtoffer] riep zijn hulp in om een einde te maken aan het door [stiefvader] gepleegde seksueel misbruik; iets waartoe zij zelf als klein kind niet bij machte was.

Verdachte was naar het oordeel van de rechtbank gehouden om hulp te bieden en om te doen wat in zijn vermogen lag om een einde te maken aan het seksueel misbruik. Hij was de (stief)grootvader van het slachtoffertje en nam op grond daarvan een bijzondere plaats in in het leven van [slachtoffer]. Hij kende [slachtoffer] en geloofde wat zij vertelde over [stiefvader] en verdachte had hetzij [stiefvader] moeten bewegen te stoppen met het plegen van deze misdrijven, hetzij de politie of een hulpverlenende instantie moeten inschakelen om [slachtoffer] te beschermen tegen toekomstige seksuele handelingen van [stiefvader]. Nu verdachte dit nagelaten heeft, heeft hij willens en wetens aanvaard dat [stiefvader] verder zou gaan met het plegen van soortgelijke misdrijven ten opzichte van [slachtoffer]. Dit geldt temeer nu hij [slachtoffer] gezegd heeft dat zij verder maar niet moest praten over het seksuele misbruik.

4. De raadsman heeft ten aanzien van feit 3. betoogd dat verdachte ten opzichte van zijn zoon een verschoningsrecht heeft zodat hij voor de eerste in de telastelegging genoemde wijze van medeplichtigheid niet strafbaar is.

4.1. De rechtbank verwerpt dit verweer. De in artikel 137 van het Wetboek van Strafrecht genoemde strafuitsluitingsgrond ziet uitsluitend op de daarin genoemde artikelen 135 en 136 van het Wetboek van Strafrecht. Het onderhavige feit valt niet binnen het bereik van die bepalingen.

4.2. Voor zover de raadsman heeft willen stellen dat er sprake is van het in artikel 217 c.a. van het Wetboek van Strafvordering genoemde verschoningsrecht, gaat dit niet op. Deze bepalingen zijn een uitzondering op de wettelijke verplichting tot het als getuige afleggen van een (belastende) verklaring. In het onderhavige geval gaat het om de plicht die verdachte heeft om zijn kleinkind te beschermen tegen een grove aantasting van lichamelijke en geestelijke integriteit. Het feit dat de pleger van deze aantasting de zoon van verdachte is, doet niet af aan deze plicht. De zoon van verdachte is een volwassen man die weet dat zijn handelingen (strafrechtelijke) consequenties kunnen hebben maar die zich daar desondanks niet door laat weerhouden. Het kleinkind van verdachte had geen keus; zij is het slachtoffer en zij had recht op hulp van verdachte om een einde te maken aan de jegens haar gepleegde misdrijven. De zorgplicht tegenover de minderjarige weegt zwaarder dan de wens van verdachte dat de door zijn volwassen zoon gepleegde misdrijven niet bekend zullen worden.

5. De raadsman heeft ten aanzien van de tweede wijze waarop verdachte voor feit 3. medeplichtig zou zijn geweest, betoogd dat het goed denkbaar is dat verdachte [stiefvader] wel heeft aangesproken op zijn gedrag zodat verdachte moet worden vrijgesproken van dit feit.

5.1. De rechtbank overweegt als volgt. [stiefvader] heeft tegenover de politie verklaard dat zijn vader hem gevraagd heeft wat hij met [slachtoffer] had uitgevreten en dat hij, [stiefvader], had gereageerd met de vraag of zijn vader wel bij zijn verstand was. Daarna is er niet meer over gesproken. De rechtbank acht deze enkele opmerking -mocht die al gemaakt zijn- volstrekt onvoldoende om te kunnen komen tot het oordeel dat niet bewezen kan worden dat verdachte een passieve houding heeft aangenomen ten aanzien van het jarenlange seksuele misbruik van [slachtoffer] door [stiefvader].

Bewijsmiddelen

De rechtbank past met betrekking tot de telastegelegde feiten de volgende bewijsmiddelen toe:

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 19 februari 2009, onder meer inhoudende -zakelijk weergegeven-:

[slachtoffer] is myn pakesizzer; sy is de dochter fan [moeder] en de styfdochter fan myn soan [stiefvader]. [slachtoffer] hat my, by my thús yn Wergea , ferteld dat [stiefvader] oan har sitten hie. Ik ha har frege wat hy dan krekt dien hie. Ik wit net mear oft ik dit mei [stiefvader] bepraat ha; ik wit wol dat ik fierder mei net ien praat ha oer wat [slachtoffer] tsjin my sein hie.

2. het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor van verdachte (pag. 53 van OPS-dossiernummer 2007087744) onder meer inhoudende als zijn verklaring:

[slachtoffer] heeft mij verteld dat zij seksueel werd misbruikt door [stiefvader], hij zat aan haar kutje. Ik heb haar meerdere keren gevraagd wat hij dan precies gedaan had, of hij aan haar borsten zat en of zij dat lekker vond. Inderdaad deed ik mijn handen dan op haar borsten. Ik geloofde haar verhaal wel. [slachtoffer] heeft gezegd dat het op moest houden. Ik heb aan de borsten van [slachtoffer] gezeten. Ik heb tegen [slachtoffer] gezegd dat zij, wat zij samen met [stiefvader] deed, maar niet op straat moest gooien.

3. een door R.G. de Graaf, officier van justitie, op ambtseed opgemaakt proces-verbaal inhoudende als zijn verklaring dat verdachte [verdachte] heeft verklaard dat hij [slachtoffer] een aantal keren over de met kleding bedekte borsten had aangeraakt en dat hij [slachtoffer] over de bedekte vagina had aangeraakt; dat zulks 3 à 4 keer was gebeurd.

4. het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer], geboren op [geboortedatum] (pag. 19, OPS-dossiernummer 2007087744) onder meer inhoudende als haar verklaring:

Mijn naam is [slachtoffer]. Mijn stiefvader [stiefvader] heeft mij seksueel misbruikt vanaf groep 7. Dat gebeurde vrijwel altijd in ons huis in Wergea. [stiefvader] deed een tongzoen bij mij; hij zat aan mijn blote borsten. Na een paar weken ging hij aan mijn vagina zitten; met zijn handen en later met zijn mond. Hij heeft met zijn mond aan mijn borsten, vagina en kont gezeten. Hij heeft ook in mijn vagina gelikt. [stiefvader] zat ook met vingers in mijn vagina. Toen ik op het AOC zat, wilde [stiefvader] met mij neuken. Hij heeft ongeveer 7 keer geprobeerd met zijn penis in mijn vagina te gaan; het is de eerste keer gelukt. Hij ging met zijn penis in mijn vagina.

5. het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer] (pag. 24, OPS-dossiernummer 2007087744) onder meer inhoudende als haar verklaring:

Ik heb pake, de vader van [stiefvader] verteld dat [stiefvader] aan mijn borsten en vagina heeft gezeten met zijn handen en mond. Na het vertellen de eerste keer begon pake tijdens de keren dat ik daarna bij hem kwam, telkens weer vragen te stellen. Pake begon al vragend voor te doen wat [stiefvader] gedaan had bij mij; hij ging met zijn handen onder mijn shirt waarbij hij aan mijn borsten voelde en hij ging met zijn handen in mijn broek en wreef over mijn vagina. Dit was bij pake thuis. Ik heb het pake verteld toen ik nog op de basisschool zat en het is gestopt toen ik nog op de basisschool zat.

6. het in wettelijke vorm opgemaakte stam proces-verbaal (pag. 3, OPS-dossiernummer 2007087744) houdt in als verklaring van verbalisant Voshol dat [stiefvader] desgevraagd verteld heeft dat [slachtoffer] op de basisschool niet gedoubleerd had.

7. het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor van [stiefvader] (pag. 97, OPS-dossiernummer 2007087744) onder meer inhoudende als zijn verklaring:

Ik kreeg seksuele gevoelens voor [slachtoffer] toen zij een jaar of 11, 12 was. Ik zat aan haar borsten en aan haar kutje. Het ging van beffen tot vingeren en tot het proberen haar te neuken. [slachtoffer] heeft mij een keer afgetrokken; ik heb voorgedaan hoe je moet tongzoenen. Ik heb haar anus gezoend en gelikt. Ik heb een aantal keren geprobeerd haar te neuken; ik ben met mijn penis in haar vagina geweest. Het heeft geduurd tot [slachtoffer] 15 jaar was.

8. het feit van algemene bekendheid dat Wergea is gelegen in de gemeente Boarnsterhim.

Bovenstaande wettige bewijsmiddelen -in onderling verband en samenhang beschouwd- houden de redengevende feiten en omstandigheden in waarop de beslissing van de rechtbank steunt dat verdachte de hierna bewezenverklaarde feiten heeft begaan.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1., 2. en 3. telastegelegde bewezen, met dien verstande dat:

1.

hij in de periode van 1 januari 2003 tot en met 30 september 2003, te Wergea, in de gemeente Boarnsterhim, meermalen telkens met [slachtoffer], geboren op [geboortedatum], die toen telkens de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, telkens buiten echt, telkens een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, bestaande uit het betasten/aanraken van de borsten en de vagina van die [slachtoffer];

2.

[stiefvader] in de periode van 30 januari 2002 tot en met 29 januari 2003, te Wergea, in de gemeente Boarnsterhim, meermalen met [slachtoffer], geboren op [geboortedatum], die toen telkens de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, telkens een of meer handelingen heeft gepleegd, die telkens bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende die [stiefvader] onder meer telkens

- zijn tong in de mond van die [slachtoffer] geduwd/gebracht en

- zijn penis en vingers en tong in de vagina van die [slachtoffer] geduwd/gebracht

tot het plegen van welk feit verdachte

in de periode van 30 januari 2002 tot en met 29 januari 2003, te Wergea, in de gemeente Boarnsterhim, opzettelijk gelegenheid heeft verschaft door telkens

- niet de politie en/of de hulpverlenende instanties te waarschuwen of in te schakelen toen hij door die [slachtoffer] op de hoogte werd gebracht van het seksueel misbruik van die [slachtoffer] door [stiefvader] en

- een passieve houding aan te nemen ten aanzien van het seksuele misbruik van die [slachtoffer] door [stiefvader],

terwijl hij, verdachte, wist, althans zeer ernstige redenen had om te vermoeden dat [stiefvader] voormelde seksuele handelingen nog steeds pleegde met die [slachtoffer] en dientengevolge onvoldoende in te grijpen daar waar onmiddellijk ingrijpen noodzakelijk was en aldus zijn bijzondere zorgplicht ten opzichte van die [slachtoffer] te verzaken en voornoemd seksueel misbruik voort te laten duren;

3.

[stiefvader] in de periode van 30 januari 2003 tot en met 29 januari 2007, te Wergea, in de gemeente Boarnsterhim, meermalen met [slachtoffer], geboren op [geboortedatum], die telkens de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, telkens buiten echt, telkens een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die telkens bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende die [stiefvader] onder meer telkens

- zijn tong in de mond van die [slachtoffer] geduwd/gebracht en

- zijn penis en vingers en tong in de vagina van die [slachtoffer] geduwd/gebracht

tot het plegen van welk feit verdachte

in de periode van 30 januari 2003 tot en met 29 januari 2007, te Wergea, in de gemeente Boarnsterhim, meermalen opzettelijk gelegenheid heeft verschaft door

- niet de politie en/of de hulpverlenende instanties te waarschuwen en/of in te schakelen toen hij door die [slachtoffer] op de hoogte werd gebracht van het seksueel misbruik van die [slachtoffer] door [stiefvader] en

- een passieve houding aan te nemen ten aanzien van het seksuele misbruik van die [slachtoffer] door die [stiefvader],

terwijl hij, verdachte, wist, althans zeer ernstige redenen had om te vermoeden dat [stiefvader] voormelde seksuele handelingen nog steeds pleegde met die [slachtoffer] en dientengevolge onvoldoende in te grijpen daar waar onmiddellijk ingrijpen noodzakelijk was en aldus zijn bijzondere zorgplicht ten opzichte van die [slachtoffer] te verzaken en voornoemd seksueel misbruik voort te laten duren.

De verdachte zal van het meer of anders telastegelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Kwalificatie

Het bewezene levert op de misdrijven:

1. Met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen

plegen, meermalen gepleegd.

2. Medeplichtigheid aan: met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd.

3. Medeplichtigheid aan: met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

De rechtbank neemt bij de bepaling van de hierna te vermelden strafsoort en strafmaat in aanmerking:

- de aard en de ernst van de gepleegde feiten;

- de omstandigheden waaronder deze zijn begaan;

- de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken en deze naar voren komt uit het uittreksel uit het algemeen documentatieregister en het voorlichtingsrapport;

- de vordering van de officier van justitie;

- het pleidooi van de raadsman.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan ontucht met zijn minderjarige (stief)kleindochter en heeft nagelaten op enigerlei wijze in te grijpen toen hij op de hoogte werd gesteld van seksueel misbruik van hetzelfde slachtoffer door haar stiefvader.

Omdat de kleindochter, destijds nog geen twaalf jaar oud, vertrouwen had in haar grootvader en van hem verwachtte dat hij het misbruik zou kunnen stoppen, heeft zij hem ingelicht over seksueel misbruik dat met haar werd gepleegd door verdachtes zoon, tevens stiefvader van de kleindochter. Het misbruik van het slachtoffer door de stiefvader is na de mededeling hiervan aan grootvader nog vier jaren doorgegaan. Verdachte had moeten begrijpen dat ingrijpen in de situatie van zijn kleindochter noodzakelijk was.

Het is immers de plicht van een ouder en van een grootouder, om te voorkomen dat een ander inbreuk maakt op het geestelijk en lichamelijk welzijn van een kind. Verdachte is in casu de aangewezen persoon geweest om een einde te maken aan de onwenselijke toestand dat zijn jonge kleindochter werd misbruikt. Hij heeft echter niets gedaan om verder misbruik door de stiefvader te voorkomen, terwijl actief optreden geboden was geweest. Nadat het slachtoffer haar grootvader in vertrouwen heeft genomen, heeft deze haar vervolgens bevraagd over de door de stiefvader gepleegde seksuele handelingen en wel op een zodanige wijze dat hij hierbij grenzen heeft overschreden. Bij de ondervraging van zijn kleindochter heeft hij ontuchtig gehandeld door de borsten en de vagina van het slachtoffer te betasten.

De rechtbank tilt zwaar aan deze feiten. Door zijn handelen heeft verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en heeft het vertrouwen dat de minderjarige in haar grootvader had ernstig geschaad. Het is aannemelijk dat zij voor de rest van haar leven is beschadigd door hetgeen haar is aangedaan.

Verdachte is niet eerder veroordeeld voor strafbare feiten en over hem is een reclasseringsrapport opgesteld. De reclassering constateert geen praktische of psychosociale problemen en vanwege verdachtes houding ten aanzien van de feiten wordt een ambulante forensische behandeling niet zinvol geacht. Er worden geen aanknopingspunten gevonden voor het plegen van een gedragsinterventie.

De rechtbank heeft ter zitting geen enkel inlevingsvermogen kunnen constateren ten opzichte van het slachtoffer, hetgeen het voor het slachtoffer moeilijk moet maken het gebeurde te verwerken. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan.

De rechtbank beschouwt als strafverhogende omstandigheid dat het misbruik een lange periode heeft plaatsgevonden, dat dit in de familiekring is gebeurd en dat het jeugdige slachtoffer mocht rekenen op steun van haar grootvader. Strafverminderende omstandigheden ziet de rechtbank niet en een onvoorwaardelijke gevangenisstraf is daarom onontkoombaar. De officier van justitie heeft een deels voorwaardelijke gevangenisstraf geëist met daaraan gekoppeld een contactverbod met het slachtoffer. Voor dit laatste ziet de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten nu er al langere tijd geen contact is geweest tussen verdachte en het slachtoffer. Gelet op de omstandigheid dat betrokkenen in een kleine gemeenschap woonachtig zijn, acht de rechtbank de kans op herhaling niet groot en komt aldus tot het opleggen van enkel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, die van wat kortere duur kan zijn dan geëist.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 48, 57(oud), 244, 245 en 247 van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT, RECHTDOENDE:

Verklaart het onder 1., 2. en 3. telastegelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar in voege als voormeld en verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte te dier zake tot:

Een gevangenisstraf voor de duur van één jaar.

Beveelt, dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is telastegelegd dan het bewezenverklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.J. de Jong, voorzitter, mr. H. van der Werff en mr. Y. Huizing, rechters, bijgestaan door T.L. Komrij, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 5 maart 2009.