Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2009:BH4691

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
05-03-2009
Datum publicatie
06-03-2009
Zaaknummer
AWB 08/2607
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wet openbaarheid van bestuur. Verlangde gegevens kunnen niet dan met grote inspanning worden vergaard. Voldoende gespecificeerd verzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

procedurenummer: AWB 08/2607

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 maart 2009 als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in het geding tussen

[naam],

wonende te [woonplaats],

eiser,

gemachtigde: mr. W.H. Janssen, werkzaam bij juridisch adviesbureau Janssen & Partner te Heythuysen,

en

het college van gedeputeerde staten van Fryslân,

verweerder,

gemachtigden: mr. M.H. Swart, werkzaam bij de provincie Fryslân, en mr. J.V. van Ophem, advocaat te Leeuwarden.

Procesverloop

Bij brief van 18 november 2008 heeft het college van gedeputeerde staten van Fryslân (hierna: het college) eiser mededeling gedaan van zijn besluit op bezwaar betreffende de toepassing van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob).

Tegen dit besluit heeft eiser beroep aangetekend.

De zaak is behandeld ter zitting van de rechtbank, gehouden op 15 januari 2009, waarbij partijen zich hebben laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Tijdens de zitting heeft mr. Van Ophem de vraag opgeworpen of eiser wel bestaat. Naar aanleiding hiervan is het onderzoek heropend en is mr. Janssen verzocht gegevens te verstrekken waaruit blijkt dat eiser daadwerkelijk bestaat. Bij brief van 18 januari 2009 heeft mr. Janssen een scan van eisers identiteitskaart overgelegd. Daarnaast heeft hij nog een inhoudelijk punt aan de orde gesteld. Hierop heeft mr. Van Ophem bij brief van 10 februari 2009 gereageerd.

Met toestemming van partijen is een nadere zitting achterwege gebleven, waarna de rechtbank het onderzoek heeft gesloten.

Motivering

Feiten

1.1 Bij brief van 2 augustus 2008 heeft eiser het college verzocht gegevens te verstrekken over het aantal ambtenaren, al dan niet in deeltijd werkzaam, dat op 1 januari 2008 werkzaam was bij de provincie Fryslân, uitgesplitst naar een aantal salarisgroepen (salarisschalen 1 tot en met 4, salarisschalen 5 tot en met 7, salarisschalen 8 en 9, salarisschalen 10 tot en met 12 en salarisschalen 13 en hoger), teneinde te voorkomen dat deze gegevens kunnen leiden tot de identificatie van individuele ambtenaren. Daarnaast heeft eiser het college verzocht aan te geven hoe vaak binnen het ambtelijke apparaat, uitgesplitst naar de jaren 2005, 2006 en 2007 en tevens uitgesplitst naar voormelde salarisgroepen, plichtsverzuim is vastgesteld, plichtsverzuim dat heeft geleid tot een disciplinaire straf of maatregel. Tenslotte heeft eiser verzocht zo concreet mogelijke informatie (afschriften van geanonimiseerde besluiten) over de aard van het plichtsverzuim en de opgelegde disciplinaire straf of maatregel te verstrekken. Eiser heeft aangegeven dat voor zijn onderzoek noodzakelijk is dat hij het plichtsverzuim, de aard daarvan en de sanctie kan koppelen aan voormelde salarisgroepen.

1.2 Bij brief van 18 augustus 2008 heeft het college eiser meegedeeld dat op 1 januari 2008 864 personen werkzaam waren bij de provincie Fryslân. Dit aantal is conform eisers verzoek uitgesplitst naar salarisgroepen. De verzoeken met betrekking tot -kortgezegd- het plichtsverzuim zijn door het college afgewezen.

1.3 Tegen deze afwijzing heeft eiser bij brief van 21 september 2008 bezwaar gemaakt bij het college. Het college heeft dit bezwaarschrift voor advies in handen gesteld van de commissie voor bezwaar- en beroepschriften en klachten van de provincie Fryslân (hierna: de commissie).

1.5 Bij het bestreden besluit heeft het college overeenkomstig het advies van 10 november 2008 van de commissie het bezwaarschrift ongegrond verklaard en zijn besluit van 18 augustus 2008 gehandhaafd.

Het geschil

2.1 Het college heeft aangegeven dat binnen de provinciale organisatie op geen enkele wijze gegevens met betrekking tot plichtsverzuim en het al dan niet opleggen van disciplinaire sancties worden bijgehouden. Om deze gegevens toch te kunnen verstrekken, zouden alle individuele personeelsdossiers, circa duizend, geraadpleegd moeten worden om te verifiëren of sprake is geweest van plichtsverzuim, wat dat inhield en welke maatregel is getroffen. De gegevens kunnen dus niet dan met grote inspanning uit de dossiers worden afgeleid. Volgens jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS), onder meer de uitspraak van 20 juni 2007 (AB 2007, 329) voorziet de Wob echter niet in een dergelijke vergaarplicht en van het college kan redelijkerwijs ook niet verlangd worden dat hij de verlangde gegevens op deze wijze vergaart. Om die reden zijn de verzoeken met betrekking tot plichtsverzuim afgewezen, aldus het college.

2.2 Eiser erkent dat van het college niet verlangd kan worden om het aantal gevallen van plichtsverzuim samen te vatten in een overzicht; een dergelijk document hoeft het college niet op te stellen. Als het college echter de gevraagde afschriften van de geanonimiseerde besluiten inzake de oplegging van disciplinaire sancties had overgelegd en daarbij de salarisschaal had vermeld, dan was daarmee de informatie verstrekt waarom was verzocht. Eiser is van opvatting dat het college deze gegevens zonder grote inspanning had kunnen vergaren.

Beoordeling van het geschil

3.1 Het college heeft de vraag opgeworpen of eiser wel ontvangen kan worden in zijn beroep. In dit kader is aangevoerd dat het beroepschrift niet eisers adres bevat. De machtiging waarmee eiser zijn gemachtigde heeft gemachtigd tot het instellen van het onderhavige beroep bevat evenmin eisers adres. Bovendien wordt eisers adres evenmin genoemd in andere dossierstukken. In het verlengde hiervan heeft het college ter zitting de vraag opgeworpen of eiser wel bestaat.

3.2 Ingevolge artikel 6:5, eerste lid 1, aanhef en onder a, van de Awb dient het beroepschrift ten minste de naam en het adres van de indiener te bevatten. Hoewel juist is dat eisers adres niet is vermeld in het beroepschrift, is eisers adres wel vermeld in de brief van 24 november 2008 waarmee het beroepschrift aan de rechtbank is aangeboden. Bovendien bevat deze aanbiedingsbrief alsmede het beroepschrift het adres van eisers gemachtigde, waar eiser, blijkens de aanbiedingsbrief, domicilie heeft gekozen. Het betoog van het college dat het beroepschrift niet voldoet aan het gestelde in artikel 6:5, eerste lid 1, aanhef en onder a, van de Awb faalt derhalve. Verder blijkt uit de bij brief van 18 januari 2009 overgelegde scan van eisers identiteitskaart dat eiser daadwerkelijk bestaat. Er bestaan dus geen beletselen om het beroep inhoudelijk te beoordelen.

3.3 Nu het college aan eiser gegevens heeft verstrekt over het aantal ambtenaren dat op

1 januari 2008 werkzaam was bij de provincie Fryslân, zijn louter de op het plichtsverzuim betrekking hebbende verzoeken in geschil. Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt.

3.4 Ingevolge artikel 1, aanhef en onder a, van de Wob wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen onder document verstaan: een bij een bestuursorgaan berustend schriftelijk stuk of ander materiaal dat gegevens bevat. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder b, van de Wob wordt onder bestuurlijke aangelegenheid verstaan: een aangelegenheid die betrekking heeft op beleid van een bestuursorgaan, daaronder begrepen de voorbereiding en de uitvoering ervan.

3.5 In het advies van 10 november 2008 heeft de commissie aangegeven dat eisers verzoeken betrekking hebben op een bestuurlijke aangelegenheid als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder b, van de Wob. Nu het college dit standpunt in het bestreden besluit onverkort heeft overgenomen, gaat de rechtbank voorbij aan de opvatting van college, zoals verwoord in het verweerschrift van 22 december 2008, dat de verzoeken geen betrekking hebben op een bestuurlijke aangelegenheid.

3.6 Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wob kan een ieder een verzoek om informatie, neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid, richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf. Ingevolge het tweede lid vermeldt de verzoeker bij zijn verzoek de bestuurlijke aangelegenheid of het daarop betrekking hebbend document, waarover hij informatie wenst te ontvangen. Indien een verzoek te algemeen geformuleerd is, verzoekt het bestuursorgaan de verzoeker zo spoedig mogelijk om zijn verzoek te preciseren en is het hem daarbij behulpzaam, aldus het vierde lid.

3.7 Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS), onder meer de door het college aangehaalde uitspraak van 20 juni 2007, is het wanneer een bestuursorgaan stelt dat na onderzoek is gebleken dat een bepaald document niet of niet meer onder hem berust en een dergelijke mededeling niet ongeloofwaardig voorkomt, in beginsel aan degene die om informatie verzoekt om aannemelijk te maken dat, in tegenstelling tot de uitkomsten van het onderzoek door het bestuursorgaan, een bepaald document toch onder dat bestuursorgaan berust.

3.8 Zoals in rechtsoverweging 2.2 is overwogen, heeft eiser erkend dat het college niet beschikt en ook niet hoeft te beschikken over een overzicht waarin het aantal gevallen van plichtsverzuim en het al dan niet opleggen van disciplinaire sancties wordt bijgehouden. Reeds hierom kan buiten beschouwing blijven eisers kennelijke opvatting dat het college op grond van artikel 125quater van de Ambtenarenwet en vanwege de omstandigheid dat het jaarlijks aan de Provinciale Staten van Fryslân dient te rapporteren over het aantal integriteitschendingen gehouden is een dergelijk overzicht bij te houden. Verder staat vast dat het college, teneinde de door eiser verlangde gegevens te kunnen verstrekken, circa duizend personeelsdossiers moet raadplegen. In navolging van het standpunt van het college is de rechtbank van oordeel dat de door eiser verlangde gegevens niet dan met grote inspanning uit de personeelsdossiers vergaard kunnen worden en dat de Wob niet voorziet in een dergelijke vergaarplicht. Op die grond heeft het college de verzoeken met betrekking tot het plichtsverzuim kunnen afwijzen.

3.9 Eiser heeft aangevoerd dat het college had kunnen volstaan met het verstrekken van de (geanonimiseerde) besluiten waarbij aan de betrokken ambtenaar een disciplinaire sanctie wegens plichtsverzuim is opgelegd. Wat hier ook van zij, eiser miskent met deze voorstelling van zaken dat aan het verstrekken van deze gegevens ook het raadplegen van de circa duizend personeelsdossiers voorafgaat. Zonder deze voorafgaande raadpleging is immers niet op voorhand duidelijk tegen welke ambtenaren disciplinaire maatregelen zijn getroffen.

3.10 Eisers betoog dat het college hem in strijd met artikel 3, vierde lid, van de Wob niet heeft verzocht zijn verzoek te preciseren en hem daarbij niet behulpzaam is geweest, faalt. Naar het oordeel van de rechtbank lieten de door eiser ingediende verzoeken niets aan duidelijkheid over; eiser verzocht om verstrekking van een overzicht waarin het aantal gevallen van plichtsverzuim en het al dan niet opleggen van disciplinaire sancties wordt bijgehouden. Dat een dergelijk overzicht ontbreekt, wat eiser niet heeft betwist, brengt echter niet mee dat zijn verzoeken daarom niet voldoende gepreciseerd zijn.

3.10 Eiser heeft, met een beroep op het gelijkheidsbeginsel, tenslotte aangevoerd dat een aantal provincies en gemeenten bijna per kerende post vergelijkbare verzoeken hebben ingewilligd en de verzochte informatie hebben verstrekt. Wat hier ook van zij en daargelaten of sprake is van vergelijkbare verzoeken, naar het oordeel van de rechtbank hoeft het college zich bij zijn besluitvorming niet te richten naar beslissingen van een college van een andere provincie of van een gemeente; het college dient een eigen afweging te maken. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt derhalve.

3.11 Al met al is de rechtbank van oordeel dat het college de verzoeken met betrekking tot het plichtsverzuim terecht heeft afgewezen. Het beroep zal daarom ongegrond worden verklaard. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. C.H. de Groot, rechter, in tegenwoordigheid van mr. J.R. Leegsma als griffier. Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 maart 2009.

w.g. J.R. Leegsma

w.g. C.H. de Groot

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat voor partijen hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in art. 6:13 juncto 6:24 Awb.

Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan:

de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Postbus 20019

2500 EA Den Haag

In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.