Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2009:BH4452

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
02-03-2009
Datum publicatie
04-03-2009
Zaaknummer
AWB 09/170 en AWB 09/171
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Voorlopige voorziening. Beleid verstrekking scootmobiel gemeente Ooststellingwerf in strijd met artikel 4 van de Wmo. Kortsluiting. Beroep gegrond. Verstrekking van scootmobiel bij wijze van voorlopige voorziening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

procedurenummers: AWB 09/170 & 09/171

uitspraak van de voorzieningenrechter van 2 maart 2009 op grond van de artikelen 8:84 en 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in de gedingen tussen

[naam],

wonende te [woonplaats],

verzoeker,

gemachtigde: G. Tot, werkzaam bij Bond Arbeidsongeschikten en Gehandicapten te Oosterwolde,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ooststellingwerf,

verweerder,

gemachtigde: mr. J. Platje, werkzaam bij verweerders gemeente.

Procesverloop

Bij brief van 13 januari 2009 heeft verweerder verzoeker mededeling gedaan van een besluit op bezwaar betreffende de toepassing van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo).

Verzoeker heeft tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. Het beroep is bekend onder procedurenummer 09/171. Tevens heeft verzoeker zich bij brief van 21 januari 2009 tot de voorzieningenrechter gewend met het verzoek om op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek is geregistreerd onder procedurenummer 09/170.

Het verzoek is ter zitting behandeld op 16 februari 2009. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde.

Motivering

Feiten

1.1 Voor de feiten en omstandigheden die voor deze procedures van belang zijn verwijst de voorzieningenrechter naar de uitspraken die de voorzieningenrechter tussen partijen heeft gewezen op 15 augustus 2008 (procedurenummers 08/1286 & 1287), 2 oktober 2008 (procedurenummers 08/2014 & 08/2015) en 11 november 2008 (procedurenummers 08/2229 & 08/2230). In deze laatste uitspraak heeft de voorzieningenrechter geconcludeerd dat het desbetreffende bestreden besluit op een aantal punten ondeugdelijk is gemotiveerd. Zij heeft daarom het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, verweerder opgedragen om binnen twee maanden na die uitspraak opnieuw op het bezwaarschrift te beslissen en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

1.2 Ter uitvoering van die uitspraak heeft verweerder een nieuw advies gevraagd aan SCIO Consult. Uit dat nieuwe advies van 13 januari 2009, opgesteld door de arts F. Knol, blijkt dat verzoeker lijdt aan verlammingsverschijnselen rechts, met een a-functionele rechterarm en krachtsverlies aan zijn rechterbeen, kortademigheid, botontkalking, een taalstoornis en een ernstige spraakstoornis. Met begeleiding kan verzoeker buitenshuis volgens Knol maximaal 25 meter lopen. Volgens deze arts kan verzoeker met een taxi of rolstoeltaxi vervoerd worden. Zijn communicatieve problemen kan hij oplossen met behulp van bijvoorbeeld adreskaartjes. Omdat Knol de door verzoeker genoemde afstanden niet goed kan inschatten, kan hij de vraag of een voorziening in de vorm van een taxi of rolstoeltaxi adequaat is, niet goed beoordelen. Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder het bezwaarschrift opnieuw ongegrond verklaard.

Standpunten van partijen

2.1 Verweerder heeft - onder meer en voor zover van belang - onder verwijzing naar het SCIO-advies van 13 januari 2009 gesteld dat er geen nieuwe feiten of omstandigheden naar voren zijn gekomen. Verzoeker heeft volgens verweerder recht op een vervoersvoorziening in de vorm van het collectief vervoer (de zogenaamde gele kaart) en daarnaast op een aanvullende vervoersvoorziening voor de zeer korte afstand (tot 500 meter, de zogenaamde blauwe kaart). Verweerder heeft besloten om verzoeker de gevraagde scootmobiel niet te verstrekken omdat hij niet aan alle daarvoor geldende criteria voldoet. Volgens verweerder woont een aantal van verzoekers familieleden binnen een straal van 500 meter van zijn huis.

2.2 Verzoeker heeft - onder meer en samengevat - aangevoerd dat verweerder zijn standpunt nog steeds niet deugdelijk heeft gemotiveerd. Verzoekers familie woont verder dan 500 meter bij hem vandaan, zodat hij van de blauwe kaart geen gebruik maakt. Verder vraagt verzoeker zich af of één van de door verweerder gehanteerde criteria voor het toekennen van een scootmobiel, namelijk het vervullen van een maatschappelijke rol, zich wel verdraagt met het doel van de Wmo.

Beoordeling van de geschillen

3.1 Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het verzoek overweegt de voorzieningenrechter dat niet is gebleken van beletselen om verzoeker te kunnen ontvangen. Voorts is genoegzaam aangetoond dat verzoeker een spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorlopige voorziening. Indien, zoals in het onderhavige geval, het verzoek om een voorlopige voorziening wordt gedaan terwijl beroep bij de rechtbank is ingesteld, kan de voorzieningenrechter op grond van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak, indien hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is dit het geval. De voorzieningenrechter zal daarom onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

3.2 Op grond van artikel 4 van de Wmo rust op het college van burgemeester en wethouders de algemene verplichting om personen met aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek door het treffen van voorzieningen een gelijkwaardige uitgangspositie te verschaffen zodat zij zelfredzaam zijn en in staat zijn tot maatschappelijke participatie. Dit zogenoemde compensatiebeginsel is ook tot uitdrukking gebracht in artikel 1, sub b, van de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Ooststellingwerf (hierna: de Verordening).

3.3 Uit verweerders "beleidsregels Wet maatschappelijke ondersteuning gemeente Ooststellingwerf" en de daarbij behorende verstrekkingsregels (hierna: de beleidsregels) volgt dat hij gelet op de kosten een terughoudend beleid voert en dat alleen een scootmobiel verstrekt wordt als aan een aantal aanvullende criteria wordt voldaan. Het moet daarbij gaan om:

(1) personen met een indicatie voor een vervoersvoorziening;

(2) personen waarvoor het toekennen van een vervoersvoorziening voor collectief vervoer, inclusief hulpmiddelen of de blauwe taxikaart voor de korte afstanden, niet (voldoende) adequaat is;

(3) personen die buitenshuis geen of een minimale loopafstand hebben (+/- 10 meter);

(4) personen waarvoor een scootmobiel een wezenlijke bijdrage levert bij het behoud van hun zelfstandigheid in het leven van alledag;

(5) personen die een maatschappelijke rol vervullen, zoals het opvoeden van een minderjarig of gehandicapt kind of als verzorger van een thuiswonende (verstandelijk) gehandicapte, waarbij het beschikken over een scootmobiel de enige mogelijkheid is om die rol te kunnen vervullen.

Verweerder toetst deze voorwaarden cumulatief, zodat voor de verstrekking van een scootmobiel aan al deze voorwaarden moet zijn voldaan. Van voorwaarde (1) en (4) heeft verweerder gesteld dat verzoeker daaraan voldoet en ten aanzien van voorwaarde (2) heeft verweerder in het bestreden besluit gesteld dat de blauwe taxikaart voor verzoeker adequaat is. Verweerder heeft gesteld dat verzoeker niet aan voorwaarde (3) en (5) voldoet, omdat hij binnen- en buitenshuis meer dan 10 meter, namelijk 25 meter, kan lopen en omdat hij geen maatschappelijke functie bekleedt die hij alleen kan vervullen met behulp van een scootmobiel.

3.4 In de uitspraak van 11 november 2008 heeft de voorzieningenrechter onder meer overwogen dat verweerder in het desbetreffende besluit het criterium "het vervullen van een maatschappelijke rol" onbesproken heeft gelaten en dat hij op dit punt een gemotiveerd standpunt dient in te nemen. Het is de voorzieningenrechter in de onderhavige procedure opgevallen dat verweerder in het thans bestreden besluit opnieuw geen enkele beschouwing wijdt aan de reden waarom hij dit criterium hanteert. Hij heeft opnieuw volstaan met te vermelden dat verzoeker geen maatschappelijke functie als bovenbedoeld bekleedt. Ook ter zitting heeft verweerder geen deugdelijke motivering van zijn standpunt op dit onderdeel gegeven, anders dan dat er in zijn gemeente toch echt wel scootmobiels worden verstrekt.

3.5 De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerders beleidsregels ten aanzien van de verstrekking van een scootmobiel in strijd zijn met het compensatiebeginsel, zoals dit is neergelegd in artikel 4 van de Wmo en in de Verordening. In feite heeft de eis dat aan alle criteria van de beleidsregels wordt voldaan, tot gevolg dat slechts mensen die een bepaalde maatschappelijke rol vervullen en dat alleen kunnen doen als zij een scootmobiel hebben voor verstrekking van een scootmobiel in aanmerking komen. Weliswaar staat het verweerder vrij om in het kader van de Wmo beleidsmatig een keuze te maken tussen bijvoorbeeld de verschillende vormen van vervoersvoorziening, met vaststelling van de nodige toekenningcriteria; evenwel gaat het te ver als hij een groep mensen als waartoe verzoeker in zijn visie kennelijk behoort, reeds op voorhand categoraal uitsluit van het toekennen van een bepaalde voorziening, in casu een scootmobiel. Verweerders beleid staat dan ook haaks op de algemene opdracht, zoals neergelegd in artikel 4 van de Wmo.

3.6 De conclusie is dan ook dat verweerder bij het nemen van het bestreden besluit heeft gehandeld in strijd met het bepaalde in artikel 4 van de Wmo en in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb (het motiveringsbeginsel). Het bestreden besluit zal wegens strijd met deze artikelen worden vernietigd. Verweerder zal opnieuw op verzoekers bezwaarschrift moeten beslissen.

3.7 Bij die nieuwe heroverweging zal verweerder, als hij het criterium, inhoudende dat het moet gaan om personen die buitenshuis geen of een minimale loopafstand hebben (+/- 10 meter), wenst te handhaven, moeten motiveren of ook niet aan dit criterium wordt voldaan als iemand, zoals verzoeker, weliswaar 25 meter, maar dan slechts met een stok of met ondersteuning van zijn vrouw kan afleggen. Dit criterium impliceert immers niet op voorhand dat daaraan ook niet is voldaan als iemand alleen met volledige ondersteuning meer dan de minimale loopafstand kan afleggen.

3.8 Uit het SCIO-advies van 13 januari 2009 leidt de voorzieningenrechter verder af dat Knol op grond van zijn medische deskundigheid vindt dat verzoeker wel met een taxi kan reizen, maar dat hij ook aangeeft dat een scootmobiel een weliswaar duurdere, maar ook adequate voorziening zou zijn, die voor verzoeker in zijn specifieke situatie een middel zou zijn om zijn zelfredzaamheid te vergroten en hem in staat te stellen zijn sociale contacten te onderhouden, ware het niet dat hij niet aan de door de gemeente gestelde criteria voldoet. Dit advies van Knol noopt verweerder bij voorbaat niet ertoe om voor afstanden tot 500 meter te volstaan met het toekennen van de blauwe kaart. Op grond van dit advies zou in het specifieke geval van eiser, gelet op zijn meervoudige, ernstige handicaps, ook de keuze voor een scootmobiel denkbaar zijn. Verweerder zal zich ook hierover in de nieuwe heroverweging moeten uitlaten.

3.9 Wel overweegt de voorzieningenrechter dat hij op voorhand geen aanleiding ziet om te twijfelen aan de door verweerder overgelegde overzichten van Personenvervoer Kort BV, die kennelijk gemaakt met een gangbare routeplanner en waaruit blijkt dat de meeste van verzoekers kinderen binnen een straal van 500 meter van zijn huis wonen. Verzoeker heeft deze gegevens weliswaar betwist, maar niet onder overlegging van concrete gegevens.

Voorlopige voorziening

4.1 De voorzieningenrechter ziet onder deze omstandigheden aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. Daarbij neemt hij in aanmerking dat in het geval van verzoeker sprake is van een nijpende situatie. Door zijn medische aandoeningen en zijn behoefte aan begeleiding en ondersteuning is verzoeker, naar het de voorzieningenrechter voorkomt, ernstig beperkt in zijn zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie. Verder weegt de voorzieningenrechter mee dat verzoeker zijn aanvraag al een jaar geleden heeft gedaan, dat dit nu de vierde keer in zes maanden is dat hij zich genoodzaakt heeft gezien zich tot de voorzieningenrechter te wenden en dat met deze uitspraak verweerders besluitvorming naar aanleiding van die aanvraag wederom niet is afgerond.

4.2 Het verzoek zal worden toegewezen in die zin dat verweerder aan verzoeker een scootmobiel in bruikleen verstrekt onder de gebruikelijke voorwaarden en zoals in het dictum nader aangegeven. Daarbij overweegt de voorzieningenrechter dat verweerder ter zitting heeft verklaard dat zo'n verstrekking op zich niet op praktische bezwaren hoeft te stuiten en dat uit het dossier is gebleken dat verzoeker voldoende in staat is om op veilige wijze een scootmobiel te gebruiken.

Proceskosten

5.1 De gemachtigde van verzoeker heeft, onder verwijzing naar de proceskostenveroordeling in de uitspraak van 11 november 2008, verzocht om verweerder te veroordelen in de proceskosten tot een bedrag van € 12,50. De voorzieningenrechter gaat er vanuit dat de gemachtigde verzoekt om vergoeding van reiskosten. Aansluitend bij die uitspraak zal de voorzieningenrechter verweerder op de voet van artikel 8:75 van de Awb veroordelen in die proceskosten, bestaande uit door gemachtigde gemaakte reiskosten € 12,80 (openbaar vervoer per NS tweede klas), aan verzoeker te vergoeden door de gemeente Ooststellingwerf.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit op bezwaar neemt, met inachtneming van het in deze uitspraak overwogene;

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe, in die zin dat verweerder aan verzoeker een scootmobiel in bruikleen verstrekt onder de gebruikelijke voorwaarden, tot twee weken nadat het college het nieuwe besluit op bezwaar op de voorgeschreven wijze bekend zal hebben gemaakt, met dien verstande, dat, wanneer binnen die termijn opnieuw een verzoek om voorlopige voorziening is ingediend, de schorsing doorloopt totdat de voorzieningenrechter op dat verzoek heeft beslist;

- bepaalt dat verweerders gemeente verzoeker het betaalde griffierecht ad € 39,= terugbetaalt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker ten bedrage van € 12,80, aan hem te betalen door verweerders gemeente.

Aldus gegeven door mr. P.G. Wijtsma, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. J. Dijkstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 maart 2009.

w.g. J. Dijkstra

w.g. P.G. Wijtsma

Rechtsmiddel

Tegen de uitspraak in het verzoek om een voorlopige voorziening met registratienummer 09/170 kan geen rechtsmiddel worden aangewend.

Tegen de uitspraak in de hoofdzaak met registratienummer 09/171 staat voor partijen hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in artikel 6:13 in samenhang met artikel 6:24 van de Awb.

Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan:

de Centrale Raad van Beroep

Postbus 16002

3500 DA Utrecht

In het beroepschrift vermeldt u dan waarom u de uitspraak niet juist vindt.