Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2009:BH4019

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
24-02-2009
Datum publicatie
25-02-2009
Zaaknummer
Awb 08/1896 en AWB 09/273
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Voorlopige voorziening hangende beroep tegen kapvergunning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

Procedurenummers: AWB 08/1896 en 09//273

uitspraak van 24 februari 2009 van de voorzieningenrechter op grond van de artikelen 8:84 en 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

inzake het geding tussen

[X],

wonende te [woonplaats],

verzoeker,

gemachtigde: mr. G.J. Hingstman, werkzaam bij Stichting Univé Rechtshulp te Assen,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Opsterland,

verweerder.

gemachtigde: mr. P. Stevens, werkzaam bij de gemeente Opsterland.

Procesverloop

Bij brief van 8 juli 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Opsterland (hierna: het college) [X] mededeling gedaan van een besluit op bezwaar betreffende de aan de gemeente Opsterland verleende kapvergunning.

[X] heeft tegen dit besluit beroep aangetekend. Dit beroep staat geregistreerd onder nummer 08/1896. Tevens heeft [X] zich bij brief van 3 februari 2009 tot de voorzieningenrechter gewend met het verzoek om op grond van artikel 8:81 lid 1 van de Awb een voorlopige voorziening te treffen. Dit verzoek staat geregistreerd onder nummer 09/273.

Het verzoek is ter zitting behandeld op 18 februari 2008. [X] is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. J. Dijkstra, kantoorgenoot van mr. Hingstman. Het college is verschenen bij zijn gemachtigde.

Motivering

De feiten

1.1 Op 22 oktober 2007 heeft de gemeente Opsterland ten behoeve van regulier onderhoud kapvergunning aangevraagd voor het selectief dunnen (geen kaalslag) van bosplantsoen aan de Utein, Wyldsang, Bommegaerde, Letterbeam, De Reden en De Singel alle te Beetsterzwaag. Aan deze aanvraag zijn vier kadastrale kaarten gehecht waarop met streepjes dan wel cirkels is aangegeven waar de onderhoudsactiviteiten plaatsvinden en wat deze inhouden. De onderhoudsactiviteiten zijn op die kaarten omschreven als selectief dunnen, terugzetten, dunnen onderbegroeiing en doodhout onderscheidenlijk bomen snoeien.

1.2 De aanvraag is in het huis-aan-huisblad "De Woudklank" van 25 oktober 2007 bekendgemaakt. Bij brief van 5 november 2007 heeft [X] zijn zienswijze over de aanvraag naar voren gebracht.

1.3 Bij besluit van 4 maart 2008 heeft het college beslist op de aanvraag. Hierin is -voor zover van belang overwogen-:

“Op 28 november 2007 (voorzieningenrechter: kennelijk is bedoeld 22 oktober 2007) heeft u een kapvergunning aangevraagd voor het uitdunnen van bosplantsoen aan onder andere it Utein/Letterbeam te Beetsterzwaag. (…)

Verleende vergunning

Wij hebben besloten u een vergunning te verlenen voor de bomen zoals aangegeven op de ingediende tekening op grond van artikel 4.4.2. lid 1 van de Algemene Plaatselijke verordening Opsterland. Hieronder leggen wij uit hoe wij tot ons besluit zijn gekomen (…)”

1.4 Tegen dit besluit heeft [X] bezwaar aangetekend. De bezwarencommissie Opsterland heeft in haar advies van 18 juni 2008 het college geadviseerd het bezwaar, voor zover het betrekking heeft op het terugzetten van houtopstanden aan de Bommegaerde en De Letterbeam, zoals aangegeven op kaartje 4 van de aanvraag/vergunning, ontvankelijk te verklaren. Daarnaast heeft de commissie het college geadviseerd het besluit met betrekking tot het terugzetten van houtopstanden aan de Letterbeam en Bommegaerde te herroepen en hiervoor een nieuw besluit te nemen. Daartoe is overwogen dat dit deel van de kapvergunning een afdoende belangenafweging ontbeert en onduidelijk is geformuleerd, omdat hierin -kort samengevat- niet blijkt voor welke soorten houtopstand voor welk activiteiten kapvergunning is verleend, of er weigeringsgronden van toepassing zijn en welke activiteiten al dan niet zijn toegestaan.

1.5 Bij het bestreden besluit heeft het college het bezwaar van [X] voor zover dat betrekking heeft op het bosplantsoen nabij zijn woning aan [adres X] ontvankelijk en ongegrond verklaard en voor het overige niet-ontvankelijk.

Het geschil

2.1 [X] is van mening dat de bij het bestreden gehandhaafde kapvergunning in beroep geen stand kan houden. Hij acht de kapvergunning onzorgvuldig genomen. Daarnaast is aan de kapvergunning geen deugdelijke belangafweging ten grondslag gelegd. Daarbij wijst [X] erop dat in het bestreden besluit niet is aangeven voor welke houtopstand noch voor welke activiteiten de kapvergunning is verleend. Hierdoor is niet uit te sluiten dat activiteiten plaats zullen vinden die op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Opsterland (APV) geweigerd hadden moeten worden, aldus [X].

2.2 Het college stelt zich op het standpunt dat het verzoek van [X] niet ontvankelijk moet worden verklaard, omdat niet voldaan is aan het materiële connexiteitvereiste, omdat [X] geen spoedeisend belang meer heeft bij schorsing van de kapvergunning en omdat [X] -samengevat weergegeven- voor een deel van de activiteiten niet in zijn bezwaar ontvangen kan worden.

De beoordeling

De ontvankelijkheid en het beoordelingskader van het verzoek

3.1 Op grond van artikel 8:81 van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

3.1.1 Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het verzoek overweegt de voorzieningenrechter dat niet is gebleken van beletselen om [X] te kunnen ontvangen. Anders dan het college heeft gesteld, is het oordeel in de hoofdzaak noch de aanwezigheid van een spoedeisend belang, mede bepalend of voldaan is aan het connexiteitsvereiste. Daarvoor is enkel van belang dat ten tijde van het verzoek een hoofdzaak aanhangig is (processuele connexiteit) en de gevraagde voorlopige voorziening betrekking heeft op het in de hoofdzaak bestreden besluit (materiële connexiteit).

3.1.2 Voor zover het college van mening is dat het verzoek reeds afgewezen dient te worden, omdat [X] geen enkel spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorlopige voorziening, nu de in geding zijnde kapvergunning van rechtswege is geschorst, onderschrijft de voorzieningenrechter dit standpunt niet.

3.1.2.1 In de eerste plaats merkt de voorzieningenrechter op dat tussen partijen niet in geschil is dat reeds gebruik is gemaakt van de kapvergunning. Nu feitelijk gebruik wordt gemaakt van de kapvergunning, kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet in redelijkheid worden geconcludeerd dat [X] geen feitelijk belang heeft bij de gevraagde voorziening. Immers, in de gestelde schorsing van rechtswege, heeft de gemeente Opsterland geen reden gezien om geen gebruik te maken van de kapvergunning.

3.1.2.1 Daarnaast vloeit, anders dan het college heeft gesteld, uit de APV naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet rechtstreeks voor dat de in geding zijnde kapvergunning, al dan niet door het instellen van beroep, is geschorst.

Ingevolge artikel 4.4.5 van de APV wordt een vergunning verleend onder de voorwaarde dat van de vergunning geen gebruik wordt gemaakt voordat (voorzieningenrechter: cursivering) zij definitief is geworden, oftewel voordat (voorzieningenrechter: cursivering):

a. de bezwaar- of beroepstermijn is verstreken zonder dat bezwaar of beroep is ingediend;

b. beslist is op een verzoek om een voorlopige voorziening;

c. beslist is op het beroep van derden en geen verzoek tot voorlopige voorziening is gedaan.

Dit artikel moet naar het oordeel van de voorzieningenrechter aldus worden uitgelegd dat het college verplicht is om aan de vergunning één of meer van de in dit artikel genoemde voorwaarden te verbinden, zodat reeds daarom de schorsende werking niet rechtstreeks uit de APV kan volgen. Immers, niet is bekend welke voorwaarde in dat geval van toepassing is en dus ook onbekend is wanneer de schorsing aanvangt. Daarnaast vindt de voorzieningenrechter voor deze uitleg steun in de woorden “wordt verleend onder de voorwaarde”.

De voorzieningenrechter stelt vast dat aan de in geding zijnde kapvergunning geen voorwaarde als bedoeld in artikel 4.4.5 APV is verbonden. Integendeel, zowel in het primaire besluit als in het bestreden besluit is vermeld dat het indienen van een bezwaarschrift onderscheidenlijk het indienen van een beroepschrift geen schorsende werking heeft en dat dit betekent dat gewoon gebruik kan worden gemaakt van de vergunning.

3.1.3 Indien, zoals in het onderhavige geval, het verzoek om een voorlopige voorziening wordt gedaan terwijl beroep bij de rechtbank is ingesteld, kan de voorzieningenrechter op grond van artikel 8:86 lid 1 Awb onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak, indien hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is dit het geval. De voorzieningenrechter zal daarom onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

De beoordeling van de beslissing op het bezwaar

3.2 Voorop stelt de voorzieningenrechter dat in het beroep- en het verzoekschrift, anders dan het college heeft gesteld, geen aanknopingspunten zijn gevonden voor het oordeel dat Couprus zich in onderdelen van het bestreden besluit heeft berust. Ter zitting heeft [X] benadrukt dat hij zich in zijn geheel niet kan vinden in de aan de gemeente Opsterland verleende kapvergunning. Ook door het kappen van (delen van het) bosplantsoen, die niet direct in de nabijheid van zijn woning ligging wordt hij, aldus [X], in zijn belangen geschaad. Hierdoor wordt zijns inziens het aanzien/uiterlijk van de woonwijk aangetast, nu een bosplantsoen een afschermende functie heeft: het ontrekt tuinen, schuttingen, schuurtjes en dergelijke aan het zicht.

3.3 Bij het bestreden besluit heeft het college [X] in zijn bezwaar ontvangen voor zover dat ziet op het bosplantsoen nabij zijn woning aan de Letterbeam 5. In het bestreden besluit is niet nader gespecificeerd welke bosplantsoenen aangeduid op de bij de aanvraag overgelegde tekeningen onder het bosplantsoen nabij zijn woning aan de Letterbeam 5 vallen. Dit betekent dat in het bestreden besluit de beslissing over de ontvankelijkheid van het bezwaar uit oogpunt van rechtszekerheid niet met de vereiste duidelijkheid is omschreven. Het bestreden besluit kan reeds hierom in beroep geen stand houden en zal daarom worden vernietigd. De rechtbank ziet aanleiding om met toepassing van art. 8:72, vierde lid, van de Awb deels in de zaak te voorzien. Daartoe overweegt zij als volgt.

3.4 Ingevolge artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 7:1 van de Awb, kan tegen een besluit in de zin van de Awb door een belanghebbende bezwaar worden gemaakt. Ingevolge artikel 1:2 , eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

3.4.1 Om belanghebbende te zijn bij het besluit tot verlening van een kapvergunning dient betrokkene een hem persoonlijk aangaand belang te hebben dat hem in voldoende mate onderscheidt van anderen. Bij een besluit omtrent een kapvergunning als hier aan de orde zal als regel slechts als belanghebbende kunnen worden aangemerkt degene die op geringe afstand van de bomen woont of vanuit zijn woning daarop zicht heeft. Slechts onder bijzondere omstandigheden kan dat anders liggen.

3.4.2 Bij besluit van 4 maart 2007 is kapvergunning verleend voor de bomen zoals aangegeven op de bij de aanvraag overgelegde kadastrale tekeningen. Op één van die tekening zijn twee gebieden met streepjes gearceerd, één gelegen ten westen van het perceel Letterbeam 2 (hierna ook: gebied 1) een de ander ten oosten van het perceel Lettebeam 16 (hierna ook: gebied 2), beiden met de aanduiding “terugzetten 200 m2” onderscheidenlijk "terugzetten 210 m2". Daarnaast zijn twee gebieden omcirkeld, één ten noorden van gebied 1 en de ander ten oosten van gebied 2, beiden met de aanduiding “bomen snoeien".

In aanmerking genomen dat [X] vanuit zijn woonerf deels zicht heeft op de houtopstand gelegen in bovengenoemde vier gebieden en de kortste afstand tot die gebieden variëren van circa 30 meter tot 60 meter heeft [X] naar het oordeel van de voorzieningenrechter een rechtstreeks individueel belang bij het primair besluit van 4 maart 2007 voor zover dat betrekking heeft op die gebieden. De omstandigheid dat [X] vanaf zijn woonerf niet alle bomen in die gebieden ziet, leidt niet tot een ander oordeel, omdat de houtopstand in elk van de gebieden een samenhangend geheel vormt en in de directe nabijheid van zijn woning ligt.

Voor de overige bosplantsoenen waarop het besluit van 4 maart 2007 betrekking heeft, heeft [X] naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen bijzonder individueel belang en dient zijn bezwaar op dat onderdeel niet-ontvankelijk te worden verklaard. Daarbij acht de voorzieningenrechter van belang dat [X] op die bosplantsoenen geen zicht heeft: de bosplantsoenen bevinden zich niet in zijn nabijheid dan wel worden door andere woningen aan zijn gezicht ontrokken. De enkele omstandigheid dat de bosplantsoenen onderdeel uitmaken van zijn leefomgeving, nu zij liggen in de woonwijk, waarin zijn woning is gelegen, is ontoereikend voor het oordeel dat hij zich in voldoende mate onderscheidt van anderen die zich in deze woonwijk ook regelmatig begeven.

3.4.3 De voorzieningenrechter volgt het college niet in zijn standpunt dat [X] voorts op andere gronden niet in zijn bezwaar ontvangen kan worden. Anders dan het college heeft gesteld, is het primaire besluit van 4 maart 2008 aan te merken als een besluit in de zin van de Awb. Met die beslissing heeft het college immers een aan het publiekrecht ontleend rechtsgevolg beoogd, zijnde verlening van een kapvergunning voor nader in het besluit aangeduide bomen. De enkele omstandigheid dat aan een schriftelijke beslissing vermeende gebreken kleven -niet alle geduide bomen en/of alle uit te voeren onderhoudsactiviteiten zouden volgens het college vergunningsplichtig zijn-, betekent niet dat die beslissing niet meer het karakter heeft van een publiekrechterlijke rechthandeling. In dit verband wijst de voorzieningenrechter erop dat naar vaste jurisprudentie onbevoegd genomen besluiten in beginsel besluiten zijn in de zin van de Awb.

3.4.4 Gelet op het bovenstaande zal de rechtbank met toepassing van art. 8:72, vierde lid, van de Awb bij haar uitspraak alsnog het bezwaar van [X], dat betrekking heeft op houtopstand niet gelegen in de vier gebieden, zoals beschreven in rechtsoverweging in 3.4.2, niet-ontvankelijk verklaren. Op de overige bezwaren zal het college met inachtneming van deze uitspraak opnieuw moeten beslissen.

3.5 Ten behoeve van het nemen van het nieuw te nemen besluit op bezwaar wijst de voorzieningenrechter op het volgende.

3.5.1 Ingevolge artikel 4.4.2, eerste lid, van de APV is het verboden zonder vergunning van het college houtopstand te vellen of te doen vellen.

Onder houtopstand wordt ingevolge artikel 4.4.1, eerste lid, onder b van de APV verstaan hakhout (een of meer bomen die na te zijn geveld, opnieuw op de stronk uitlopen), een houtsingel of een of meer bomen, die -kort samengevat- bestaat uit houtachtige gewassen met een dwarsdoorsnede van de stam van minimaal 10 centimeter op 1,3 meter hoogte boven het maaiveld. Onder vellen wordt ingevolge artikel 4.4.1, tweede lid, van de APV, mede verstaan: rooien, met inbegrip van verplanten alsmede het verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging of ontsiering van houtopstand ten gevolge kunnen hebben.

Ingevolge artikel 4.4.4. van de APV kan de vergunning in elk geval geweigerd worden op grond van:

a. de natuurwaarde van de houtopstand;

b. de landschappelijke waarde van de houtopstand;

c. de waarde van de houtopstand voor de stads- en dorpsschoon;

d. de beeldbepalende waarde van de houtopstand;

e. de cultuurhistorische of natuurwetenschappelijke waarde van de houtopstand;

f. de waarde voor de leefbaarheid van de houtopstand;

g. de recreatieve waarde van de houtopstand;

3.5.2 De voorzieningenrechter stelt met [X] vast dat uit de bij het bestreden besluit gehandhaafde kapvergunning niet blijkt welke specifieke handelingen en voor welke (soorten) houtopstand zij zijn vergund. In het primaire besluit van 4 maart 2007 is enkel vermeld dat de vergunning geldt voor bomen zoals aangegeven op de bij de aanvraag overgelegde tekening. Niet is aangegeven, noch in het besluit noch in de tekening, om hoeveel bomen het gaat, om wat voor soort bomen het gaat, waar de bomen zijn gesitueerd en wat hun specifieke kenmerken zijn , zoals bijvoorbeeld dikte, hoogte, levensvatbaarheid en waarde. Ook is niet aangegeven welke handelingen met betrekking tot die bomen op grond van de kapvergunning mogen worden verricht, terwijl daarentegen in de aanvraag vergunning is aangevraagd voor specifiek omschreven onderhoudsactiviteiten. Dit betekent dat ongewis is of het college bij zijn besluit van 4 maart 2007 de aanvraag deels heeft geweigerd, deels heeft toegewezen dan wel het standpunt heeft ingenomen dat voor een deel van de aangevraagde onderhoudsactiviteiten geen vergunning is vereist. Gelet hierop is de bij het bestreden besluit gehandhaafde vergunning uit oogpunt van rechtszekerheid niet met de vereiste duidelijkheid omschreven. Ook moet worden geoordeeld dat de kapvergunning onzorgvuldig tot stand is gekomen en niet deugdelijk is gemotiveerd. Immers, nu niet bekend is welke handelingen en voor welke specifieke houtopstanden zij zijn vergund, kan niet beoordeeld worden of voor die handelingen de vergunning ingevolge artikel 4.4.4. van de APV had moeten worden geweigerd.

3.5.3 Het college zal in de nieuw te nemen beslissing op bezwaar alsnog moeten beoordelen welke in de aanvraag vermelde onderhoudswerkzaamheden vergunningsplichtig zijn en zo ja, voor welke bomen of ander soorten houtopstand gelegen in de vier in rechtsoverweging 3.4.2 genoemde gebieden voor de vergunningsplichtige activiteiten een kapvergunning verleend kan worden.

In dat verband wijst de voorzieningenrechter erop dat niet het standpunt wordt gedeeld van het college dat snoeien zonder meer als een niet-vergunningsplichtige activiteit beschouwd kan worden. Immers, ingevolge artikel 4.4.1, tweede lid, van de APV, in samenhang gelezen met artikel 4.4.2, eerste lid, van de APV, is een handeling die ernstig beschadiging of ontsiering van houtopstand ten gevolge kan hebben voor houtopstand vergunningsplichtig. Niet uitgesloten kan worden geacht dat, gelet op de aard en de omvang van de snoei-activiteiten, alsmede de aard van de houtopstand, de snoei-activiteiten leidt tot ernstig beschadiging of ontsiering van de houtopstand. Het college zal dit nader dienen te motiveren. De voorzieningenrechter onderschrijft niet het betoog van het college dat eerst sprake is van ernstige beschadiging of ontsiering van houtopstand als die beschadiging en ontsiering blijvend, structureel van aard is. De bewoordingen van artikel 4.4.1, tweede lid, van de APV biedt voor die uitleg geen aanknopingspunten. De omstandigheid dat de beschadiging en/of ontsiering van tijdelijke aard is, is een aspect dat meegewogen dient te worden bij de belangenafweging die het college aan de kapvergunning ten grondslag dient te leggen.

3.6. In aanmerking genomen dat de uitvoering van een kapvergunning een feitelijk gevolg teweeg brengt, dat in een latere fase van het geding door het college niet meer exact kan worden hersteld en in dit geval ook niet op voorhand beoordeeld kan worden of een kapvergunning verleend kan worden, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb de bij besluit van 4 maart 2007 verleende kapvergunning, voor zover dat ziet op de in de rechtsoverweging 3.4.2 omschreven gebieden, te schorsen zoals nader in het dictum is bepaald.

3.7 Nu reeds ingevolge artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb een voorziening is getroffen, bestaat geen aanleiding meer een voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb te treffen.

3.8 Gelet op het bepaalde in artikel 8:74, eerste lid, van de Awb bepaalt de voorzieningenrechter dat de gemeente Opsterland het door [X] gestorte griffierecht in de hoofdzaak van € 145,= dient te vergoeden. Tevens ziet de voorzieningenrechter aanleiding om met gebruikmaking van zijn in artikel 8:82, vierde lid, van de Awb neergelegde bevoegdheid te bepalen dat verweerder het door [X] betaalde griffierecht in de voorlopige voorziening procedure van € 145,= aan hem vergoedt, te betalen door de gemeente aan [X].

3.9 De voorzieningenrechter acht tenslotte termen aanwezig voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Awb. Overeenkomstig het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht bedragen de proceskosten van [X] € 966,= ter zake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (indienen verzoekschrift: 1 punt; indienen beroepschrift: 1 punt; verschijnen ter zitting 1 punt; gewicht van de zaak: gemiddeld; waarde per punt € 322,=). De voorzieningenrechter wijst de gemeente Opsterland aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- verklaart het bezwaar van [X], voor zover dat niet ziet op de in rechtsoverweging 3.4.2 omschreven vier gebieden niet-ontvankelijk en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van een deel van het vernietigde besluit;

- bepaalt dat het college met inachtneming van deze uitspraak in zoverre opnieuw beslist op het bezwaar;

- treft de voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb in die zin dat de verleende kapvergunning voor zover dat betrekking heeft op de in rechtsoverweging 3.4.2 omschreven vier gebieden wordt geschorst tot twee weken nadat een nieuw besluit op het bezwaar op de voorgeschreven wijze bekend zal zijn gemaakt, met dien verstande dat, wanneer binnen die termijn opnieuw een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening is ingediend, de schorsing doorloopt totdat de voorzieningenrechter op het verzoek heeft beslist;

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb af;

- gelast dat de gemeente Opsterland de door [X] betaalde griffierechten in de gedingen 08/1896 en 09/273 van totaal € 290,= aan hem vergoedt;

- veroordeelt het college in de proceskosten van [X] tot een bedrag van € 966,=, aan hen te betalen door de gemeente Opsterland.

Aldus gegeven door mr. E.M. Visser, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. B.M. van der Doef als griffier. Deze beslissing is op 24 februari 2009 in het openbaar uitgesproken.

w.g. B.M. van der Doef

w.g. E.M. Visser

Tegen deze uitspraak in het verzoek om een voorlopige voorziening geregistreerd onder nummer 09/273 kan geen rechtsmiddel worden aangewend.

Tegen de uitspraak in de hoofdzaak onder nummer 08/1896, staat voor belanghebbenden het rechtsmiddel hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in art. 6:13 juncto 6:24 Awb.

Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan:

de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Postbus 20019

2500 EA Den Haag

In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.