Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2009:BH3074

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
06-01-2009
Datum publicatie
17-02-2009
Zaaknummer
17/880114-08 VON
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Poging moord, opzet, begin van uitvoering, voorbedachte rade, strafbaarheid

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 36f
Wetboek van Strafrecht 45
Wetboek van Strafrecht 289
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector straf

parketnummer 17/880114-08

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 6 januari 2009 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1957 te Leeuwarden,

wonende te [adres].

thans gedetineerd in P.I. Overijssel, PIV Zwolle te Zwolle.

De rechtbank heeft gelet op het ter terechtzitting gehouden onderzoek van 1 juli 2008, 25 september 2008 en 23 december 2008.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. A.M. Westerhuis, advocaat te Leeuwarden.

Telastelegging

Aan dit vonnis is een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van de dagvaarding gehecht, waaruit de inhoud van de telastelegging geacht moet worden hier te zijn overgenomen.

In de telastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

Vordering officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd:

- veroordeling voor het primair telastegelegde;

- oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van vier jaar, waarvan één jaar voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- oplegging van de bijzondere voorwaarden van reclasseringstoezicht en behandeling bij de Ambulante Forensische Psychiatrie;

- teruggave aan verdachte van de inbeslaggenomen goederen, zoals genoemd op de bij dit dossier behorende beslaglijst;

- toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [aangeefster] tot een bedrag van € 1700,00 bij wijze van voorschot, met daarbij oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Bewijsoverweging ten aanzien van het primair telastegelegde

Naar aanleiding van de stukken en het verhandelde ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten. Op 16 maart 2008 was verdachte in Gytsjerk op bezoek bij aangeefster, de dochter van de ex-vriendin van verdachte. Zoals vaker zou zij daar ook overnachten. De ex-vriendin van verdachte en haar nieuwe levensgezel kwamen die avond ook bij aangeefster langs. De confrontatie met haar ex-geliefde veroorzaakte bij verdachte hevige emoties. Hun relatie was kort hiervoor uitgegaan. Aangeefster ging later op die avond naar haar bed om te gaan slapen. Terwijl aangeefster op haar bed lag, is verdachte vol van emoties naar haar eigen woning gegaan en heeft zij daar andere kleding, een motormuts, een koevoet en een stroomstootwapen gepakt. Met die attributen is zij vervolgens weer teruggegaan naar de woning van aangeefster. Zij is naar de logeerkamer gegaan en heeft daar eerst haar attributen neergelegd en haar nachtkleding aangetrokken. Zij is vervolgens naar de slaapkamer van aangeefster gegaan en is bij haar in bed gestapt. Na ongeveer een kwartier stapte zij weer uit dat bed vanwege haar emoties omtrent de verbreking van de relatie met de moeder van aangeefster. Zij is vervolgens teruggegaan naar de logeerkamer. Daar heeft zij de door haar meegenomen kleding aangetrokken, de muts op haar hoofd gedaan, de koevoet ter hand genomen en het stroomstootwapen in haar broekzak gedaan. Voorts is zij wederom naar de slaapkamer van aangeefster gegaan. Op dat moment was zij nog steeds kwaad op haar ex-geliefde. Zij is naar de rechterzijde van aangeefster haar bed gelopen en heeft daar ongeveer een minuut stilgestaan. Verdachte had de koevoet in haar beide handen en tilde hem boven haar hoofd. Zij deed haar ogen dicht en heeft de koevoet naar beneden gehaald met een slagbeweging. Zij voelde hierbij dat zij iets raakte en daarbij een harde weerstand. Aangeefster voelde hierdoor pijn aan haar hoofd en bemerkte dat zij bloedde. Verdachte was ondertussen naar de andere zijde van het bed gelopen. Aangeefster kwam door die eerste klap overeind. Verdachte heeft aangeefster toen met de koevoet een tweede klap gegeven tegen haar hoofd. Aangeefster voelde hierdoor hevige pijn. Hierna ontstond tussen aangeefster en verdachte een worsteling, waarbij verdachte meerdere malen gebruik heeft gemaakt van een stroomstootwapen door dit tegen het lichaam van aangeefster te houden. Aangeefster heeft driemaal een stroomschok gevoeld. De worsteling is uiteindelijk gestopt, omdat aangeefster over meer kracht beschikte dan verdachte.

Aan verdachte is primair telastegelegd poging tot moord. Om tot een bewezenverklaring te komen, moet verdachte opzet hebben gehad op voltooiing van de moord en moet er een begin van uitvoering zijn geweest met betrekking tot dit delict. Voor opzet is voldoende, indien verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de dood van aangeefster zou kunnen intreden. Daarbij zijn van belang de omstandigheden waaronder het gedrag plaats heeft gevonden, alsmede de aard van het gedrag (uiterlijke verschijningsvorm). Voorts is een vereiste om een begin van uitvoering aan te nemen, dat de gedraging naar de uiterlijke verschijningsvorm was gericht op voltooiing van het delict.

Opzet en strafbare poging

De raadsvrouw heeft ter zitting bepleit dat verdachte geen opzet heeft gehad op voltooiing van de moord, omdat zij ten tijde van het delict leed aan hypothyreoidie. Hierdoor zou verdachte geen rationele afweging meer hebben kunnen maken, aldus de raadsvrouw.

Het door de raadsvrouw aangevoerde wordt door de rechtbank verworpen. De rechtbank constateert dat verdachte ter zitting zich het in de periode van 16 maart 2008 tot en met 17 maart 2008 gebeurde niet meer kan herinneren, maar acht het onvoldoende aannemelijk geworden dat verdachte ten tijde van het delict haar wil niet kon bepalen. De rechtbank vindt hiervoor steun in de door verdachte bij de politie afgelegde, gedetailleerde verklaring, die in sterke mate overeenkomt met de aangifte, alsmede in de rapportages van prof. dr. W.M. Wiersinga en dr. T.W.D.P. van Os.

De rechtbank overweegt voorts als volgt. Naar algemene ervaringsregels is de kans meer dan aanmerkelijk dat iemand komt te overlijden, indien die persoon met kracht met een koevoet tegen zijn hoofd wordt geslagen. Gelet hierop en op de hiervoor door de rechtbank vastgestelde feiten is de rechtbank van oordeel dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat haar gedrag tot de dood van het slachtoffer zou leiden. Hiermee staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat verdachte opzet had op de levensberoving van het slachtoffer. Naar de uiterlijke verschijningsvorm was verdachtes gedrag gericht op voltooiing van het delict.

Voorbedachte rade

Voor voorbedachte rade is volgens de jurisprudentie van de Hoge Raad nodig dat komt vast te staan dat verdachte de gelegenheid heeft gehad zich te beraden op het te nemen of genomen besluit, om het slachtoffer met de koevoet tegen het hoofd te slaan.

De rechtbank is gelet op de hiervoor door de rechtbank vastgestelde feiten van oordeel dat deze gelegenheid zich heeft voorgedaan, nu verdachte meerdere momenten voorafgaand aan de uitvoering heeft genegeerd, waarop zij haar besluit om het slachtoffer te doden op elk van die momenten had kunnen intrekken. Het door de raadsvrouw aangevoerde treft naar het oordeel van de rechtbank ook hier geen doel met verwijzing naar de hiervoor gedane overweging van de rechtbank.

De rechtbank is derhalve van oordeel dat het primair telastegelegde wettig en overtuigend is bewezen, zoals hierna bepaald.

Bewijsmiddelen

De rechtbank past met betrekking tot het primair telastegelegde feit de volgende bewijsmiddelen toe:

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 23 december 2008, welke -zakelijk weergegeven- onder meer inhoudt:

Op 16 maart 2008 was ik bij [aangeefster] thuis op bezoek. Ik zou daar ook gaan overnachten. Met de moeder van [aangeefster] heb ik een relatie gehad, die begin maart 2008 is verbroken. Zij was mijn grote liefde. Ik was hierdoor erg gebroken. Op die avond kwam haar moeder met haar nieuwe vriend bij [aangeefster] langs. Hoewel zij mij wel begroette, negeerde zij mij tijdens haar korte bezoek. Ik voelde mij daardoor vernederd. Op dat moment gebeurde er met mij iets. Ik kreeg een droge mond, werd kwader en kwader, en was verdrietig. [aangeefster] is later op de avond naar bed gegaan, ik zat toen nog beneden in haar woning en keek televisie. Op een later moment, bij het einde van de worsteling tussen mij en [aangeefster], was ik in haar slaapkamer. Ik zag dat ik toen bij mij had een koevoet, een motormuts en een stroomstootwapen. Deze goederen zijn afkomstig vanuit mijn eigen woning.

2. de in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal van verhoor verdachte (pag. 77 t/m 81, 85 en 86), welke -zakelijk weergegeven- onder meer inhouden:

Ik heb op een gegeven moment (de rechtbank leest: die avond op 16 maart 2008 nadat [aangeefster] naar bed was gegaan) de t.v. uitgedaan. Ik wilde weg uit de woning van [aangeefster]. Thuisgekomen ben ik naar mijn hok gelopen. Ik heb daar een koevoet gepakt en ik ben daarna naar de bovenverdieping van mijn woning gelopen en in mijn slaapkamer heb ik in de la van het nachtkastje een stroomapparaat liggen. Er zit een knopje op en als je die indrukt dan knettert dat ding. De functie van het apparaat is om iemand op de grond te krijgen, dat weet ik wel. Ik heb dit apparaat, dat ik een shokker noem, meegenomen. Voordat ik de shokker pakte, heb ik boven nog andere kleding aangetrokken. Mijn kleding die ik aanhad, heb ik in een plastic zak van Super de Boer gedaan. In de hal heb ik een bivakmuts gepakt en meegenomen om me te verschuilen. Het is een blauwe gebreide, vrij dikke muts. Wat er door mij heen ging, was boosheid, kwaadheid, onmacht. Ik ging weer terug naar [aangeefster], naar haar woning. Ik heb de voordeur van de woning van [aangeefster] geopend. Ik gebruikte daarvoor de sleutel van de voordeur van [aangeefster]. Toen ik in de woning van [aangeefster] was, heb ik de koevoet neergezet, de tas neergezet, mijn jas uitgedaan en uit de jaszak de bivakmuts gepakt. Ik ben vervolgens naar de logeerkamer van de woning van [aangeefster] gegaan. Toen ik in de logeerkamer kwam, heb ik de spullen die ik bij mij had neergelegd. Ik ben even op het logeerbed gaan liggen. Ik bedacht mij waar ik op dat moment mee bezig was. Ik ben van het bed gegaan en ik ben naar de kamer van [aangeefster] gegaan. Ik ben naast haar in bed gaan liggen. Ik heb niet geslapen. Dat lukte niet. Het bleef maar doormalen in mijn gedachten. Ik ben na ongeveer 10 minuten uit het bed van [aangeefster] gegaan. Nadat ik uit het bed van [aangeefster] ben gegaan, ben ik teruggegaan naar de logeerkamer en ben op de rand van het bed gaan zitten. Het bleef maar malen en malen in mijn hoofd. Ik werd als maar bozer en opgefokter en opgefokter. Ik heb in de logeerkamer mijn kleren aangetrokken, de muts op mijn hoofd gedaan en de koevoet gepakt. Ik had de bivakmuts tot over mijn kin getrokken. Ik had de koevoet in mijn rechterhand. De shokker zat nog in de broekzak van mijn joggingbroek. Ik ben naar de slaapkamer van [aangeefster] gegaan. Ik werd alleen maar kwader en kwader en verwarder en verwarder. Ik voelde helemaal niets meer. In de kamer van [aangeefster] ben ik weer naar de rechterzijde van het bed van [aangeefster] gelopen en heb daar een minuutje stilgestaan. Ik had de koevoet vast met mijn beide handen en tilde die koevoet boven mijn hoofd. Ik deed mijn ogen dicht en heb die koevoet domweg naar beneden gehaald. Ik voelde dat ik iets raakte. Ik voelde een weerstand en dit was een harde weerstand. Ik heb een slagbeweging gemaakt. Met dat kromme gedeelte, waarmee je spijkers uitwipt, heb ik iets geraakt. Ik had mijn ogen dicht, want ik wilde niet zien wat ik deed. Ik ben daarna om het bed heengelopen. Ik stond op dat moment aan de linkerzijde van het bed, ik zag dat [aangeefster] gelijk omhoog kwam. Ik heb haar toen nog een hens met die koevoet verkocht, ditmaal met één hand. [aangeefster] ging op dat moment van het liggen naar het zitten. Ze kwam overeind. Ze was daarbij nog wel op het bed. Ik heb niet gezien waar ik [aangeefster] de tweede keer raakte. Ik wilde niet zien wat ik deed. [aangeefster] kwam toen uit het bed en zij wilde mij de koevoet uit handen nemen. Ze stond op en stormde op mij af. Ik bleef staan met de koevoet in mijn handen voor mij en ik zag dat zij die koevoet beetpakte.

We kwamen in een worsteling terecht. Of ik haar in die worsteling nog geslagen heb weet ik niet, we waren bezig om de koevoet te pakken te krijgen. Ik weet niet of ik haar met die koevoet nog geraakt heb tijdens die worsteling. Ik had op dat moment de bivakmuts nog steeds op. Ik was alleen maar bezig om te voorkomen dat zij die koevoet van mij kon afpakken. Dat ding is alle kanten op gegaan. Ter hoogte van het voeteneind van het bed heb ik de koevoet losgelaten waarbij ik met mijn rechterarm [aangeefster] om de hals of in de buurt daarvan beetpakte. Nadat ik de koevoet heb losgelaten liet ik met mijn rechterarm de hals van [aangeefster] los en pakte ik haar vervolgens met mijn linkerarm en hand bij de hals of in de buurt van de hals. Met mijn rechterhand pakte ik daarna de shokker uit de zak van mijn joggingbroek. Ik hield de shokker tegen het lichaam van [aangeefster] aangehouden en heb daarna op het knopje van de shokker gedrukt. Ik deed dit omdat ik dacht dat zij daardoor de koevoet weer uit haar los zou laten. Toen ik op het knopje van de shokker drukte, hoorde ik dat [aangeefster] gilde. Nadat ik de shokker tegen het lichaam van [aangeefster] had aangehouden en op het knopje had gedrukt heb ik die shokker weggegooid op de grond. Ik heb volgens mij maar één keer heel even, twee tellen, hooguit drie, op dat knopje gedrukt. Ik hoorde de shokker op de grond vallen.

Ik heb gedacht dat ik door haar, [aangeefster], pijn te doen haar moeder, [naam moeder], ook zou pijn doen. Want [naam moeder] heeft mij ook pijn gedaan. Dat heb ik gisteren ook verklaard. [naam moeder] heeft mijn hele wezen gebroken. U vraagt mij wat er gebeurt als er een stroomstootwapen wordt gebruikt op een mens. Dan gaat hij of zij neer. Tenminste, dat is mij verteld. Ik zie dit ook gebeuren in films. Mensen raken dan verlamd. U vertelt mij dat ik dus geweten heb dat een mens verlamd raakt wanneer er een stroomstootwapen op hem of haar gebruikt wordt. Ja dat wist ik. Waarom heb ik anders het stroomstootwapen meegenomen.

U vraagt mij wat er gebeurt als ik iemand met een koevoet op het hoofd sla. Dan kan het zo zijn dat de gevolgen niet te overzien zijn. [aangeefster] had ook wel dood kunnen zijn. Ik had haar niet dood willen slaan. U vraagt mij hoe het dan te verklaren is dat ik [aangeefster] op haar hoofd heb geslagen. Ik heb haar niet bewust op haar hoofd geslagen. Ik had namelijk mijn ogen dicht. U vraagt mij hoe groot de kans is geweest dat ik [aangeefster] op haar hoofd zou raken. De kans was heel groot. Ik stond ter hoogte van haar middel en hield de koevoet met twee handen boven mijn hoofd vast. Ik heb eerst nog naar haar gekeken. Ik heb toen mijn ogen dicht gedaan en geslagen met de koevoet. Ik wist dat ik [aangeefster] op de bovenzijde van haar lichaam zou raken.

Ik wilde [aangeefster] heel veel pijn doen. Ik heb mijn gevoel op [aangeefster] afgereageerd. Ik dacht door [aangeefster] pijn te doen, doe ik [naam moeder] ook pijn. Ik zag [naam moeder] voor mij liggen op het moment dat ik met de koevoet sloeg.

3. de in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal van verhoor aangeefster (pag. 37, 38, 41 en 42), welke -zakelijk weergegeven- onder meer inhouden:

Gisteravond (de rechtbank leest: 16 maart 2008) was ik thuis in mijn woning aan de [adres] te Giekerk. Bij mij in de woning was de ex-vriendin van mijn moeder. Ze heet [verdachte] en woont aan de [adres2] in Giekerk. [verdachte] heeft ongeveer 11 jaar een relatie met mijn moeder gehad, maar die relatie is ongeveer 4 weken geleden verbroken door mijn moeder.

[verdachte] was dus bij mij en zou ook bij mij slapen. Na het eten is [verdachte] nog even naar haar woning geweest. Ik ben omstreeks 22.15 uur naar bed gegaan. [verdachte] bleef nog wat TV kijken. Ik had al geslapen toen ik wakker schrok dat [verdachte] bij mijn bed stond. Ik ben vrij snel weer in slaap gevallen. Ik weet niet hoeveel later het was, maar op een gegeven moment werd ik wakker. Ik werd wakker van een klap op mijn hoofd. Door die klap voelde ik pijn. Ik zat meteen onder het bloed. Ik ben toen bij mijn weten heel snel uit bed gesprongen. Ik zag dat er iemand bij mijn bed stond met een bivakmuts op het hoofd. Ik zag namelijk dat het een muts was die geheel over het hoofd was getrokken en waarin gaten voor de ogen en de mond zaten. Later zag ik dat het een zwarte bivakmuts betrof. De persoon met die bivakmuts sloeg mij kennelijk met een hard voorwerp hard tegen mijn hoofd. Nadat ik uit bed was gesprongen heeft die persoon mij nogmaals hard tegen mijn hoofd geslagen. Ik voelde hierdoor weer en nog meer hevige pijn. Ik wilde naar mijn dochter. Ik werd echter tegengehouden door die persoon met de bivakmuts op. Ik heb geworsteld met die persoon. Tijdens die worsteling voelde ik dat ik 3 maal geraakt werd door een stroomstoot, 2 maal op mijn buik en 1 maal op mijn rechterarm. Ook tijdens die worsteling lukte het mij om dat slagwapen van die persoon af te pakken. Ik heb die persoon daarmee een klap tegen het hoofd gegeven. Ik denk dat deze worsteling ongeveer 10 minuten heeft geduurd. Op het laatst van die worsteling werd ik om mijn nek vastgegrepen door die persoon. Deze sprak toen tegen mij dat ik rustig moest worden en dat we er over zouden praten. Ik hoorde toen aan de stem dat het [verdachte] was. Zij liet mij hierna los en ik zag dat [verdachte] die zwarte bivakmuts van haar hoofd trok.

U vraagt mij aan welke kant van het bed ik ben gestapt nadat ik op mijn hoofd ben geslagen. Dit was aan de linkerkant van het bed als je ervoor staat. Ik rende op dat moment naar de deur van mijn slaapkamer. Ik wilde naar mijn kind. Ik kreeg op dat moment een harde klap van achteren op mijn hoofd. Daarna ontstond een worsteling waar ik niet alles meer van kan herinneren. Ik kreeg zulke harde klappen. Ik dacht: "ik haal het niet en ik ga eraan". Ik word doodgeslagen. Ik was ervan overtuigd dat [verdachte] mij dood wilde hebben, omdat er zo hard werd geslagen. Ook omdat [verdachte] mij probeerde onderuit te laten gaan door middel van het stroomstootwapen. Ik heb dit stroomstootwapen gezien. Het was een zwart vierkant ding met twee metaalachtige pennetjes erop. Ik hoorde dat dit een knetterend geluid maakte. Ik had nog nooit een stroomstootwapen gezien. Ik heb ook drie keer een stroomschok gevoeld.

Bovenstaande wettige bewijsmiddelen -in onderling verband en samenhang beschouwd- houden de redengevende feiten en omstandigheden in waarop de beslissing van de rechtbank steunt dat verdachte het hierna bewezenverklaarde feit heeft begaan.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het primair telastegelegde bewezen, met dien verstande dat:

primair

zij in de periode van 16 maart 2008 tot en met 17 maart 2008, te Gytsjerk, in de gemeente Tytsjerksteradiel, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [aangeefster] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, een bivakmuts en een koevoet en een stroomstootwapen van haar, verdachtes, huis heeft opgehaald en heeft meegenomen naar het huis van die [aangeefster] en vervolgens dat huis en de slaapkamer van die [aangeefster] is binnengegaan en vervolgens genoemde bivakmuts heeft opgedaan en vervolgens die [aangeefster] meermalen met die koevoet tegen het hoofd heeft geslagen en meermalen dat stroomstootwapen tegen het lichaam van die [aangeefster] heeft aangehouden en vervolgens het knopje van dit stroomstootwapen heeft ingedrukt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De verdachte zal van het meer of anders telastegelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Kwalificatie

Het bewezene levert op het misdrijf:

primair poging tot moord.

Strafbaarheid verdachte

Voor zover de raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte het telastegelegde heeft begaan, terwijl zij zich bevond in een overmachtsituatie, overweegt de rechtbank als volgt. Gelet op de door de rechtbank vastgestelde feiten, alsmede de deskundigenrapporten van Wiersinga en Van Os, is de rechtbank van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat verdachte gebukt ging onder een aan verdachte verontschuldigende extreme en acute vorm van een stress-situatie, waardoor verdachte niet verweten kan worden dat zij tot haar gedrag overging.

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu ook niet van enige andere strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

De rechtbank neemt bij de bepaling van de hierna te vermelden strafsoort en strafmaat in aanmerking:

- de aard en de ernst van het gepleegde feit;

- de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken en deze naar voren komt uit het uittreksel uit het algemeen documentatieregister, het voorlichtingsrapport, de Pro Justitia rapportages d.d. 8 december 2008 en 31 oktober 2008 (dr. T.W.D.P. van Os), d.d. 26 juni 2008 (dr. A.S. Oosterbaan), d.d. 19 juni 2008 (drs. N.A. Schoenmaker) en het deskundigenrapport d.d. 17 oktober 2008 (prof. dr. W.M. Wiersinga);

- de vordering van de officier van justitie;

- het pleidooi van de raadsvrouw.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot moord op de dochter van een voormalige vriendin, met wie verdachte een aantal jaren een relatie heeft gehad. Verdachte heeft daarmee inbreuk gemaakt op het hoogste rechtsgoed dat de wet beschermt, het menselijk leven. Volgens de rapporterende psychologe drs. N.A. Schoenmaker en de psychiater dr. A.S. Oosterbaan kan het feit aan verdachte in licht verminderde mate worden toegerekend vanwege een gebrekkige ontwikkeling van haar geestvermogens. In een aanvullende rapportage komt de psychiater dr. T.W.D.P. van Os tot de conclusie dat het feit verdachte in sterk verminderde mate kan worden toegerekend op grond van een ziekelijke stoornis van haar geestvermogens. De rechtbank stelt vast dat geen der genoemde deskundigen van oordeel is dat het feit niet aan verdachte kan worden toegerekend. In zoverre kan de rechtbank zich met de conclusie van de deskundigen verenigen en neemt zij deze over. De rechtbank ziet in de conclusies van de deskundigen met betrekking tot het ziektebeeld geen tegenstrijdigheid, omdat volgens het wettelijk begrippenkader zowel van een gebrekkige ontwikkeling als van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens sprake kan zijn. De bevindingen van de deskundigen vullen elkaar dus veeleer aan dan dat ze elkaar uitsluiten. Hoewel verdachte derhalve strafbaar is, zal de rechtbank bij de bepaling van de strafmaat rekening houden met de emotionele toestand waarin verdachte verkeerde en de geestelijke druk waaronder zij stond, toen de moeder van het slachtoffer de relatie met verdachte verbrak. De grote ernst van het feit, de choquerende manier waarop verdachte heeft gehandeld, de psychische gevolgen voor het slachtoffer en de maatschappelijke ophef over het gebeuren maken niettemin een gevangenisstraf onontkoombaar. Het onvoorwaardelijk gedeelte daarvan dient als normbevestiging en om de onlustgevoelens bij het slachtoffer en in de samenleving te compenseren. Het voorwaardelijk deel geeft verdachte de gelegenheid zich met steun van de reclassering en onder psychiatrische behandeling te rehabiliteren.

Beslag

Onder verdachte zijn diverse goederen, zoals genoemd op de bij deze zaak behorende beslaglijst, in beslag genomen. Zowel de officier van justitie als de raadsvrouw hebben bepleit dat deze goederen aan verdachte zullen worden teruggegeven. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat deze goederen van haar zijn.

De rechtbank is van oordeel dat de onder verdachte inbeslaggenomen goederen, zoals genoemd op de bij deze zaak behorende beslaglijst, moeten worden teruggegeven aan verdachte, nu geen strafvorderlijk belang zich hiertegen verzet.

Benadeelde partij

[aangeefster] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade ten gevolge van het aan verdachte primair telastegelegde en bewezenverklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust.

De rechtbank is van oordeel dat de gestelde schade voldoende aannemelijk is geworden en in zodanig verband staat met het door verdachte gepleegde strafbare feit, dat deze aan haar als een gevolg van haar handelen kan worden toegerekend. De rechtbank acht de vordering, die niet danwel onvoldoende door verdachte en diens raadsvrouw is weersproken, derhalve gegrond en bij wijze van voorschot voor toewijzing vatbaar.

De rechtbank acht daarnaast oplegging van de schadevergoedingsmaatregel aangewezen.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 36f, 45 en 289 van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT, RECHTDOENDE:

Verklaart het primair telastegelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar in voege als voormeld en verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte te dier zake tot:

Een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren.

Bepaalt, dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot één jaar niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op twee jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of gedurende die proeftijd de hierna te vermelden bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde, dat de veroordeelde:

- zich bij het ingaan van de proeftijd meldt bij de reclassering;

- ervoor zorgt dat zij gedurende de proeftijd bereikbaar is voor deze reclasseringsinstelling;

- zich gedurende de proeftijd gedraagt naar de voorschriften en aanwijzingen haar te geven door of namens genoemde reclasseringsinstelling, ook als dat inhoudt een behandeling bij de Ambulante Forensische Psychiatrie.

Draagt genoemde reclasseringsinstelling op de veroordeelde bij de naleving van de voorwaarden hulp en steun te verlenen.

Beveelt, dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Gelast de teruggave aan verdachte van de volgende inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven goederen, zoals genoemd op de bij deze zaak behorende beslaglijst:

- één broek;

- één paar schoenen;

- één trui;

- één shirt;

- één jas;

- twee sokken van het merk 'Rucanor';

- één paar witte sokken;

- één telefoontoestel;

- één telefoonkaart.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is telastegelegd dan het bewezenverklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [aangeefster], wonende te [adres], bij wijze van voorschot toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 1700,00 (zegge: zeventienhonderd euro).

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [aangeefster], te betalen een som geld ten bedrage van € 1700,00 (zegge: zeventienhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 34 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat van een bedrag van € 1700,00 ten behoeve van het slachtoffer [aangeefster], daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en vice versa, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.H. Severein, voorzitter, mr. A.H.M. Dölle en mr. M. van den Bosch, rechters, bijgestaan door mr. G. Sannes, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 6 januari 2009.