Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2009:BH2895

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
12-02-2009
Datum publicatie
13-02-2009
Zaaknummer
AWB 08/2805
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Opschorting en intrekking bijstand in verband met het niet aanvragen van een Wajong-uitkering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

procedurenummer: AWB 08/2805

uitspraak van de voorzieningenrechter van 12 februari 2009 als bedoeld in artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in het geding tussen

[naam],

wonende te [woonplaats],

verzoeker,

gemachtigde: mr. F. Bakker, advocaat te Groningen,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ooststellingwerf,

verweerder,

gemachtigde: B.L. Heijs, werkzaam bij de gemeente Ooststellingwerf.

Procesverloop

Bij besluit van 9 december 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ooststellingwerf (hierna: het college) verzoekers bijstandsuitkering per 21 november 2008 ingetrokken.

Tegen dit besluit heeft verzoeker bij brief van 23 december 2008 een bezwaarschrift ingediend. Tevens heeft hij zich bij brief van eveneens 23 december 2008 tot de voorzieningenrechter gewend met het verzoek om op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb een voorlopige voorziening te treffen.

Het verzoek is ter zitting behandeld op 28 januari 2009, waarbij verzoeker in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde, en het college zich heeft laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Motivering

1.1 Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

1.2 Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het verzoek overweegt de voorzieningenrechter dat niet is gebleken van beletselen om verzoeker te kunnen ontvangen. Voorts is genoegzaam aangetoond dat verzoeker een spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorlopige voorziening.

1.3 Voor zover de beoordeling van het verzoek met zich brengt dat het geschil in de hoofdzaak wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter daaromtrent een

voorlopig karakter.

1.4 Aan een verzoek als het onderhavige kan in beginsel worden voldaan, indien het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter in de hoofdzaak luidt dat het bezwaar tegen het aangevallen besluit gegrond verklaard zal moeten worden.

Feiten

2.1 Verzoeker, geboren op 25 augustus 1955, ontvangt sedert 25 jaar bijstand, sinds augustus 2000 van het college.

2.2 Bij besluit van 3 november 2008 heeft het college aan verzoeker de verplichting opgelegd om vóór 14 november 2008 een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) aan te vragen, al dan niet met de hulp van een medewerker van de gemeente Ooststellingwerf. Tegen dit besluit heeft verzoeker bij brief van 6 november 2008 bezwaar gemaakt.

2.3 Omdat verzoeker aan voormelde verplichting geen gehoor heeft gegeven, heeft het college verzoeker bij besluit van 21 november 2008 in de gelegenheid gesteld om vóór 5 december 2008 alsnog een Wajong-uitkering aan te vragen, opnieuw al dan niet met de hulp van een medewerker van de gemeente Ooststellingwerf. Daarnaast heeft het college verzoekers bijstandsuitkering vanaf 21 november 2008 opgeschort. Aangegeven is dat de uitkering niet wordt uitbetaald zolang geen Wajong-uitkering wordt aangevraagd. Tegen dit besluit heeft verzoeker bij brief van 4 december 2008 bezwaar gemaakt.

2.4 Bij het thans bestreden besluit heeft het college verzoekers bijstandsuitkering per 21 november 2008 ingetrokken, onder de overweging dat verzoeker geen Wajong-uitkering heeft aangevraagd.

Het geschil

2.1 Verzoeker is van mening dat het college hem ten onrechte de verplichting heeft opgelegd een Wajong-uitkering aan te vragen. Van het intrekken van de bijstand wegens het niet nagekomen van deze verplichting kan dus geen sprake zijn.

2.2 Het college is van opvatting dat van verzoeker verlangd mag worden dat hij een Wajong-uitkering aanvraagt. Nu hij dit heeft verzuimd, is de intrekking van zijn bijstandsuitkering gerechtvaardigd, aldus het college.

Beoordeling van het geschil

3.1 Hoewel het verzoek is gericht tegen het besluit tot intrekking van de bijstand, ontkomt de voorzieningenrechter er niet aan een voorlopig oordeel te geven over de vraag of het college verzoeker bij besluiten van 3 november 2008 en 21 november 2008 kon verplichten een Wajong-uitkering aan te vragen. De intrekking van de bijstandsuitkering is immers onlosmakelijk verbonden met het geen gehoor geven aan de opgelegde verplichting een Wajong-uitkering aan te vragen.

3.2 Artikel 17, tweede lid, van de Wet werk en bijstand (WWB) bepaalt dat de belanghebbende verplicht is aan het college desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet.

3.3 Artikel 54, eerste lid, van de WWB bepaalt dat indien de belanghebbende de voor de verlening van bijstand van belang zijnde gegevens of de gevorderde bewijsstukken niet, niet tijdig of onvolledig heeft verstrekt en hem dit te verwijten valt, dan wel indien de belanghebbende anderszins onvoldoende medewerking verleent, het college het recht op bijstand voor de duur van ten hoogste acht weken kan opschorten:

a. vanaf de eerste dag van de periode waarop het verzuim betrekking heeft, of

b. vanaf de dag van het verzuim indien niet kan worden bepaald op welke periode dit verzuim betrekking heeft.

Ingevolge artikel 54, tweede lid, van de WWB doet het college mededeling van de opschorting aan de belanghebbende en nodigt hem uit binnen een door hen te stellen termijn het verzuim te herstellen. Artikel 54, vierde lid, van de WWB bepaalt dat indien de belanghebbende in het geval bedoeld in het eerste lid het verzuim niet herstelt binnen de daarvoor gestelde termijn, het college na het verstrijken van deze termijn het besluit tot toekenning van bijstand kan intrekken met ingang van de eerste dag waarover het recht op bijstand is opgeschort.

3.4 Volgens de parlementaire geschiedenis van de WWB (Memorie van Toelichting, kamerstukken II, 2002-2003, 28 870, nummer 3) bevat artikel 17, tweede lid, van de WWB een algemene medewerkingsverplichting die zowel geldt ten aanzien van de arbeidsinschakeling als de verlening van bijstand. Burgemeester en wethouders vertalen de algemene medewerkingsverplichting in individuele situaties in een of meer concrete verplichtingen. Zo kan bijvoorbeeld van de belanghebbende gevergd worden dat hij medewerking verleent aan een huisbezoek. Het niet verlenen van de specifiek verlangde medewerking kan voor burgemeester en wethouders aanleiding vormen de verlening van bijstand op te schorten en uiteindelijk het recht op bijstand in te trekken, met toepassing van artikel 54 van de WWB.

3.5 Tegen deze achtergrond kan het college naar het oordeel van de voorzieningenrechter in beginsel niet de bevoegdheid worden ontzegd om in voorkomende gevallen aan een bijstandsgerechtigde in zijn gemeente de verplichting op te leggen een Wajong-uitkering aan te vragen.

3.6 Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college hiertoe in dit geval echter niet kunnen besluiten. Duidelijk is geworden dat het college zijn standpunt dat verzoeker in aanmerking zou kunnen komen voor een Wajong-uitkering, waardoor hij geen, althans minder dan thans het geval is, beroep meer op de bijstand hoeft te doen, in feite louter heeft gebaseerd op de omstandigheden dat verzoeker nimmer heeft gewerkt en geen beroepsopleiding heeft gevolgd. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is dit echter onvoldoende basis voor het standpunt dat verzoeker mogelijk aanspraak maakt op een Wajong-uitkering. Naast deze factoren spelen in een arbeidsongeschiktheidsbeoordeling op grond van de Wajong immers met name medische factoren een rol. Voor een meer reële inschatting of verzoeker voor een Wajong-uitkering in aanmerking zou kunnen komen, zijn dus ook medische gegevens nodig, gegevens die betrekking hebben op 25 augustus 1972, de dag waarop verzoeker 17 jaar werd. Dit volgt uit artikel 5, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wajong. Vast staat dat dergelijke gegevens ontbreken, althans dat het college dergelijke gegevens niet ten grondslag heeft gelegd aan zijn standpunt dat verzoeker wellicht recht heeft op een Wajong-uitkering. Gelet hierop is de voorzieningenrechter van oordeel dat de opgelegde verplichting een voldoende feitelijke grondslag ontbeert.

3.7 Alles overziend komt de voorzieningenrechter tot de slotsom dat het college aan verzoeker niet de verplichting kon opleggen om een Wajong-uitkering aan te vragen. Van het niet nakomen van deze verplichting kan dus geen sprake zijn. Dit betekent dat het college niet bevoegd is de bijstandsuitkering te schorsen en vervolgens in te trekken.

3.8 Gelet op het voorgaande bestaat aanleiding een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende dat het besluit van 9 december 2008 wordt geschorst. Tevens bestaat aanleiding ambtshalve een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende dat het besluit van 21 november 2008 wordt geschorst.

Griffierecht en proceskosten

4.1 Gelet op het bepaalde in artikel 8:41 juncto artikel 8:82, vierde lid, van de Awb bepaalt de voorzieningenrechter dat de gemeente Ooststellingwerf het door verzoeker gestorte griffierecht van € 39,00 dient te vergoeden.

4.2 De voorzieningenrechter ziet aanleiding voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 juncto artikel 8:84, vierde lid, van de Awb. Overeenkomstig het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht bedragen de proceskosten van verzoeker € 644,00 ter zake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (verzoekschrift: 1 punt, verschijnen ter zitting: 1 punt, gewicht van de zaak: gemiddeld; waarde per punt € 322,00). De voorzieningenrechter wijst de gemeente Ooststellingwerf aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.

4.3 Voor het toekennen van een schadevergoeding op grond van artikel 8:73 van de Awb bestaat geen ruimte. Dit volgt uit de artikelen 8:81, vierde lid, en 8:84, vierde lid, van de Awb.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- schorst de besluiten van 21 november 2008 (opschorting bijstand) en 9 december 2008 (intrekking bijstand) tot twee weken na de bekendmaking van de beslissing op het tegen het besluit van 9 december 2008 gerichte bezwaarschrift van 23 december 2008, met dien verstande dat wanneer binnen die termijn opnieuw een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening is ingediend, de schorsing doorloopt totdat de voorzieningenrechter op dat verzoek heeft beslist;

- bepaalt dat de gemeente Ooststellingwerf het betaalde griffierecht van € 39,00 aan verzoeker vergoedt;

- veroordeelt het college in de proceskosten van verzoeker ten bedrage van € 644,00, aan hem te vergoeden door de gemeente Ooststellingwerf;

- wijst het verzoek om toekenning van een schadevergoeding af.

Aldus gegeven door mr. C.H. de Groot, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 12 februari 2009, in tegenwoordigheid van mr. J.R. Leegsma als griffier.

w.g. J.R. Leegsma

w.g. C.H. de Groot

Tegen deze uitspraak kan geen rechtsmiddel worden aangewend.