Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2009:BH2574

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
28-01-2009
Datum publicatie
11-02-2009
Zaaknummer
85889 / HA ZA 07-890
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Omgewaaide populier komt terecht op stacaravan op recreatiepark. Vraag of de eigenaar van het recreatiepark uit hoofde van wanprestatie cq onrechtmatige daad hiervoor aansprakelijk is jegens de eigenaar van de stacaravan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 85889 / HA ZA 07-890

Vonnis van 28 januari 2009

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. D.M.F. de Groot-de Vries,

tegen

[gedaagde],

h.o.d.n. [naam]

dan wel [naam]

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. J.B. Dijkema.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding;

- de conclusie van antwoord;

- de conclusie van repliek;

- de conclusie van dupliek.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eiser] huurde van 1 januari tot en met 31 december 2006 van [gedaagde] een vaste staplaats op camping/recreatiecentrum [naam] te [woonplaats] op grond van een op 12 januari 2006 tussen partijen gesloten overeenkomst.

2.2. In de nacht van dinsdag 31 oktober 2006 op woensdag 1 november 2006 is er op camping/recreatiecentrum [naam] een populier omgewaaid. Deze populier (hierna: de boom) was ongeveer 27 meter hoog. De boom is terecht gekomen op twee stacaravans. Eén van deze stacaravans is eigendom van [eiser]. Door de omgewaaide boom is de stacaravan van [eiser] volledig vernield en daarna afgevoerd.

2.3. [eiser] heeft de betreffende stacaravan, een Arronbrook, model Tulip, op 18 augustus 2001 gekocht bij Caravancentrum Leeuwarden voor een bedrag van fl. 34.200,-, zijnde thans afgerond € 15.519,-.

2.4. Op 24 november 2006 heeft ir. E.R.P. Platje van Boom-KCB, kenniscentrum voor bomen te Emmen, in opdracht van [eiser] een onderzoek ingesteld naar de voorzienbaarheid van de windworp van de betreffende boom. Hij heeft hierover gerapporteerd op 20 december 2006. In deze rapportage is onder meer het volgende opgenomen:

'Gangbaar is in zo'n geval een geïntensiveerd onderhoudsregime en een intensieve controle op potentieel gevaarlijke gebreken. Bij deze bomen en op deze locatie is dit bijvoorbeeld een - op boomsoort en ouderdom toegespitste - twee-jaarlijkse interval voor onderhoud en visuele boomcontrole. (…) Bomen die aan de waterkant opgroeien hebben per definitie een éénzijdig georiënteerd wortelgestel, omdat wortels niet onder water kunnen groeien. Volgroeide populieren aan de waterkant zullen iedere boomdeskundige in een staat van alertheid brengen.'

2.5. Ing. Schalk van Linde10, taxaties en expertise in de groene sector, heeft in opdracht van de verzekeraar van [gedaagde] een onderzoek ingesteld waarbij hij het rapport van ir. Platje heeft beoordeeld en een aantal vragen van de verzekeraar heeft beantwoord. Zijn rapportage hieromtrent dateert van 4 mei 2007 en bevat onder meer de volgende inhoud:

'Wat betreft de windworp stelt Platje dat volgroeide populieren aan de waterkant iedere boomdeskundige in staat van alertheid zal brengen. (…) Al deze bomen brengen boomdeskundigen niet in staat van alertheid; ook hier is de doorwortelbare ruimte niet altijd ideaal.'

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van EUR 17.772,45, inclusief de wettelijke rente tot 1 oktober 2007, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 oktober 2007, de buitengerechtelijke kosten en de proceskosten.

3.2. [gedaagde] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. [eiser] legt primair aan zijn vordering ten grondslag dat [gedaagde] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit de met [eiser] gesloten overeenkomst van 12 januari 2006. Subsidiair vordert [eiser] vergoeding van de door hem geleden schade op grond van de onrechtmatige daad.

[eiser] stelt dat ten aanzien van de boom een verhoogde zorgplicht gold omdat het recreatieterrein geldt als een plaats met verhoogde gevaarzetting. Daarnaast stelt [eiser] dat [gedaagde] is tekortgeschoten in deze verhoogde zorgverplichting. Hiertoe betoogt [eiser] dat de boom bij een dergelijke storm had moeten blijven staan. Voorts stelt hij dat een geïntensiveerd onderhoudsregime en intensieve controle op potentiële gevaarlijke gebreken gangbaar is bij volgroeide populieren aan de waterkant vanwege beperkte stabiliteit van bomen op een dergelijke plaats. [eiser] ontkent primair dat [gedaagde] in 2004 opdracht heeft gegeven tot onderhoud van de bomen. Subsidiair stelt [eiser] dat het door [gedaagde] ingeschakelde boomverzorgingsbedrijf Zeinstra had moeten zien dat de situatie (de boom stond dicht bij de waterkant en was groot van omvang) beperkend was voor de goede ontwikkeling van de boom en dat deze alerter had moeten zijn ten aanzien van mogelijke stabiliteitsproblemen van de boom en daarnaar een onderzoek moeten instellen. Dit is niet gebeurd, aldus [eiser]. Het enkel verrichten van onderhoud aan de boom is volgens hem onvoldoende en houdt een tekortschieten in de zorgverplichting door [gedaagde] in, aangezien de door de boomdeskundige verrichte en nagelaten werkzaamheden voor rekening en risico van [gedaagde] komen.

4.2. [gedaagde] betwist toerekenbaar tekort te zijn geschoten dan wel onrechtmatig te hebben gehandeld jegens [eiser] en ontkent derhalve aansprakelijk te zijn voor de door [eiser] geleden schade. Hij stelt dat de boom geen gebreken had en dat dit ook vast staat nu [eiser] bij repliek zijn betwisting niet heeft weersproken. Hij stelt dat geen sprake is van een verhoogde zorgverplichting onder verwijzing naar de conclusies van ing. Schalk. Hij voert voorts aan dat hij de op hem als campinghouder rustende zorgverplichting niet heeft geschonden omdat hij zijn onderzoeksplicht naar de staat van de boom correct is nagekomen. Daarbij stelt [gedaagde] dat ook bij frequentere controle aan de boom geen gebreken geconstateerd hadden kunnen worden en dat geen sprake is van causaal verband omdat de locatie van de boom aan de waterkant volgens [gedaagde] (onder verwijzing naar jurisprudentie) geen indicatie vormde dat de boom zou omvallen zodat een redelijk bekwaam boomexpert altijd over zou gaan tot een verdergaand onderzoek. Voorts stelt [gedaagde] dat [eiser] niet heeft gesteld dat de boom is omgevallen door de plaats aan de waterzijde.

Voor zover sprake is van een tekortschieten in zijn zorgplicht beroept [gedaagde] zich subsidiair op overmacht. Tevens stelt hij dat sprake was van extreme weersomstandigheden in de zin van artikel 16 lid 3 van de Recron-voorwaarden. Meer subsidiair betwist [gedaagde] de toerekenbaarheid en de omvang van de schade.

4.3. De vraag die voorligt is of [gedaagde] aansprakelijk is voor de door [eiser] geleden schade op grond van onrechtmatig handelen dan wel op grond van wanprestatie.

Met betrekking tot de wanprestatie overweegt de rechtbank dat het er daarbij om gaat of [gedaagde] toerekenbaar is tekortgeschoten in zijn uit de overeenkomst voortvloeiende contractuele verplichtingen. De kern van de contractuele verplichtingen van partijen bestond blijkens de overeenkomst d.d. 12 januari 2006 en de bijbehorende Recron-voorwaarden uit het ter beschikking stellen van een plaats op het recreatieterrein door [gedaagde] aan [eiser] voor de duur van een jaar met als tegenprestatie het betalen van huurpenningen door [eiser] aan [gedaagde]. [eiser] heeft gesteld dat de verplichting van [gedaagde] daarin bestond dat hij verplicht was het recreatieterrein in goede staat van onderhoud te houden. Hoewel in het algemeen van een campingeigenaar mag worden verwacht dat hij het terrein in goede staat van onderhoud heeft, is de rechtbank van oordeel dat het voorkomen dat bomen omwaaien niet kan worden aangemerkt als een uit het tussen partijen gesloten contract voortvloeiende verplichting, zodat de gebeurtenis waarbij de boom is omgewaaid geen tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst van de zijde van [gedaagde] vormt. Er is derhalve geen sprake van wanprestatie.

4.4. Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank het geschil beoordelen op grond van artikel 6:162 BW. Wil sprake zijn van een onrechtmatige daad dan dient sprake te zijn van onrechtmatigheid, toerekenbaarheid van de daad aan de dader, schade en van causaal verband tussen daad en schade. De rechtbank ziet in de stellingen van partijen aanleiding om allereerst in te gaan op de onrechtmatigheid.

Er is in een zaak als de onderhavige sprake van onrechtmatigheid wanneer de eigenaar van de boom tekort is geschoten in zijn zorgverplichting, met andere woorden, wanneer de eigenaar van de boom onvoldoende voorzorgsmaatregelen heeft genomen om het gevaar van omwaaien van boom te voorkomen en hem daarvan een verwijt kan worden gemaakt. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat de zorgplicht van een eigenaar van een hoge boom, zoals in dit geval, er in beginsel uit dat hij deze boom met een zekere regelmaat laat onderhouden en inspecteren.

[gedaagde] heeft in dat kader gesteld dat hij de boom iedere twee jaar door erkend boomverzorgingsbedrijf Zeinstra heeft laten onderhouden en inspecteren, laatstelijk in december 2004. De rechtbank van oordeel dat [gedaagde] deze stelling, in het licht van de kale betwisting van de zijde van [eiser], voldoende heeft onderbouwd door het in geding brengen van de factuur van Zeinstra d.d. 11 december 2004. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [gedaagde] in zoverre aan zijn zorgverplichting voldaan.

4.5. [eiser] heeft echter gesteld dat voor [gedaagde] sprake was van een verhoogde zorgverplichting en dat hij meer voorzorgsmaatregelen had moeten treffen omdat sprake was van een gevaarlijke situatie doordat de boom aan de waterkant stond. Zo stelt [eiser] dat een boomdeskundige alert had moeten zijn op de gevaren die met beperkte doorwortelmogelijkheden gepaard gaan en een stabiliteitsonderzoek in had moeten stellen. Nu dat niet is gebeurd, dient dit volgens [eiser] voor rekening van [gedaagde] te blijven.

De rechtbank overweegt daarover het volgende.

Wanneer zoals [eiser] stelt, sprake is van een gevaarlijke situatie, hangt de onrechtmatigheid van het handelen, voortbouwend op de Kelderluikcriteria (HR 5 november 1665, NJ 1966, 136), af van de aard en omvang van de gevreesde schade, de waarschijnlijkheid dat deze schade zich als gevolg van bepaald gedrag zal voordoen, de aard van de gedraging en van de bezwaarlijkheid van het nemen van voorzorgsmaatregelen.

In de gevallen als de onderhavige, waarin sprake is van zuiver nalaten zijn de voorwaarden voor onrechtmatigheid stringenter, naast toetsing aan voornoemde criteria wordt in dit verband hoge eisen gesteld aan de concrete kennis van de waarnemer (HR 22-11-1974, NJ 1975, 149; Broodbezorger). Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat slechts sprake kan zijn van een onrechtmatig nalaten door [gedaagde] wanneer hij concreet op de hoogte was het gevaar dat de boom zou omwaaien en hij met deze kennis onvoldoende veiligheidsmaatregelen heeft genomen ter voorkoming van de ontstane schade.

4.6. De discussie tussen partijen, beide onder verwijzing naar en ondersteund door het rapport dat zij zelf hebben overgelegd, spitst zich toe op de plaats van de boom en de met de beperkte mogelijkheid tot wortelgroei samenhangende gevaren voor omvallen. De stellingen van partijen met betrekking tot de vraag of een bomendeskundige alert zou moeten zijn bij een situering van een populier aan de waterkant behoeven naar het oordeel van de rechtbank echter geen behandeling aangezien het voor de beoordeling van de onrechtmatigheid van [gedaagde] niet relevant is wat een boomdeskundige zou moeten opmerken; het gaat om de daadwerkelijke kennis van [gedaagde] dat de boom een stabiliteitsrisico liep en dat daardoor kans op schade was. De bewijslast hiervan ligt bij [eiser].

4.7. [eiser] heeft in dat kader verwezen naar correspondentie tussen [gedaagde] en andere buren omtrent de bomen aan de waterkant. Hier gaat de rechtbank echter aan voorbij aangezien deze correspondentie geen betrekking had op de stabiliteit van de bomen. [eiser] heeft niet gesteld dat de boom daadwerkelijk een stabiliteitsprobleem had en dat hij ten gevolge daarvan is omgewaaid, noch heeft [eiser] gesteld dat [gedaagde] wist van stabiliteitsproblemen en gevaren ten aanzien van de boom. [gedaagde] heeft dit bovendien ontkend. De rechtbank oordeelt derhalve dat [eiser] niet heeft voldaan aan zijn stelplicht ten aanzien van het bestaan van een gevaar en de kennis van [gedaagde] daaromtrent. Hierdoor is niet komen vast te staan dat [gedaagde] concrete kennis had van eventuele gevaren. De rechtbank gaat daarom voorbij aan hetgeen [eiser] heeft aangevoerd omtrent een verhoogde zorgverplichting in verband met de locatie van de boom nu deze stellingen, ook wanneer zij gevolgd zouden worden, niet leiden tot een ander oordeel omdat ook bij een verhoogde zorgverplichting pas sprake zou zijn van onrechtmatigheid aan de zijde van [gedaagde] wanneer hij concreet op de hoogte was van het risico dat de boom zou (kunnen) omwaaien.

Nu [gedaagde] niet wist van mogelijke gevaren omtrent de boom en bovendien op basis van het gebrek aan betwisting van de zijde van [eiser] bij repliek is komen vast te staan dat de bomen, waaronder de betreffende boom, in goede staat verkeerden, op zichzelf geen uiterlijke gebreken vertoonden die zouden moeten duiden op ziekte en zij ook anderszins geen tekenen vertoonden die een indicatie vormden tot omvallen, vormt het achterwege blijven van onderzoek of andere voorzorgsmaatregelen geen onrechtmatig nalaten door [gedaagde]. Nu geen sprake is van onrechtmatigheid dient de vordering van [eiser], ook voor zover deze is gegrond op de onrechtmatige daad, te worden afgewezen. De rechtbank komt derhalve niet toe aan de behandeling van de overige stellingen en geschilpunten van partijen, waaronder die ten aanzien van overmacht en de omvang van de schade.

4.8. [gedaagde] vordert vergoeding van executiekosten. Deze vordering moet - voor zover deze ziet op nasalaris - worden afgewezen, nu in artikel 237 lid 4 Rv voor het verhaal van deze kosten een bijzondere procedure is voorgeschreven. Voor het overige zijn executiekosten slechts toewijsbaar, als zij in redelijkheid zijn gemaakt, hetgeen op voorhand niet is te beoordelen.

4.9. [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden vastgesteld op:

- vast recht EUR 410,00

- salaris advocaat 904,00 (2,0 punten × tarief EUR 452,00)

Totaal EUR 1.314,00

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. wijst de vorderingen af;

5.2. veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden vastgesteld op EUR 1.314,00;

5.3. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. Th. G. Lautenbach en in het openbaar uitgesproken op 28 januari 2009.?