Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2009:BH1653

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
30-01-2009
Datum publicatie
03-02-2009
Zaaknummer
AWB 08/2581
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Strafontslag gemeenteambtenaar. Legesgelden mee naar huis genomen, zoekgemaakt en veel te laat bij bank gestort. Wisselende verklaringen voor gedrag. Vertrouwen ernstig geschaad. Geen reden voor mildere sanctie, ondanks dienstverband van 24 jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

procedurenummer: AWB 08/2581

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 januari 2008 als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in het geding tussen

[naam],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

gemachtigde: mr. S.A.G. de Vries, advocaat te Leeuwarden,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tytsjerksteradiel,

verweerder,

gemachtigde: H.C. Mertens, werkzaam bij juridisch adviesbureau Kragten & Partner te Hoogeveen.

Procesverloop

Bij brief van 7 oktober 2008 heeft verweerder eiseres mededeling gedaan van zijn besluit op bezwaar betreffende de toepassing van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling en de Uitwerkingsovereenkomst van de gemeente Tytsjerksteradiel (CAR/UWO).

Tegen dit besluit heeft eiseres beroep aangetekend.

De zaak is behandeld ter zitting van de rechtbank, gehouden op 6 januari 2009. Eiseres is daarbij verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam] en [naam], respectievelijk personeelsadviseur en algemeen directeur bij verweerders gemeente, bijgestaan door verweerders gemachtigde.

Motivering

Feiten

1.1. Eiseres is sinds 13 augustus 1984 werkzaam bij verweerders gemeente, laatstelijk in de functie van administratief medewerker bij de afdeling FJZ/Burgerzaken. Tot haar werkzaamheden behoren sinds begin 2007 onder meer het verwerken van legesgelden en het afdragen daarvan bij de bank.

1.2 Op 24 januari 2008 heeft verweerder geconstateerd dat de legesgelden van de maanden september 2007 tot en met december 2007 niet bij de bank waren gestort. Diezelfde dag is eiseres hiermee geconfronteerd. Zij heeft daarop verklaard dat zij de gelden wél bij de bank had gestort. Tijdens gesprekken op 25 en 30 januari 2008 heeft eiseres erkend dat zij de legesgelden van de desbetreffende maanden niet tijdig bij de bank heeft afgedragen. Vervolgens heeft verweerder eiseres per 30 januari 2008 geschorst en een onderzoek naar de gang van zaken laten uitvoeren door bureau "Deloitte Bijzonder Onderzoek & Integriteitsadvies B.V." (hierna: Deloitte).

1.3 Bij brief van 23 april 2008 heeft verweerder eiseres meegedeeld voornemens te zijn haar naar aanleiding van een rapport van Deloitte van 21 april 2008 onvoorwaardelijk strafontslag te verlenen. Bij brief van 8 mei 2008 heeft eiseres haar zienswijze op dit voornemen gegeven. Bij besluit van 27 mei 2008 heeft verweerder eiseres met ingang van 1 juni 2008 onvoorwaardelijk strafontslag verleend.

1.4 Bij het bestreden besluit heeft verweerder, in afwijking van het advies van verweerders Commissie voor de bezwaarschriften van 16 september 2008, de bezwaren van eiseres tegen het besluit van 27 mei 2008 ongegrond verklaard.

Geschil

2.1 Verweerder heeft aan zijn besluit van 27 mei 2008 - onder meer en samengevat - ten grondslag gelegd dat eiseres niet op de juiste wijze is omgegaan met de afdrachten van legesgelden. Uit het rapport van Deloitte van 21 april 2008 is naar voren gekomen dat de maandelijkse afdrachten van legesgelden niet minimaal in de eerste helft van de daaropvolgende maand hebben plaatsgevonden, zoals volgens de interne procedureregels zou moeten. Gebleken is dat eiseres medio december de te storten bedragen van oktober, november en december 2007 - in totaal € 33.636,80 - heeft meegenomen naar haar woning en deze pas op 28 januari 2008 bij de bank heeft gedeponeerd, terwijl zij de afdracht van september in haar bureaula op het werk heeft bewaard en deze pas op 2 januari 2008 heeft gestort. Ten aanzien van deze feiten heeft eiseres tijdens gesprekken met haar leidinggevende op 24, 25 en 30 januari 2008 tegenstrijdige verklaringen afgelegd. Voorts is uit het onderzoek van Deloitte gebleken dat eiseres - in strijd met de geldende instructie - geen opeenvolgende "sealbags" heeft gebruikt om de kasafdrachten in op te bergen en dat coupures zijn doorgehaald op de daarvoor bestemde stortingsspecificaties. Bovendien bestonden de gestorte geldbedragen nagenoeg uitsluitend uit coupures van € 50,=, hetgeen onverklaarbaar is omdat gebleken is dat de kasafdrachten normaliter altijd uit verschillende coupures bestaan. Verweerder heeft benadrukt dat eiseres als administratief medewerker bij de afdeling FJZ/Burgerzaken in de openbaarheid treedt en door haar functie kan beschikken over gelden van derden. Van haar wordt dan ook verwacht dat zij op betrouwbare en integere wijze met deze gelden omgaat. Verweerder is tot de conclusie gekomen dat de positie van eiseres door haar gedragingen onhoudbaar is geworden. Verweerder heeft het vertrouwen dat in haar is gesteld blijvend verloren en is daarom tot ontslag overgegaan.

2.2 Eiseres heeft - onder meer en samengevat - naar voren gebracht dat zij gedurende 24 jaar goed heeft gefunctioneerd en dat zij zelfs per 1 januari 2008 is bevorderd. Zij stelt dat zij weliswaar slordig is geweest door een aantal kasafdrachten mee naar huis te nemen, maar dat dit geen grond oplevert voor strafontslag. Voorts heeft eiseres betoogd dat verweerder ook het één en ander te verwijten valt. Zo heeft niemand binnen de organisatie haar gewezen op een protocol, waarin is weergegeven hoe moet worden omgegaan met het afhandelen van legesgelden. Bovendien is er voor haar geen vervanger aangewezen. Als verweerder regelmatiger kascontroles zou hebben uitgevoerd zou het volgens eiseres niet zover zijn gekomen als nu is gebeurd. Verder heeft eiseres gesteld dat zij geen bedragen voor eigen gebruik heeft weggenomen en dat verweerder uiteindelijk niet (financieel) is benadeeld. Voorts heeft zij betoogd dat haar werkzaamheden voor maar 10% uit het beheer van legesgelden bestaan en dat de fouten die zij heeft gemaakt daarom binnen de juiste proporties moeten worden bezien. Ten slotte wijt eiseres haar gedrag aan privé-omstandigheden. Zij vindt dat het ontslag disproportioneel en onevenredig is.

Beoordeling van het geschil

3.1 Ingevolge artikel 16:1:1, eerste lid, van de CAR/UWO kan de ambtenaar die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt, dan wel bij herhaling aanleiding geeft tot toepassing te zijnen aanzien van maatregelen van inhouding, beslag of korting, als bedoeld in de tweede titel van de Ambtenarenwet, deswege disciplinair worden bestraft.

Ingevolge artikel 16:1:1, tweede lid, van de CAR/UWO omvat plichtsverzuim zowel het overtreden van enig voorschrift als het doen of nalaten van iets dat een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen.

Ingevolge artikel 8:13 van de CAR/UWO kan als disciplinaire straf aan de ambtenaar ongevraagd ontslag worden verleend.

3.2 Naar vaste jurisprudentie dient de bestuursrechter die moet beslissen over een besluit tot oplegging van een disciplinaire straf, vast te stellen of de betrokken ambtenaar zich heeft schuldig gemaakt aan het plichtsverzuim ter zake waarvan het bestuursorgaan hem de straf heeft opgelegd. De overtuiging dat sprake is van plichtsverzuim zal de rechter moeten ontlenen aan deugdelijk vastgestelde gegevens die aan het bestuursorgaan ter beschikking hebben gestaan bij het nemen van het strafbesluit (TAR 2001,13).

3.3 Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht vastgesteld dat eiseres zich schuldig heeft gemaakt aan ernstig plichtsverzuim en dat dit plichtsverzuim haar kan worden toegerekend. Daartoe overweegt de rechtbank dat eiseres door een reeks van gedragingen het vertrouwen dat verweerder in haar heeft gesteld ernstig heeft geschaad. Eiseres heeft verklaard dat zij de legesgelden van de maanden oktober tot en met december 2007 op een dag kort voor de kerstdagen van 2007 heeft meegenomen om deze bij de bank te storten. Hiermee heeft zij verzuimd deze legesgelden tijdig te verantwoorden op kasopnameformulieren en deze tijdig bij de bank te deponeren. Volgens verweerder wordt onder "tijdig" verstaan dat het te storten bedrag, na een maandafsluiting middels een maandstaat, uiterlijk halverwege de daarop volgende maand bij de bank dient te zijn bijgeschreven. Dat dit de voorgeschreven werkwijze is heeft eiseres niet weersproken. Voorts heeft eiseres verklaard dat zij, nadat zij tot de ontdekking was gekomen dat zij was vergeten het geld bij de bank te storten en dat het geld nog in het dashboardkastje van haar auto lag, ervoor heeft gekozen het geld te verstoppen in haar huis, ondanks het feit dat het bankgebouw niet ver van haar woning is gelegen en stortingen 24 uur per dag kunnen worden gedaan. Toen eiseres na enige dagen bedacht dat zij het geld niet had gestort, maar dat het nog in huis lag, kon zij dit ondanks lang zoeken niet terugvinden. Deze gang van zaken valt eiseres te verwijten. Vervolgens heeft eiseres haar leidinggevende tijdens een gesprek op 24 januari 2008 - naar achteraf blijkt in strijd met de waarheid - meegedeeld dat zij de kasgelden wél had gestort. Op 25 januari 2008 heeft zij haar teamcoördinator meegedeeld dat zij de stortingen niet had gedaan, aangezien zij het geld niet meer kon terugvinden. Uiteindelijk heeft eiseres de kasgelden op 28 januari 2008 bij de bank gestort. Over de herkomst van het geld heeft zij aanvankelijk verklaard dat zij de legesgelden op zolder had teruggevonden, terwijl zij ter zitting van de rechtbank heeft meegedeeld dat zij eigen spaargeld heeft aangewend om de storting te kunnen doen. Ook deze gang van zaken heeft het vertrouwen dat verweerder in eiseres heeft gesteld ernstig geschaad, met name het voortdurend wijzigingen van haar verklaringen, terwijl deze op geen enkele wijze aannemelijk zijn gemaakt. Daarnaast bestonden naar het oordeel van de rechtbank bij deze reeks van gedragingen verschillende momenten waarop eiseres de keuze had kunnen maken om openheid van zaken te geven. Dat zij dit niet heeft gedaan valt eiseres evenzeer te verwijten. Door bovendien pas een uitleg te geven nadát verweerder haar op 24 januari 2008 ter verantwoording riep en door vervolgens verklaringen af te leggen die in strijd waren met de waarheid heeft eiseres het in haar gestelde vertrouwen ernstig geschaad. Daarbij heeft verweerder terecht de vraag opgeworpen of de verklaring die eiseres in laatste instantie heeft gegeven nu wél op waarheid berust, aangezien één en ander niet valt te verifiëren. Voorts is de rechtbank van oordeel dat het betoog van eiseres dat zij niet op de hoogte was van een protocol waarin de gang van zaken rond de legesafhandeling is beschreven, niet slaagt. Van eiseres mocht gelet op haar functie verwacht worden dat zij de procesbeschrijving wél kende, te meer nu eiseres heeft verklaard dat zij de werkwijze van haar voorganger heeft overgenomen. Uit de processtukken is gebleken dat deze voorganger conform het protocol heeft gehandeld. Verder is de rechtbank van oordeel dat de omstandigheid dat de gemeente wellicht financieel niet is benadeeld niet afdoet aan de ernst van het plichtsverzuim. Daarbij merkt de rechtbank op dat verweerder wel degelijk financieel nadeel kan hebben geleden door het mislopen van inkomsten uit rente.

Het bovenstaande leidt tot de conclusie dat verweerder de gedragingen van eiseres terecht als plichtsverzuim heeft aangemerkt dat aan haar kan worden toegerekend, zodat verweerder bevoegd was eiseres op deze grond disciplinair te straffen.

3.4 Vervolgens dient de rechtbank te beoordelen of de opgelegde straf van ongevraagd ontslag onevenredig is te achten, gelet op de aard en ernst van het aan eiseres verweten plichtsverzuim. Eiseres heeft in dit verband aangevoerd dat in de betreffende periode haar privé-omstandigheden zodanig waren dat zij daardoor op haar werk niet goed functioneerde. Eiseres doelt hierbij onder meer op de ziekte van haar vader, het feit dat zij in korte tijd 40 kilo was afgevallen - hetgeen tot depressiviteit heeft geleid -, huwelijksproblemen, en het feit dat haar zoon in september 2007 zijn rug had gebroken en dat zij hem in haar eigen vakantie gedurende een maand heeft verzorgd. Bovendien stelt zij aan ADHD te lijden, hetgeen ontkenningsgedrag met zich zou meebrengen. Door deze aandoening heeft zij de problemen met de bewuste legesgelden min of meer voor zich uit geschoven. Eiseres heeft gesteld dat een aantal van deze omstandigheden bij haar leidinggevende bekend was. De rechtbank overweegt dat eiseres deze feiten en omstandigheden niet heeft onderbouwd en dat zij evenmin heeft aangetoond dat haar leidinggevende daarvan op de hoogte was. Wat daar echter ook van zij, de rechtbank neemt bij haar oordeel in aanmerking dat eiseres als medewerker bij de afdeling FJZ/Burgerzaken belast was met een verantwoordelijke taak waarmee grote sommen geld gemoeid waren. Verweerder mag aan een dergelijke functionaris hoge eisen stellen met betrekking tot betrouwbaarheid en integriteit, mede gelet op het aanzien van de gemeente en haar ambtenaren. De door eiseres geschetste privé-situatie en de omstandigheden waarin zij zich in de betreffende periode bevond doen naar het oordeel van de rechtbank niet af aan het door eiseres begane plichtsverzuim. De rechtbank is, gelet op het voorgaande, dan ook van oordeel dat, ondanks het lange dienstverband van eiseres en haar recente bevordering, gelet op de aard en de ernst van het plichtsverzuim het disciplinair ontslag niet onevenredig is.

3.5 Gelet op het voorgaande dient beroep ongegrond te worden verklaard. De rechtbank acht geen termen aanwezig voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. E. de Witt, rechter, en door deze in het openbaar uitgesproken op 30 januari 2009, in tegenwoordigheid van mr. E. Pot als griffier.

w.g. E. Pot

w.g. E. de Witt

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat voor partijen hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in art. 6:13 juncto 6:24 Awb.

Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan:

De Centrale Raad van Beroep

Postbus 16002

3500 DA Utrecht

In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.