Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2008:BN3013

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
01-07-2008
Datum publicatie
02-08-2010
Zaaknummer
AWB 07/1893
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHLEE:2009:BK6665
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Voorlopige aanslag. Heffingsrente. Kosten bewegingslessen fibromyalgie patiënte slechts aftrekbaar indien activiteiten plaatsvinden op voorschrif t van een arts en onder rechtstreeks toezicht of begeleiding staan van een medicus.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht, belastingkamer

procedurenummer: AWB 07/1893

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 juli 2008 als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in het geding tussen

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Noord/kantoor Leeuwarden,

verweerder,

gemachtigde [gemachtigde].

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2004 een aanslag (aanslagnummer [aanslagnummer].H.46) inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 32.890,--, vermeerderd met € 312,-- heffingsrente.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 1 augustus 2007 de aanslag IB/PVV 2004 verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 32.632,--, vermeerderd met € 302,-- heffingsrente.

Eiser heeft daartegen bij brief van 7 augustus 2007, ontvangen bij de rechtbank op 8 augustus 2007, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 mei 2008 te Leeuwarden.

Eiser is daar in persoon verschenen. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde vergezeld van [bijstand].

Eiser heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan verweerder.

Motivering

Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

1.1 Eiser is geboren op [geboortedatum] 1945 en gehuwd met mevrouw [echtgenote].

1.2 Eisers echtgenote lijdt aan fibromyalgie.

1.3 Eiser heeft een aangifte IB/PVV 2004 ingediend, waarin eiser € 4.975,-- als buitengewone uitgaven wegens ziekte, bedoeld in afdeling 6.5 van der Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna de Wet) heeft aangegeven, waaronder € 213,-- in verband met bewegingslessen en het lidmaatschap van de Nationale Vereniging voor Fibromyalgiepatiënten ten behoeve van eisers echtgenote.

1.4 Naar aanleiding van voormelde aangifte heeft eiser een aanslagbiljet voorlopige aanslag IB/PVV 2004 (teruggaaf) met dagtekening 1 juli 2005 ontvangen, waarop staat vermeld: "Deze aanslag is uitsluitend gebaseerd op de gegevens uit uw aangifte 2004. De Belastingdienst gaat uw gegevens nog controleren. De definitieve aanslag kan afwijken van deze voorlopige aanslag: wellicht moet u bij betalen of krijgt u geld terug".

1.5 Bij de uitspraak op bezwaar heeft verweerder alsnog rekening gehouden met eisers gecorrigeerde aangifte IB/PVV 2004 waarin € 5.399,-- als buitengewone uitgaven wegens ziekte wordt aangegeven. Verweerder heeft deze buitengewone uitgaven vermeerderd met € 46,-- in verband met de kosten voor de huisapotheek en verweerder heeft met een beroep op interne compensatie deze uitgaven verminderd met de € 213,-- in verband met bewegingslessen en het lidmaatschap van de Nationale Vereniging voor Fibromyalgiepatiënten ten behoeve van eisers echtgenote.

Geschil

2.1 In geschil is het antwoord op de vraag of de aanslag IB/PVV 2004 tot het juiste bedrag is opgelegd.

2.2 Eiser beantwoordt deze vraag ontkennend en verweerder bevestigend.

2.3 Eiser voert daartoe - kort gezegd - aan dat de voorlopige aanslag IB/PVV 2004 naar aanleiding van eisers ingediende aangifte niet rechtens is, omdat eiser daartoe geen verzoek heeft ingediend en dat verweerder zich bij het opleggen ervan niet heeft gehouden aan het bepaalde in artikel 3:2 van de Awb. Daarenboven is eiser van mening dat de (definitieve) aanslag IB/PVV 2004 te beschouwen is als een navorderingsaanslag in de zin van artikel 16 Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) en dat voor het opleggen daarvan een nieuw feit ontbreekt. Tenslotte voert eiser aan dat verweerder ten onrechte heffingsrente in rekening heeft gebracht en dat de aftrek van de onder 1.5 vermelde uitgaven voor bewegingslessen en het lidmaatschap alsnog moet worden toegestaan omdat deze zijn gemaakt in verband met de ziekte van zijn echtgenote.

2.4 Verweerder voert ter onderbouwing van zijn antwoord op de vraag aan - kort gezegd - dat de voorlopige aanslag IB/PVV 2004, die naar aanleiding van eisers aangifte is opgelegd, volgens artikel 13 lid 2 AWR niet op verzoek van eiser is opgelegd en bovendien volledig is gebaseerd op eisers aangifte en dat verweerder zich derhalve heeft gehouden aan het bepaalde in artikel 3:2 van de Awb. Verweerder is voorts van mening dat de (definitieve) aanslag IB/PVV 2004 niet te beschouwen is als een navorderingsaanslag in de zin van artikel 16 AWR, zodat hij niet toekomt aan de vraag of sprake is van een nieuw feit. Wat betreft de heffingsrente voert verweerder aan dat het gaat om het compenseren van een objectief bepaald rentevoordeel. Tenslotte voert verweerder aan dat hij terecht een beroep doet op interne compensatie en € 213,-- in verband met bewegingslessen en het lidmaatschap van de Nationale Vereniging voor Fibromyalgiepatiënten ten behoeve van eisers echtgenote niet in aftrek heeft toegelaten, omdat niet blijkt dat de bewegingslessen onder medische begeleiding hebben plaatsgevonden en dat met betrekking tot de lidmaatschapskosten eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de activiteiten van de vereniging zijn aan te merken als verleende genees- of heelkundige hulp.

2.5 Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

Beoordeling van het geschil

3.1 Ingevolge artikel 13 lid 1 AWR kan de inspecteur volgens bij ministeriële regeling te stellen regels, ingeval de grootte van de belastingschuld eerst kan worden vastgesteld na afloop van het tijdvak waarover belasting wordt geheven, een voorlopige aanslag opleggen tot ten hoogste het bedrag waarop de aanslag, met toepassing van de in artikel 15 (AWR) voorgeschreven verrekeningen, vermoedelijk zal worden vastgesteld.

3.2 De rechtbank oordeelt op grond van het voorgaande dat verweerder de bevoegdheid heeft een voorlopige aanslag IB/PVV 2004 op te leggen. Gelet op het voorlopige karakter van een dergelijke belastingaanslag bestaat geen grond voor het oordeel dat artikel 3:2 Awb verweerder verplicht tot een verdergaande voorbereiding dan raadpleging van de aangifte.

3.3 Uit de aanduiding op het aanslagbiljet en de daarin gegeven toelichting (zie 1.4) blijkt naar het oordeel van de rechtbank genoegzaam dat sprake is van een voorlopige aanslag. De thans in geding zijnde belastingaanslag moet derhalve als de definitieve aanslag in de zin van artikel 11 AWR worden beschouwd, zodat de rechtbank niet toekomt aan de vraag of sprake is van een nieuw feit.

3.4 Ingevolge artikel 30f, eerste lid, van de AWR wordt met betrekking tot de inkomstenbelasting rente - heffingsrente - berekend ingeval een voorlopige aanslag, een aanslag of een navorderingsaanslag wordt vastgesteld. Heffingsrente wordt in rekening gebracht over het positieve bedrag van de belastingaanslag, aldus het bepaalde in de artikelen 30g en 30h van de AWR.

3.5 Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de berekening van heffingsrente, zowel het in rekening brengen als het vergoeden, is bedoeld ter compensatie van niet genoten rente door de belastingplichtige dan wel de Schatkist. Het in rekening brengen is uitdrukkelijk niet bedoeld als een sanctie. Wanneer heffingsrente in rekening wordt gebracht heeft de belastingplichtige gedurende de periode waarover de heffingsrente wordt berekend de mogelijkheid gehad om over dat geld rente te ontvangen bij een bank. Gedurende die periode behoorde het belastingbedrag eigenlijk toe aan de Schatkist en heeft de Schatkist daarom gedurende die periode geen rente over dat bedrag kunnen ontvangen. Ter compensatie wordt heffingsrente in rekening gebracht aan belastingplichtige.

3.6 Uit het Besluit van de staatssecretaris van Financiën van 24 oktober 2001, nr. CPP2001/2110M volgt dat een belastingplichtige kan voorkomen dat hij met heffingsrente wordt geconfronteerd door tijdig en uitdrukkelijk te verzoeken om de vaststelling van een (nadere) voorlopige aanslag. De Belastingdienst zal steeds zo snel mogelijk, maar in elk geval binnen drie maanden na binnenkomst van een duidelijk en volledig schriftelijk verzoek, een (nadere) voorlopige aanslag vaststellen. Indien de belastingdienst ondanks een dergelijk verzoek niet binnen drie maanden een (nadere) voorlopige aanslag vaststelt, wordt de heffingsrente over de periode van de aan de Belastingdienst te wijten vertraging op schriftelijk verzoek van de belastingplichtige verminderd.

3.7 Eiser is van mening dat ten onrechte heffingsrente ten bedrage van € 302,-- in rekening is gebracht, omdat het aan verweerder is te wijten dat bij de aan hem opgelegde voorlopige aanslag ten onrechte een teruggaaf is verleend. De rechtbank is van oordeel dat het er, gezien het neutrale karakter van de heffingsrente, bij het in rekening brengen van heffingsrente niet toe doet of verweerder bij het opleggen van een voorlopige aanslag al dan niet verwijtbaar heeft gehandeld. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat eisers beroep op dit punt geen doel treft.

3.8 Ingevolge artikel 6.17, eerste lid, onderdeel a, van de Wet worden - voor zover hier van belang - als uitgaven wegens ziekte en invaliditeit aangemerkt de daarmee verband houdende uitgaven voor genees-, heel- en verloskundige hulp. Wat betreft de bewegingslessen oordeelt de rechtbank dat volgens vaste jurisprudentie, onder meer Hoge Raad 23 februari 2007, nr. 42 382 (BNB 2007/282), de uitgaven van therapeutische activiteiten slechts in aftrek kunnen worden gebracht indien de activiteiten plaatsvinden op voorschrift van een arts en onder rechtstreeks toezicht of begeleiding staan van een medicus. Gesteld noch gebleken is dat de bewegingslessen ten behoeve van eisers echtgenote op een dergelijke wijze hebben plaatsgevonden. Wat betreft de lidmaatschapskosten van Nationale Vereniging voor Fibromyalgiepatiënten oordeelt de rechtbank dat volgens vaste jurisprudentie contributies aan patiëntenverenigingen aftrekbaar zijn als kosten van genees-, heel- en verloskundige hulp indien de vereniging genees- of heelkundige hulp verstrekt. Gesteld noch gebleken is dat de Nationale Vereniging voor Fibromyalgiepatiënten dergelijke hulp verstrekt. De rechtbank oordeelt, gelet op het voorgaande en gelet op het feit dat verweerder, zoals vermeld onder 1.5, bij uitspraak op bezwaar alsnog rekening heeft gehouden met eisers gestelde buitengewone uitgaven wegens ziekte, dat verweerder terecht een beroep op interne compensatie heeft gedaan en de door eiser gestelde uitgaven ten bedrage van € 213, -- voor bewegingslessen en lidmaatschap van de patiëntenvereniging niet in aftrek heeft toegestaan.

3.9 Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 1 juli 2008 door mr. J.W. Keuning, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. H.J. Haanstra, griffier.

w.g. H.J. Haanstra

w.g. J.W. Keuning

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 1704, 8901 CA Leeuwarden.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.