Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2008:BN2978

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
07-05-2008
Datum publicatie
02-08-2010
Zaaknummer
AWB 06/2776
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vereiste aangifte niet gedaan, omkering van de bewijslast. Niet aannemelijk gemaakt dat is voldaan aan urencriterium, geen toepassing zelfstandigenaftrek. Verzuimboete.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht, belastingkamer

procedurenummer: AWB 06/2776

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 mei 2008 als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in het geding tussen

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Noord/kantoor Assen, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2001 een aanslag (aanslagnummer [aanslagnummer].H16) inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd, berekend naar uitsluitend een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 20.000,--. Gelijktijdig met deze aanslag heeft verweerder bij beschikking aan eiser een boete opgelegd ten bedrage van

€ 567,--.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 27 oktober 2006 de aanslag verminderd tot een aanslag berekend naar uitsluitend een belastbaar inkomen uit werk en woning van

€ 9.930,--.

Eiser heeft daartegen bij brief van 1 december 2006, ontvangen bij de rechtbank Assen op 6 december 2006, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan verweerder.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 maart 2008 te Leeuwarden.

Eiser is daar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde [gemachtigde]. Namens verweerder is verschenen [gemachtigde].

Motivering

Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

1.1 Eiser, geboren op [geboortedatum] 1945, gaf in het jaar 2001 judolessen aan leden van judoverenigingen. Daarnaast handelde hij in judo/sportmatten en fitnessapparatuur. Deze activiteiten oefende hij uit in de vorm van een eenmanszaak.

1.2 Aangezien verweerder het aan eiser voor het jaar 2001 uitgereikte aangiftebiljet IB/PVV niet binnen de daarvoor gestelde termijn had ontvangen, heeft hij eiser aangemaand dit biljet alsnog in te leveren. Eiser heeft het aangiftebiljet evenmin binnen de bij de aanmaning gestelde termijn ingediend. Verweerder heeft daarom aan eiser met dagtekening 9 april 2003 ambtshalve aan eiser een aanslag IB/PVV voor het jaar 2003 opgelegd. Vanwege het niet (tijdig) doen van aangifte, heeft verweerder hierbij aan eiser een verzuimboete opgelegd ten bedrage van € 567,--.

1.3 Eiser heeft tegen de aan hem opgelegde aanslag bij brief, ingekomen bij verweerder op 22 mei 2003, pro forma bezwaar ingesteld. Op verweerders verzoek om dit bezwaar te voorzien van een motivering heeft eiser omstreeks 8 juli 2003 een voorlopige aangifte ingezonden. Na herhaaldelijke pogingen van verweerder om bij eiser naar aanleiding van diens bezwaar een boekenonderzoek in te stellen en na meermalen door verweerder gedane verzoeken om de door eiser toegezegde definitieve aangifte in te dienen, heeft eiser uiteindelijk op 12 oktober 2005 het (definitieve) aangiftebiljet voor het jaar 2001 ingediend bij verweerder. Op 17 juni 2006 heeft eiser een ordner met de administratie voor het jaar 2001 bij verweerder bezorgd. Op 18 juli 2006 heeft een gesprek tussen eiser en verweerder plaatsgevonden, waarbij is afgesproken dat eiser nog de door verweerder tijdens het gesprek gevraagde informatie zou overleggen. Bij brief van 21 augustus 2006 heeft verweerder eiser aan dit verzoek gerappelleerd. Omdat van eiser geen reactie werd ontvangen, heeft verweerder eiser bij brief van 13 september 2006 meegedeeld dat hij de op 12 oktober 2005 bij hem ingediende aangifte zal volgen met uitzondering van de daarin opgenomen zelfstandigenaftrek van € 6.084,--. Aangezien eiser geen gebruik had gemaakt van de hem geboden gelegenheid om op dit verzoek te reageren, heeft verweerder op 12 oktober 2006 de gegevens voor de uitspraak op bezwaar verwerkt in het automatiseringssysteem.

1.4 Eiser heeft voor wat betreft de jaren 1998 en 1999 eveneens verzuimd de aangiften IB/PVV tijdig in te dienen. Verweerder heeft aan hem voor die jaren eveneens verzuimboetes opgelegd.

Geschil

2.1 In geschil is het antwoord op de vraag of eiser recht heeft op zelfstandigenaftrek. Het geschil spitst zich toe op het antwoord op de vraag of eiser heeft voldaan aan het zogenoemde urencriterium.

2.2 Eiser is van mening dat hij met de door hem bij zijn (aanvullend) beroepschrift gevoegde urenspecificatie heeft aangetoond dat hij heeft voldaan aan het urencriterium.

2.3 Verweerder is daarentegen van opvatting dat eiser ter zake niet heeft voldaan zijn bewijslast.

2.4 Tevens is - van rechtswege - in geschil het antwoord op de vraag of verweerder terecht aan eiser een verzuimboete heeft opgelegd.

2.5 Eiser heeft ter zitting desgevraagd verklaard dat hij geen afzonderlijke grieven heeft tegen de aan hem opgelegde verzuimboete. Verweerder heeft - naar de rechtbank hem begrijpt - handhaving van deze boete bepleit.

Beoordeling van het geschil

3.1 Uit de hiervoor onder punt 1.2 vermelde feiten volgt naar het oordeel van de rechtbank dat eiser de vereiste aangifte niet heeft gedaan. Dit heeft tot gevolg dat de rechtbank, ingevolge artikel 27e van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR), het beroep ongegrond verklaart, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar onjuist is. Dit laatste brengt mee dat de op eiser rustende bewijslast aanzienlijk wordt verzwaard: hij moet overtuigend aantonen dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar onjuist is.

3.2 Ingevolge artikel 3.76 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (de Wet) geldt de zelfstandigenaftrek voor de ondernemer die aan het urencriterium voldoet en bij het begin van het kalenderjaar de leeftijd van 65 jaar nog niet heeft bereikt. Om aan het urencriterium te voldoen moet de belastingplichtige volgens artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet in ieder geval gedurende het kalenderjaar ten minste 1.225 uren aan werkzaamheden besteden voor een of meer ondernemingen waaruit hij als ondernemer winst geniet.

3.3 Eiser heeft - zoals ter zitting is komen vast te staan - niet eerder dan in het jaar 2006 een urenspecificatie opgemaakt ten aanzien van de aan de in het kader van zijn eenmanszaak uitgeoefende activiteiten bestede tijd. Volgens deze urenspecificatie heeft eiser ieder week hetzelfde aantal minuten, uitgesplitst per middag van de week en per judovereniging, besteed aan het geven van judolessen. De in de urenspecificatie per week en per judovereniging weergeven minuten heeft eiser steeds vermenigvuldigd met 42 weken ter berekening van de jaarlijks hieraan bestede tijd. Volgens eisers urenspecificatie, die evens berekeningen bevat van de tijd die eiser heeft besteed aan zijn in- en verkoopactiviteiten, heeft hij in totaal 1.415,26 uur aan zijn eenmanszaak besteed. Ter zitting heeft eiser desgevraagd verklaard dat hij bij het opmaken van de urenspecificatie geen gebruik heeft gemaakt van primair opgemaakte stukken, zoals een agenda of lesroosters. De rechtbank is van oordeel dat eiser met de door hem overgelegde urenspecificatie niet aannemelijk heeft gemaakt, laat staan overtuigend heeft aangetoond, dat hij ten minste 1.225 uren heeft besteed aan werkzaamheden voor zijn eenmanszaak. Hiervoor is redengevend dat eiser zijn urenspecificatie ver ná het jaar 2001 heeft opgemaakt zonder gebruik te maken van primaire stukken en de door hem voor de verschillende activiteiten weergegeven tijd kennelijk berust op grove schattingen. Overigens heeft eiser geen feiten en omstandigheden aannemelijk gemaakt, laat staan overtuigend aangetoond, die tot het oordeel zouden kunnen leiden dat eiser voor het jaar 2001 wel heeft voldaan aan het urencriterium. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder eiser terecht de zelfstandigenaftrek heeft onthouden. Voor zover eiser heeft bedoeld te stellen dat aan hem wegens schending van enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur door verweerder wel zelfstandigenaftrek zou moeten worden toegekend, overweegt de rechtbank dat hij deze stelling onvoldoende heeft onderbouwd.

3.4 Indien de belastingplichtige de aangifte voor een belasting welke bij wege van aanslag wordt geheven niet, dan wel niet binnen de in de aanmaning gestelde termijn heeft gedaan, vormt dit, ingevolge artikel 67a van de AWR, een verzuim ter zake waarvan de inspecteur hem, gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag, een boete van ten hoogste

€ 1.134,-- kan opleggen.

3.5 Wordt de aanslag op een positief bedrag vastgesteld, dan legt de inspecteur volgens paragraaf 21 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998 in geval van een derde verzuim een boete op van € 567,--.

3.6 Nu eiser een verzuim heeft begaan als bedoeld in het onder punt 3.4 aangehaalde wetsartikel, heeft verweerder de onderhavige verzuimboete terecht aan eiser opgelegd. Nu sprake is van een derde verzuim (zie hiervoor onder punt 1.4), acht de rechtbank, mede gezien de ernst van het feit, een boete van € 567,-- passend en geboden. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden gezegd dat deze door verweerder voorgestane boete in strijd is met de hem gegeven voorschriften in het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998 of anderszins met enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur.

3.7 Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 22 april 2005, nr. 37 984, V-N 2005/22.6, overweegt de rechtbank ambtshalve dat sinds het opleggen van de boete op 9 april 2003 (uit de gedingstukken valt niet op te maken of verweerder deze daarvóór reeds had aangekondigd) tot de onderhavige uitspraak ruim vijf jaren zijn verstreken. Naar het oordeel van de rechtbank kan evenwel niet worden gezegd dat deze zaak niet binnen een redelijke termijn, die in beginsel twee jaar bedraagt, is behandeld, omdat de overschrijding van deze termijn in ieder geval met ongeveer drie jaren en vijf maanden voor eisers rekening komt, gezien de tijd die hij in de bezwaarfase kennelijk nodig had voor het produceren van de van hem gevraagde en de door hem toegezegde nadere stukken (zie hiervoor onder punt 1.3 alsmede de pagina's 2 en 3 van het verweerschrift).

3.8 Het voorgaande leidt tot de slotsom dat eisers beroep geen doel treft.

Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 7 mei 2008 door mr. dr. P. van der Wal, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M. Hiemstra, griffier.

w.g. M. Hiemstra

w.g. P. van der Wal

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 1704, 8901 CA Leeuwarden.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.