Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2008:BI0677

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
17-12-2008
Datum publicatie
09-04-2009
Zaaknummer
AWB 08/869
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Herziening en terugvordering bijstand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

procedurenummer: AWB 08/869

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 december 2008 als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in het geding tussen

[A],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

gemachtigde: mr. J.J. Achterveld, advocaat te Leeuwarden,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Opsterland,

verweerder,

gemachtigde: J. Vonk, werkzaam bij verweerders gemeente.

Procesverloop

Bij brief van 11 maart 2008 heeft verweerder eiseres mededeling gedaan van zijn besluit op bezwaar betreffende de toepassing van de Wet werk en bijstand (hierna: WWB).

Tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) heeft eiseres beroep aangetekend.

De zaak is behandeld ter zitting van de rechtbank, gehouden op 31 oktober 2008. Eiseres is verschenen bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder is, met kennisgeving, niet verschenen.

Motivering

De feiten

1.1. Verweerder heeft op 6 juli 2004 aan eiseres een brief gestuurd, waarin zij onder meer het volgende schrijft: "U ontvangt een uitkering op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) voor de noodzakelijke kosten van het bestaan. Ingaande 1 juli 2004 hebben wij uw woonsituatie opnieuw beoordeeld. Daarbij is komen vast te staan dat u samen met [B] de woonwagenstandplaats Honk 8 huurt. Volgens het huurcontract is dat een standplaats voor één woonwagen. Het Woonbedrijf te Drachten heeft er blijkbaar mee ingestemd dat er een tweede woonwagen op de standplaats is geplaatst. Tevens is gebleken dat de energielevering door Essent en Nuon op naam van [B] staat en u hem uw bijdrage in deze lasten betaalt. Daarentegen betaalt [B] zijn bijdrage in de huur aan u. Op grond van deze omstandigheden zijn wij van mening dat u en [B] woningdelers zijn. U kunt de noodzakelijke kosten van het bestaan immers delen. (…) Ingaande bovengenoemde datum verandert de hoogte van uw uitkering als volgt: Het bedrag van de uitkering is momenteel € 575,91 voor een alleenstaande van 21 jaar of ouder, doch jonger dan 65 jaar (artikel 21 lid 1 onder a WWB). U ontvangt per maand een toeslag van 10% van het minimumloon omdat u de noodzakelijke kosten van het bestaan kunt delen met een ander. (…)"

1.2. Verweerder heeft bij beslissing van 7 april 2006 aan eiseres (opnieuw) een uitkering toegekend naar de norm van een alleenstaande met een toeslag van 10% van het minimumloon, ingaande op 24 maart 2006. In deze beslissing is onder meer expliciet als verplichting het volgende opgenomen: "U geeft alle wijzigingen in uw persoonlijke, gezins- of financiële situatie door."

1.3. Eiseres heeft (in ieder geval) van 24 maart 2006 tot 1 augustus 2007 (hierna: de periode in geding) een uitkering ontvangen op grond van de WWB naar de norm van een alleenstaande.

1.4. Door [naam] en [naam], beiden sociaal-rechercheur in de provincie Fryslân is op verzoek van verweerder, in verband met mogelijk gepleegde sociale zekerheidsfraude, een onderzoek ingesteld naar de woon- en leefsituatie van eiseres, waarvan op 29 augustus 2007 rapport is opgemaakt. De conclusie van het rapport luidt als volgt: "Uit de verklaringen en het verdere onderzoek kan worden opgemaakt dat [A] en [B] een jaar lang een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd in de wagen van [A]."

1.5. Bij besluit van 5 september 2007 heeft verweerder de uitkering van eiseres met ingang van 1 augustus 2007 geblokkeerd in afwachting van de uitkomst van een onderzoek naar haar woonsituatie. Eiseres heeft bij brief van 26 september 2007 bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

1.6. Verweerder heeft bij besluit van 1 oktober 2007 aan eiseres meegedeeld dat het besluit tot toekenning van de uitkering van 7 april 2006 wordt herzien, dat haar recht op uitkering met ingang van 23 augustus 2006 wordt ingetrokken en dat de als gevolg hiervan ten onrechte verstrekte bijstand over de periode van 23 augustus 2006 tot 1 augustus 2007 van haar wordt teruggevorderd. Tegen dit besluit heeft eiseres op 26 september 2007 bezwaar aangetekend.

1.7. Bij besluit van 1 oktober 2007 heeft verweerder de van eiseres terug te vorderen bijstand vastgesteld op een bedrag van € 9.201,70. Eiseres heeft bij brief van 18 oktober 2007 bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

1.8. Verweerder heeft bij besluit van 18 oktober 2007 de terug te vorderen bijstand herzien en vastgesteld op € 8.956,75. Tegen dit besluit heeft eiseres op 24 oktober 2007 bezwaar gemaakt.

1.9. Verweerder heeft alle bezwaren ongegrond verklaard, conform het advies van de Bezwarencommissie Opsterland.

Het geschil

2.1. Verweerder stelt zich - samengevat - op het standpunt dat eiseres haar inlichtingenplicht als vermeld in artikel 17, lid 1, WWB niet is nagekomen. Verweerder wijst in dit kader op de door eiseres en [B] (hierna: [B]) afgelegde verklaringen tegenover de sociale recherche. Op grond van de feitelijke constateringen tijdens het ingestelde onderzoek, de verklaring van betrokkenen en van de bewoners van andere woonwagens blijkt dat tussen eiseres en [B] vanaf augustus 2006 sprake was van een gezamenlijke huishouding in de zin van artikel 3, derde lid, WWB. Er wordt aan alle drie wettelijke eisen voldaan: a. het gaat om twee personen, b. eiseres en [B] hebben hoofdverblijf in dezelfde woonwagen en c. eiseres en [B] geven blijk zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de huishouding, dan wel anderszins.

2.2. Eiseres voert in beroep - samengevat - het volgende aan. Het was verweerder bekend dat eiseres en [B] woonachtig waren op één standplaats. In de brief van 6 juli 2004 heeft verweerder aangegeven dat kostendeling tussen eiseres en [B] mogelijk was en toegestaan was. Er is slechts een feitelijke wijziging opgetreden waar het de concrete verblijfplaats van eiseres en [B] betreft. Die wijziging hield in dat beiden niet langer een eigen woonwagen ter beschikking hadden, maar dat zij zich gezamenlijk hebben gehuisvest in één woonwagen. Afgezet tegen de mededelingen van verweerder betreffende het mogen delen van de noodzakelijke kosten van het bestaan, was het voor eiseres niet duidelijk dat deze wijziging relevant zou kunnen zijn voor het recht op uitkering. Eiseres stelt zich primair op het standpunt dat zij niet in strijd met de inlichtingenplicht heeft gehandeld. Subsidiair is eiseres van mening dat verweerder over alle relevante gegevens beschikt om haar recht op uitkering vast te stellen en dat daarom niet de volledige uitkering mag worden ingetrokken en teruggevorderd.

Beoordeling van het geschil

3.1. Het geding spitst zich in eerste instantie toe op de vraag of eiseres de inlichtingenplicht die uit de WWB voortvloeit heeft geschonden. De rechtbank ziet zich daarbij gesteld voor de vraag of het eiseres redelijkerwijs duidelijk moest zijn dat zij aan verweerder had moeten melden dat zij met [B] een gezamenlijke huishouding ging voeren. Dat sprake is van een gezamenlijke huishouding in de zin van de WWB staat naar het oordeel van de rechtbank vast. Eiseres en [B] hebben ten overstaan van de sociaal rechercheurs verklaard dat zij gedurende de periode in geding gezamenlijk hoofdverblijf hadden in de woonwagen van eiseres en dat zij elkaar verzorgden in die zin dat zij in de praktijk alle kosten deelden. Ter terechtzitting hebben eiseres en [B] deze verklaring bevestigd.

3.2. Volgens eiseres is er geen relevant verschil tussen het zijn van 'woningdeler' en het 'voeren van een gezamenlijke huishouding'. Eiseres beroept zich daarbij op de afspraak die zij in 2004 met verweerder heeft gemaakt, inhoudende dat zij en [B] woningdelers konden zijn, zoals verwoord in de brief van verweerder van 6 juli 2004 van verweerder. De rechtbank overweegt daaromtrent het volgende.

In de brief van 6 juli 2004 is te lezen dat verweerder bij zijn beslissing om eiseres en [B] als woningdelers aan te merken is uitgegaan van de feitelijke situatie dat eiseres met [B] één woonwagenstandplaats huurt waarop twee woonwagen zijn geplaatst, en dat eiseres aan [B] een bijdrage betaalt in de energielasten en daartegenover [B] aan haar een bijdrage in de huur van de standplaats. Op grond van deze feiten heeft de gemeente met ingang van 1 juli 2004 aan eiseres een uitkering toegekend naar de norm van een alleenstaande met een toeslag van 10% van minimumloon, vanwege het delen van de noodzakelijke kosten van het bestaan met [B].

3.3. Vervolgens heeft verweerder met ingang van 24 maart 2006 wederom aan eiseres een uitkering toegekend naar de norm van een alleenstaande met een toeslag van 10% van het minimumloon, terwijl eiseres al een gezamenlijke huishouding voerde met [B]. Volgens verweerder was hij op de hoogte van het feit dat eiseres en [B] weliswaar één standplaats deelden, maar dat ieder in een eigen wagen woonde. Ter terechtzitting heeft eiseres bevestigd dat het samenwonen met [B] niet met verweerder is besproken. Eiseres is volgens de beslissing waarin de uitkering (opnieuw) werd toegekend verplicht om elke verandering in haar persoonlijke situatie door te geven. Zij heeft zelf verklaard dat zij en [B] gedurende de periode in geding als man en vrouw samenwoonden en in de praktijk alle kosten deelden (onder andere voor levensmiddelen). Daarvoor woonden zij niet samen en deelden ze alleen huur- en energiekosten. Het had eiseres daarom naar het oordeel van de rechtbank redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat zij uit zichzelf aan verweerder had moeten melden dat zij met [B] in één wagen ging samenwonen en dat zij beiden daar hoofdverblijf hielden. Nu zij dat niet heeft gedaan, heeft zij de inlichtingplicht van artikel 17, eerste lid, WWB geschonden en was verweerder op grond van artikel 54, derde lid, aanhef onder a, WWB bevoegd haar uitkering te herzien.

3.4. Verweerder is vervolgens op grond van artikel 58 lid 1, onder a, en lid 4, van de WWB en de artikelen 4 en 17 van het gemeentelijk besluit terugvordering WWB bevoegd tot het terugvorderen van de (bruto) kosten van bijstand, voorzover die bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.

Anders dan verweerder heeft aangevoerd, is de rechtbank van oordeel dat het voorgaande niet moet leiden tot de door verweerder voorgestane intrekking en terugvordering van de volledig genoten uitkering gedurende de periode in geding. Verweerder onderbouwt zijn beslissing tot terugvordering door te stellen dat het recht op uitkering niet kon worden vastgesteld ten gevolge van het schenden van de inlichtingenplicht, zodat hij in lijn met de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep en conform het gemeentelijke beleid de gehele uitkering over de periode in geding moest intrekken en terugvorderen. Los van het feit dat de rechtbank niet is gebleken van het beleid waarnaar verweerder verwijst, is de rechtbank van oordeel dat het recht op bijstand kon worden vastgesteld en dat verweerder daartoe had moeten overgaan. Verweerder beschikte over alle benodigde (financiële) gegevens van eiseres en [B], waaronder diens inkomsten als zelfstandige, en was bekend met de woonsituatie van beiden, zodat verweerder het recht op bijstand naar de norm van gehuwden of ongehuwd samenwonenden had kunnen en moeten vaststellen. Voor het oordeel dat de bijstand van eiseres moest worden ingetrokken op de grond dat als gevolg van schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld is dan geen plaats. In zoverre slaagt het beroep.

3.5. Het voorgaande leidt er toe dat verweerder alleen kan overgaan tot het terugvorderen van het verschil tussen de bijstand die eiseres naar de norm van een alleenstaande heeft genoten gedurende de periode in geding en (het deel van) de bijstand waarop zij aanspraak heeft naar de norm van gehuwden of ongehuwd samenwonenden. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid Awb voor zover het ziet op de intrekking en terugvordering van de bijstand over de periode van 23 augustus 2006 en 1 augustus 2007.

3.6. De rechtbank draagt verweerder op met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de bezwaren van eiseres, en daarbij eveneens te betrekken de proceskosten die eiseres in bezwaar heeft gemaakt.

3.7. De rechtbank zal verweerder op grond van het voorgaande veroordelen tot het betalen van de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 644,00. Met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht is het gewicht van de zaak daarbij bepaald op één (gemiddeld) en worden voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, te weten het indienen van een beroepschrift en het verschijnen ter terechtzitting, vier punten toegekend, met een waarde van € 322,00 per punt. De rechtbank wijst de gemeente Opsterland aan als de rechtspersoon die deze kosten aan eiseres moet vergoeden. Daarnaast ziet de rechtbank in het voorgaande aanleiding om met toepassing van artikel 8:74 lid 2, Awb te bepalen dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht aan haar vergoedt.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit voor zover het ziet op de intrekking en terugvordering van de bijstand over de periode van 23 augustus 2006 en 1 augustus 2007 en draagt verweerder op met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 644,00, onder aanwijzing van de gemeente Opsterland als de rechtspersoon die deze kosten aan haar moet vergoeden;

- bepaalt voorts dat de gemeente Opsterland het door eiseres betaalde griffierecht van € 39,00 aan haar vergoedt.

Aldus gegeven door mr. C.H. de Groot, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 17 december 2008, in tegenwoordigheid van de griffier.

w.g. B.M. van der Doef

w.g. C.H. de Groot

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat voor partijen het rechtsmiddel hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in art. 6:13 juncto 6:24 Awb.

Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan:

de Centrale Raad van Beroep

Postbus 16002

3500 DA Utrecht

In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.