Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2008:BG6737

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
10-12-2008
Datum publicatie
19-12-2008
Zaaknummer
89262 HA ZA 08-410
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 22 WOR en concessieovergang openbaar vervoer. Gaat ondernemingsraad bij een concessieovergang mee over naar de opvolgend ondernemer? Kosten van voeren rechtsgeding door OR. Goed werkgeverschap ex artikel 7:611 BW.

Wetsverwijzingen
Wet op de ondernemingsraden
Wet op de ondernemingsraden 22
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 611
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2008-0782
RAR 2009, 34
NJF 2009, 267
JAR 2009, 33
ROR 2009, 19
JRV 2009, 559
JAR 2009/33 met annotatie van mr. E. Knipschild
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 89262 / HA ZA 08-410

Vonnis van 10 december 2008

in de zaak van

de besloten vennootschap

WOUT VAN VEEN ADVOCATEN B.V.,

gevestigd te Utrecht,

eiseres,

procesadvocaat: mr. P. Stehouwer,

advocaat: mr. M. Deij te Utrecht,

tegen

de besloten vennootschap

ARRIVA PERSONENVERVOER NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Heerenveen,

gedaagde,

procesadvocaat: mr. J.B. Dijkema.

advocaat: mr. P.H.E. Voûte te Amsterdam.

Partijen zullen hierna "Wout van Veen Advocaten" en "Arriva" genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de conclusie van antwoord

- het proces-verbaal van comparitie van partijen van 31 oktober 2008.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

In dit geding zal van de volgende vaststaande feiten worden uitgegaan.

2.1. Arriva houdt zich onder meer bezig met het aanbieden van openbaar busvervoer. Arriva heeft per 1 januari 2007 de concessies De Meijerij en Brabant Oost van de provincie Noord-Brabant gegund gekregen. Tot 1 januari 2007 werd het openbaar vervoer binnen deze concessiegebieden verzorgd door BBA Personenvervoer (hierna te noemen: BBA).

2.2. BBA heeft begin 2006 een decentralisatietraject van de medezeggenschapsstructuur binnen haar onderneming in gang gezet, op basis waarvan een overgang zou plaatsvinden van een ondernemingsraad voor de gehele onderneming (BBA OR) -met commissies op concessieniveau- naar een groepsondernemingsraad en op concessieniveau functionerende ondernemingsraden. BBA en de BBA OR zijn in februari 2006 overeengekomen dat deze nieuwe medezeggenschapsstructuur zijn beslag zou krijgen met de OR-verkiezingen in mei 2007.

2.3. In afwijking van het overeengekomen tijdpad hebben de verkiezingen voor de ondernemingsraad voor de concessies De Meijerij en Brabant Oost op 6 december 2006 vervroegd plaatsgevonden. Tot 1 januari 2007 is de BBA OR voor alle BBA-concessies actief gebleven.

2.4. De medezeggenschapsstructuur binnen Arriva is voor het bedrijfsonderdeel openbaar vervoer centraal georganiseerd. De OR OV functioneert bij Arriva ten behoeve van alle personeelsleden die binnen het bedrijfsonderdeel openbaar vervoer werkzaam zijn. Op het niveau van de vestigingen heeft de OR OV vestigingscommissies opgericht. Voor de vestigingen van Arriva te 's-Hertogenbosch, Veghel en Zeeland zijn na de concessieovergang De Meijerij/Brabant Oost verkiezingen voor de vestigingscommissies georganiseerd. In het kader van deze verkiezingen hebben ook leden van de OR De Meijerij/Brabant Oost zich verkiesbaar gesteld en zijn zij tot lid van één van de vestigingscommissies gekozen.

2.5. Tussen de OR De Meijerij/Brabant Oost en Arriva is in verband met de concessieovergang een geschil ontstaan omtrent de status van deze OR. Naar aanleiding daarvan heeft de OR bij brief van 24 januari 2007 aan Arriva medegedeeld:

'Op dinsdag 23 januari heeft het DB OR "de Meijerij/Brabant Oost" een gesprek gehad met mr. W.A. van Veen, van het advocatenkantoor Wout van Veen te Utrecht. N.a.v. dit gesprek hebben wij besloten een juridische zaak op te starten inzake de medezeggenschap in Brabant n.l. de bevoegdheden van onze OR. Wij nemen aan, dat u als ondernemer, de kosten van deze juridische zaak voor uw rekening neemt."

In reactie hierop heeft Arriva bij brief van 26 januari 2007 aan de OR De Meijerij/Brabant Oost laten weten dat zij vorenbedoelde kosten niet voor haar rekening zal nemen.

2.6. De OR De Meijerij/Brabant Oost heeft Arriva vervolgens in kort geding gedagvaard voor de kantonrechter te 's-Hertogenbosch, in welke procedure de aan de OR binnen Arriva toekomende faciliteiten en de rechten en verplichtingen van de OR aan de orde zijn gesteld. De kantonrechter heeft in dat kader de vraag of de OR De Meijerij/Brabant Oost door de concessieovergang mee over is gegaan naar Arriva bij vonnis van 4 mei 2007 ontkennend beantwoord. De OR is in de kort geding procedure bijgestaan door Wout van Veen Advocaten.

2.7. De Bedrijfscommissie voor vervoer en logistiek heeft naar aanleiding van een door de OR De Meijerij/Brabant Oost ingediend bemiddelingsverzoek op 14 mei een verslag van bevindingen uitgebracht, waarin wordt gemeld:

'De bedrijfscommissie stelt vast dat noch de Richtlijn 'Overgang Onderneming' noch de WOR uitsluitsel geeft over het al dan niet voortbestaan van een ondernemingsraad na het overgaan van een onderneming. Dit betekent dat gehandeld dient te worden in de geest van de medezeggenschap. De Bedrijfscommissie beschouwt de OR na een overgang van de onderneming waarvoor hij is ingesteld als een nieuw medezeggenschapsorgaan binnen de verkrijger, waarbij het uitgangspunt is dat dit medezeggenschapsorgaan zo snel mogelijk wordt ingepast in de medezeggenschapsstructuur bij die verkrijger. Van dit inpassen is in het onderhavige geval naar het oordeel van de Bedrijfscommissie sprake zodra rechtsgeldige verkiezingen zijn gehouden voor de Vestigingscommissies. Tot dat moment gelden de faciliteiten, rechten en verplichtingen van de OR zoals opgenomen in het reglement, tenzij anders is overeengekomen tussen de ondernemer en de OR.'

In de procedure bij de Bedrijfscommissie is de OR eveneens bijgestaan door Wout van Veen Advocaten.

2.8. Wout van Veen Advocaten heeft in verband met de door haar ten behoeve van de OR De Meijerij/Brabant Oost verrichte werkzaamheden op 3 augustus 2007 een declaratie ten bedrage van € 11.147,61 bij Arriva ingediend. Arriva heeft deze declaratie niet betaald.

3. Het geschil

3.1. De vordering van Wout van Veen Advocaten strekt ertoe dat de rechtbank, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, Arriva veroordeelt tot betaling van:

I. de declaratie van € 11.147,67, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 augustus 2007;

II. de buitengerechtelijke kosten ten bedrage van € 1.772,15;

III. de kosten van het geding.

3.2. Arriva heeft geconcludeerd tot afwijzing van het gevorderde, onder veroordeling van Wout van Veen Advocaten -uitvoerbaar bij voorraad- in de kosten van het geding.

4. De standpunten van partijen

4.1. Wout van Veen Advocaten legt aan haar vordering ten grondslag dat op grond van artikel 22 WOR de kosten die redelijkerwijs noodzakelijk zijn voor de vervulling van de taak van de ondernemingsraad ten laste van de ondernemer komen. Het geschil omtrent de status van de OR De Meijerij/Brabant Oost na de concessieovergang was naar de mening van Wout van Veen Advocaten dusdanig ingewikkeld, dat de OR zich in redelijkheid van juridische bijstand kon voorzien. Arriva dient dan ook de kosten van de door Wout van Veen Advocaten ten behoeve van de OR verrichte werkzaamheden te betalen, aldus Wout van Veen Advocaten. Ook de eisen van goed werkgeverschap brengen met zich dat Arriva de OR niet met de gemaakte kosten van juridische bijstand mag laten zitten. De gemaakte kosten kunnen volgens Wout van Veen Advocaten door haar als rechtsbijstandverlener rechtstreeks bij Arriva (als ondernemer in de zin van de WOR) in rekening worden gebracht. Daartoe verwijst zij naar een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 25 september 2007 (JAR 2008/69).

4.2. Arriva acht zich niet gehouden tot betaling van de declaratie van Wout van Veen Advocaten, waartoe zij de volgende argumenten aanvoert:

- de OR De Meijerij/Brabant Oost is bij de concessieovergang niet mee overgegaan naar Arriva, zodat Arriva niet als ondernemer in de zin van artikel 22 WOR heeft te gelden.

- de kosten die de OR heeft gemaakt voor het inschakelen van juridische bijstand waren redelijkerwijs niet noodzakelijk, nu de medezeggenschapsbelangen die de OR meende te moeten veiligstellen reeds afdoende behartigd werden binnen de medezeggenschapsstructuur van Arriva.

- Wout van Veen Advocaten kan haar declaratie niet rechtstreeks indienen bij Arriva. In het door Wout van Veen Advocaten in dat verband aangehaalde arrest is wat dat betreft sprake van een uitzonderingssituatie. Arriva heeft ook van meet af aan betwist dat zij de door de OR te maken kosten van juridische bijstand voor haar rekening zou moeten of willen nemen.

- Arriva betwist de hoogte van de ingediende declaratie en stelt dat deze door de Raad van Toezicht van de Orde van Advocaten dient te worden begroot, teneinde een juiste hoogte van de declaratie vast te laten stellen.

5. De beoordeling van het geschil

5.1. Ingevolge artikel 22 lid 1 WOR komen de kosten die redelijkerwijs noodzakelijk zijn voor de vervulling van de taak van de ondernemingsraad ten laste van de ondernemer. Ten aanzien van de kosten van het voeren van rechtsgedingen bepaalt het 2e lid van voormeld artikel dat deze kosten slechts ten laste van de ondernemer komen, indien hij van de te maken kosten vooraf in kennis is gesteld. Vast staat dat de OR een zodanige mededeling aan Arriva heeft gedaan, in haar brief van 24 januari 2007 (zie r.ov. 2.5.).

5.2. Vervolgens ziet de rechtbank zich gesteld voor de vraag of Arriva ten opzichte van de OR De Meijerij/Oost Brabant als ondernemer in de zin van de WOR heeft te gelden. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende. Uit de parlementaire geschiedenis van de WOR (zie EK 2001-2002, 27 469, nr 163b, pagina 1-3) blijkt dat de wetgever als uitgangspunt van de WOR ziet dat de ondernemingsraad en de onderneming een ongedeelde eenheid vormen. De onderneming en de daaraan verbonden ondernemingsraad zijn volgens de wetgever dus onlosmakelijk met elkaar verbonden. Daarbij geldt dat bij overgang van een deel van een onderneming die na een overgang niet als eenheid blijft bestaan, zoals bij een concessieovergang, de ondernemingsraad van de verkrijger alle werknemers -dus ook de overgegane werknemers- vertegenwoordigt. Na de overname zijn er bij de verkrijgende onderneming weliswaar werknemers van de overgenomen onderneming bij gekomen, maar deze werknemers behoren tot de eenheid van de verkrijgende onderneming. Volgens de wetgever is het ongewenst dat de ondernemer die een onderneming heeft overgenomen naast de reeds in zijn eigen onderneming aanwezige ondernemingsraad geconfronteerd zou worden met een apart medezeggenschapsorgaan dat na de overname erbij is gekomen. Zulks geldt in het onderhavige geval naar het oordeel van de rechtbank te meer, nu BBA en Arriva een verschillende medezeggenschapsstructuur kennen.

5.3. Uit het voorgaande volgt naar het oordeel van de rechtbank dat een overgang van een ondernemingsraad naar de verkrijger bij een concessieovergang in strijd zou zijn met de systematiek en strekking van de WOR. Derhalve moet worden geoordeeld dat de door BBA opgerichte OR De Meijerij/Oost Brabant is opgehouden te bestaan bij de concessieovergang en niet mee is overgegaan naar Arriva. Arriva heeft ten opzichte van deze OR dan ook niet als ondernemer in de zin van (artikel 22 van) de WOR te gelden. Om die reden kunnen de door de OR gemaakte kosten van rechtsbijstand niet op grond van de WOR ten laste van Arriva komen.

5.4. Ook artikel 7:611 BW biedt, anders dan door Wout van Veen Advocaten is betoogd, geen grondslag voor toewijzing van de gevorderde kosten van rechtsbijstand, nu dit artikel slechts betrekking heeft op de verhouding tussen werkgever en werknemer en niet (ook) op de verhouding tussen ondernemer en ondernemingsraad. Overigens heeft Wout van Veen Advocaten haar beroep op het goed werkgeverschap ook niet nader onderbouwd.

5.5. Gezien het vorenstaande is Arriva niet gehouden tot vergoeding van de door de OR gemaakte kosten van rechtsbijstand. De vordering van Wout van Veen Advocaten zal derhalve reeds op die grond worden afgewezen. Daar komt nog bij dat in dit geval Wout van Veen Advocaten geen rechtstreekse aanspraak heeft op Arriva. De WOR biedt daarvoor zelf geen rechtstreekse aanknopingspunten. Wout van Veen Advocaten mocht, anders dan in het aangehaalde arrest van het Hof, er in dit geval ook niet op vertrouwen dat de BBA OR bevoegd was om voor rekening van Arriva werkzaamheden te verrichten, gezien de brief van Arriva van 26 januari 2007.

5.6. Wout van Veen Advocaten zal als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van het geding worden veroordeeld. Deze kosten worden aan de zijde van Arriva als volgt vastgesteld:

- vast recht € 306,00

- geliquideerd salaris advocaat € 904,00 (2 x € 452,00, tarief II)

-----------

Totaal € 1.210,00

6. De beslissing

De rechtbank:

wijst af het gevorderde;

veroordeelt Wout van Veen Advocaten in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van Arriva vastgesteld op € 1.210,00;

verklaart dit vonnis voor wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. Smit en in het openbaar uitgesproken op 10 december 2008.?

fn 343