Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2008:BG6468

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
10-12-2008
Datum publicatie
10-12-2008
Zaaknummer
90154/ FA RK 08-1128
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Is keuze van alimentatieplichtige om met prepensioen te gaan gerechtvaardigd? Alimentatieplichtige man verzoekt om wijziging van de door hem aan zijn ex-vrouw te betalen partneralimentatie. Hij legt aan dit verzoek ten grondslag dat hij met prepensioen is gegaan, waardoor zijn inkomsten zijn verminderd en zijn draagkracht is afgenomen. De rechtbank is, gelet op de omstandigheden van dit geval, van oordeel dat de keuze van de man om met prepensioen te gaan voor zijn rekening dient te blijven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2009, 12
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector civiel recht

zaak-/rekestnummer: 90154 / FA RK 08-1128

beschikking van de enkelvoudige kamer d.d. 10 december 2008 (alimentatie)

inzake

[de man],

wonende te [woonplaats man],

hierna ook te noemen de man,

advocaat mr. W.A. Veenstra, kantoorhoudende te Joure,

tegen

[de vrouw],

wonende te [woonplaats vrouw],

hierna ook te noemen de vrouw,

advocaat mr. J.E.I. Bazuin, kantoorhoudende te Heerenveen.

Procesverloop

De man heeft zich tot de rechtbank gewend met een verzoekschrift, ertoe strekkende dat de beschikking van deze rechtbank van 19 januari 2005 wordt gewijzigd met betrekking tot de door hem aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud.

De vrouw heeft binnen de daarvoor gestelde termijn een verweerschrift ingediend.

Bij de stukken bevinden zich onder meer:

een brief met bijlagen van 11 september 2008 van de man;

een brief met bijlagen van 27 oktober 2008 van de vrouw.

De zaak is behandeld ter terechtzitting met gesloten deuren van deze enkelvoudige kamer op 11 november 2008.

Motivering

1. de feiten:

1.1 Bij beschikking van deze rechtbank van 6 oktober 2004 is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken. Het huwelijk is op 18 oktober 2004 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de daarvoor bestemde registers.

Bij beschikking van 6 oktober 2004 is de bijdrage die de man aan de vrouw moet betalen in de kosten van haar levensonderhoud vastgesteld op € 833,-- per maand.

2. het verzoek:

2.1 De man heeft wijziging verzocht van voormelde beschikking van 6 oktober 2004 voor wat betreft de door hem te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud voor de vrouw.

Hij stelt dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden waardoor de bijdrage niet langer voldoet aan de wettelijke maatstaven. De man is met prepensioen gegaan, waardoor zijn inkomsten zijn verminderd en zijn draagkracht is afgenomen. Hij zou nu, gelet op zijn draagkracht en rekening houdend met het fiscale voordeel op de alimentatiebetaling € 369,-- per maand kunnen betalen. De man heeft een alimentatieberekening met onderliggende bescheiden in het geding gebracht waaruit dit blijkt. De man heeft verder gesteld dat hij altijd, ook ten tijde van het huwelijk, heeft betaald voor het prepensioen en dat het bij de vrouw bekend was dat hij zou kiezen voor het prepensioen, nu partijen daar over hebben gesproken. De man heeft al in 2000 bij zijn werkgever aangegeven dat hij gebruik zou maken van de regeling voor prepensioen, waarna zijn werkgever op zoek is gegaan naar een opvolger, die nog door hem ingewerkt zou kunnen worden. Met de eerste opvolger is het niet gelukt, maar in maart 2007, toen de man nog een jaar te gaan had, is de definitieve opvolger aangenomen. De man kon ook om medische redenen zijn werk niet langer uitvoeren. De man heeft problemen met zijn rug waardoor hij wordt beperkt in zijn handelen. Hij heeft ter onderbouwing hiervan een afschrift van een brief van zijn oefentherapeut overgelegd.

2.2 De man heeft voorts gesteld dat de vrouw in haar eigen levensonderhoud kan voorzien. Zij ontvangt van het prepensioen van de man een bedrag van € 199,25 bruto per maand, zij heeft inkomsten uit arbeid en inkomsten uit vermogen. De vrouw heeft, zo voert de man aan, nauwelijks kosten, nu zij inwonend is bij haar zoon. De man bestrijdt de stelling van de vrouw dat zij de woning van de dochter zal gaan huren. De dochter zou een huis gaan bouwen, maar het is niet duidelijk wanneer er daadwerkelijk met de bouw zal worden begonnen. De bijdrage zou dan volgens de man op nihil moeten worden gesteld, nu de vrouw geen behoefte meer heeft aan door hem te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud. De man stelt ten slotte dat de vrouw de na 1 juli 2008 teveel aan haar betaalde alimentatie aan hem terug dient te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente.

3. het verweer:

3.1 De vrouw heeft verweer gevoerd tegen het verzoek van de man. Zij stelt onder meer dat de keuze van de man om met prepensioen te gaan voor zijn rekening dient te blijven. Er was voor de man geen noodzaak om met prepensioen te gaan. Het was bij de vrouw ook niet bekend dat de man gebruik zou gaan maken van een prepensioenregeling. Volgens de vrouw is hierover ten tijde van het huwelijk niet gesproken. Wel is het juist dat de man teleurgesteld was dat hij op 57 of 59 jarige leeftijd geen gebruik kon maken van prepensioen. De man wentelt nu de consequenties van zijn handelen af op de vrouw. Zij komt hierdoor in een financieel slechtere positie. Als bij de scheiding bekend was geweest dat de man gebruik ging maken van het prepensioen dan had de vrouw hiervoor gecompenseerd willen worden. De man moet worden gehouden aan zijn onderhoudsplicht en er dient te worden uitgegaan van het voormalige inkomen van de man. De positie van de man is er juist beter opgeworden, nu hij is getrouwd met een partner die in haar eigen levensonderhoud kan voorzien, waardoor de woonlasten dienen te worden gehalveerd. In de beschikking waarvan thans wijziging wordt verzocht is bepaald dat de behoefte van de vrouw moet worden gesteld op € 923,-- per maand, nu na wettelijke indexering € 968,83 per maand. De man moet in staat worden geacht om het geïndexeerde bedrag bij te dragen en de vrouw verzoekt om dit bedrag aan de man op te leggen. Het is juist dat de vrouw in het kader van de boedelverdeling een bedrag van € 100.000,-- heeft ontvangen, maar ook de man heeft dit bedrag ontvangen. De man heeft zijn vermogen in een huis geïnvesteerd en de vrouw zou moeten interen, waardoor de man zijn vermogen kan behouden en de vrouw haar vermogen zal verdampen. De vrouw vindt dat dit niet van haar kan worden gevraagd. De vrouw kan, gelet op haar medische beperkingen, haar werkzaamheden niet uitbreiden. Zij heeft last van een hernia en kan hieraan niet nogmaals worden geopereerd. De vrouw ontvangt nu een ziektewetuitkering van € 477,40 bruto per maand. De vrouw woont nu nog bij de zoon en voldoet een deel van de kosten, geschat op € 510,- per maand. De zoon is internationaal vrachtwagen chauffeur en is door de week afwezig. Per 1 november 2008 heeft ze de woning van haar dochter gehuurd voor € 450,-- per maand. De dochter gaat een woning bouwen, maar zal eerst elders onderdak zoeken.

4. de beoordeling:

4.1 De rechtbank zal zich eerst uitlaten omtrent de vraag of de vrouw nog steeds als behoeftig is aan te merken. De rechtbank overweegt daarover dat in de beschikking waarvan thans wijziging wordt verzocht door de rechtbank uitvoerig is overwogen waarom de vrouw behoefte heeft aan een bijdrage van de man in de kosten van haar levensonderhoud. De man heeft niet althans onvoldoende onderbouwd dat de situatie van de vrouw zodanig is gewijzigd dat de vrouw nu niet meer als behoeftig is aan te merken. De vrouw heeft nog steeds medische beperkingen en zij is niet meer gaan werken. Zij heeft, gelet op de ziektewetuitkering, juist minder inkomsten uit arbeid. De vrouw ontvangt daarnaast een deel van het prepensioen van de man van € 199,-- per maand. De rechtbank zal de stelling van de man dat de vrouw inkomsten uit vermogen heeft honoreren. De vrouw zou rekening houdend met een rendement van 4 % per jaar € 4.000,-- aan bruto inkomen ontvangen. Dit zou haar per maand ongeveer € 250,-- netto opleveren. De vrouw hoeft, net als de man niet in te teren op haar vermogen. De man heeft zijn vermogen in een woning gestoken, waardoor zijn woonlasten zijn verminderd hetgeen zijn draagkracht ten goede komt.

De rechtbank is, afgezien van de omstandigheid of zij bij haar zoon woont of een eigen huurwoning heeft, van oordeel dat de vrouw hoe dan ook in redelijkheid woonkosten heeft en nog steeds als behoeftig is aan te merken, mede gelet op hetgeen de rechtbank heeft overwogen in haar beschikking van 19 januari 2005.

In die beschikking heeft de rechtbank de behoefte van de vrouw becijferd op € 923,-- netto per maand, na indexering € 969.-- netto per maand.

4.2 De rechtbank zal zich vervolgens uitlaten over de vraag of de man, gelet op zijn onderhoudsplicht ten opzichte van de vrouw, wel of geen gebruik kon maken van het prepensioen. De man heeft gesteld dat de vrouw er ten tijde van het huwelijk van op de hoogte was dat hij gebruik ging maken van het prepensioen. De vrouw heeft deze stelling ontkend, althans zij kan zich niet herinneren dat er tijdens het huwelijk over is gesproken dat de man gebruik zou maken van de prepensioen regeling. De rechtbank is van oordeel dat de inkomensachteruitgang van de man, nu hij gebruik is gaan maken van het prepensioen een vrijwillig karakter heeft. Uit het door de man gestelde is niet aannemelijk geworden dat de partijen ten tijde van hun huwelijk hebben afgesproken dat de man gebruik zou maken van de regeling voor prepensioen. De rechtbank wijst op het door vrouw gestelde dat zij, indien bij haar bekend was geweest dat de man gebruik ging maken van het prepensioen, daarvoor bij de verdeling van de huwelijksgemeenschap gecompenseerd had willen worden. De rechtbank is voorts van oordeel dat de door de man opgevoerde medische redenen niet rechtvaardigen dat hij gebruik moest maken van het prepensioen. De man heeft weliswaar rugklachten, maar uit de brief van de oefentherapeut blijkt niet dat hij daardoor zijn werkzaamheden niet meer uit zou kunnen voeren. Uit de brief blijkt eerder dat de man door oefeningen juist minder rugproblemen heeft. Bovendien heeft de man desgevraagd ter zitting gesteld dat hij een leidinggevende positie had en niet in de fabriek zelf werkzaam was.

De man heeft voorts gesteld dat hij altijd heeft betaald om eerder met pensioen te gaan. De rechtbank acht dit geen valide argument, nu het feit dat wordt betaald voor prepensioen nog niet betekent dat daarvan ook gebruik zal worden gemaakt. Men kan er ook voor kiezen om door te werken tot de pensioengerechtigde leeftijd, waardoor een hogere pensioenuitkering wordt verkregen.

De rechtbank zal, alles overziende, dan ook uitgaan van de voormalige financiële situatie van de man. Hieruit volgt dat er geen sprake is van een wijziging van omstandigheden als door de man gesteld, waardoor de destijds vastgestelde bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw niet meer zou voldoen aan de wettelijke maatstaven.

4.3 De rechtbank zal het verzoek van de met betrekking tot terugbetaling van teveel betaalde alimentatie, gelet op hetgeen hiervoor onder 4.2 is overwogen niet nader bespreken.

4.3 Door de vrouw is gesteld dat de draagkracht van de man juist is toegenomen, doordat hij opnieuw is gehuwd en zijn huidige echtgenote in haar eigen levensonderhoud kan voorzien, zodat rekening moet worden gehouden met de helft van de woonlasten. De rechtbank is van oordeel dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden aan de zijde van de man, zoals door de vrouw gesteld. Zijn draagkracht moet daarom opnieuw in volle omvang worden beoordeeld.

De rechtbank is van oordeel dat de geïndexeerde behoefte van de vrouw kan worden gesteld op een bedrag van € 969,-- netto per maand of wel op een bedrag van afgerond € 1.300,-- bruto per maand, waarbij wordt overwogen dat in de beschikking waarvan wijziging is verzocht de behoefte van de vrouw is beperkt door de draagkracht van de man.

De rechtbank is onvoldoende geïnformeerd omtrent de draagkracht van de man en zal de man opdragen de hierna te noemen financiële bescheiden in het geding te brengen.

Beslissing

De rechtbank:

wijst af het verzoek van de man met betrekking tot de wijziging van de beschikking van deze rechtbank van 19 januari 2005;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

verwijst de behandeling van de zaak naar de terechtzitting met gesloten deuren van deze kamer van 13 januari 2009, voor een pro forma behandeling;

draagt op aan de man om uiterlijk drie weken voor voormelde zitting aan de griffier van de rechtbank en de vrouw over te leggen:

een berekening van zijn draagkracht op basis van zijn laatst verdiende arbeidsinkomen en rekening houdend met de helft van de woonlasten;

draagt op aan de vrouw om uiterlijk één week voor voormelde zitting aan de griffier van de rechtbank en de man een schriftelijke reactie te zenden op hetgeen de man nog heeft gesteld en ingezonden, voor zover zij zich daarmee niet kan verenigen;

bepaalt dat, indien voldoening aan bovenvermelde opdrachten achterwege blijft, gebrekkig is of niet tijdig geschiedt - dat wil zeggen: buiten de ter zake gegeven termijn en zonder dat tenminste één week voor het einde van deze termijn uitstel is verzocht en uiterlijk twee dagen voor het einde daarvan is verkregen - , de rechtbank daaraan de gevolgtrekkingen zal verbinden die zij dan geraden acht, waarbij geldt dat op te laat ingekomen stukken geen acht zal worden geslagen;

bepaalt dat aan de hand van de op voormelde zitting voorhanden zijnde gegevens - zo mogelijk - een beslissing zal worden genomen, tenzij partijen dan gemotiveerd te kennen hebben gegeven alsnog een mondelinge behandeling te wensen, althans aanhouding tot een nadere pro forma behandeling;

bepaalt dat partijen in geval van aanhouding tot een nadere behandeling tegen die behandeling op dezelfde wijze aan voormelde opdrachten dienen te voldoen, voor zover dat dan nog niet is geschied en de rechtbank niet anders heeft bepaald;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven te Leeuwarden door mr. M. van der Hoeven, lid van de kamer, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op woensdag 10 december 2008 in tegenwoordigheid van de griffier.

(fn: 19)

Van deze beschikking kan, voor zover hierin eindbeslissingen zijn opgenomen, binnen 3 maanden hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Leeuwarden. Indien u in deze procedure bent verschenen start deze termijn op de dag van de uitspraak. Als u niet in de procedure bent verschenen kan de termijn op een latere datum beginnen. Volgens de wet bent u verplicht om voor het instellen van hoger beroep een advocaat in te schakelen. In verband met de beperkte termijn dient u zo spoedig mogelijk contact met uw/een advocaat op te nemen!

De griffier.