Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2008:BG5725

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
01-12-2008
Datum publicatie
01-12-2008
Zaaknummer
248837 \ VZ VERZ 08-226
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ontbinding arbeidsovereenkomst van directeur van stichting die recreatiecentra exploiteert. Verwijt van disfunctioneren (financiën, personeelsbeleid, misbruik van bevoegdheden) is onvoldoende onderbouwd, evenals verwijt van onoirbare bejegening van vrouwelijke personeelsleden. Werkgever valt de verstoring van de arbeidsverhouding te verwijten. Geen anticipatie op nieuwe kantonrechtersformule. Twintigjarig dienstverband. C=2. Ontbindingsvergoeding van 260.000 euro. Geen immateriële schadevergoeding. Wel proceskostenveroordeling werkgever.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2008-0755
Prg. 2009, 13
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector kanton

Locatie Leeuwarden

zaak-/rolnummer: 248837 \ VZ VERZ 08-226

beschikking van de kantonrechter d.d. 1 december 2008

inzake

De stichting Stichting Recreatiecentra Ameland,

hierna te noemen: de Stichting,

gevestigd te Ballum,

verzoekster,

gemachtigde: mr. M.R. Bartels,

tegen

[werknemer],

hierna te noemen: [werknemer],

wonende te [woonplaats],

verweerder,

gemachtigde: mr. J.A. Gimbrère.

Het procesverloop

De Stichting heeft bij verzoekschrift, ingekomen ter griffie op 13 mei 2008, verzocht de tussen haar en [werknemer] bestaande arbeidsovereenkomst te ontbinden op grond van gewichtige redenen in de zin van artikel 7: 685 BW.

Het verweerschrift van [werknemer] is binnengekomen op 3 juni 2008. Daarbij heeft [werknemer] voorwaardelijk, voor het geval het ontbindingsverzoek van de Stichting zal worden toegewezen, verzocht de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden onder toekenning aan [werknemer] van een vergoeding.

De behandeling ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 10 juni 2008. Van het verhandelde zijn aantekeningen gemaakt door de griffier. Beide gemachtigden hebben een pleitnota overgelegd.

Vervolgens is de zaak aangehouden voor mediation. Begin oktober 2008 hebben partijen de rechtbank bericht dat mediation niet tot een oplossing heeft geleid.

De behandeling ter terechtzitting is daarop voortgezet op 17 november 2008. Van het verhandelde zijn aantekeningen gemaakt door de griffier. Beide gemachtigden hebben wederom een pleitnota overgelegd.

Door beide partijen zijn producties ingebracht.

Tenslotte is de beschikking bepaald op heden.

Motivering

1. [werknemer] is sedert 1 juli 1988 in dienst bij de Stichting, laatstelijk in de functie van directeur, tegen een bruto salaris van € 4.598,38 per maand. [werknemer] is geboren op [geboortedatum].

2.1. De Stichting heeft gesteld dat [werknemer] sedert 2005 onvoldoende functioneert, met name op het gebied van financiën, personeelsbeleid en bevoegdheden.

Ten aanzien van de financiën verwijt de Stichting [werknemer] -samengevat- dat hij ondanks herhaald verzoek heeft nagelaten om een splitsing aan te brengen tussen de cijfers van enerzijds het strandpaviljoen en anderzijds de overige activiteiten. Tussentijdse rapportages werden niet opgesteld door [werknemer] en als dat wel gebeurde dan "rammelden" ze. Resultaten en omzetcijfers werden te laat of helemaal niet opgesteld. Ook werden door [werknemer] verplichtingen aangegaan zonder kosten/batenanalyse, ondanks herhaald aandringen daarop door het bestuur. Voorts verwijt de Stichting dat [werknemer] op eigen houtje in totaal

€ 17.700,00 aan de Stichting de Vrienden van Ballum heeft overgemaakt ten behoeve van een vliegfeest. Van dit bedrag is overigens een bedrag van € 10.200,00 weer teruggestort.

Ten aanzien van het personeelsbeleid heeft de Stichting aangevoerd -samengevat- dat arbeidscontracten ontbreken dan wel niet actueel en/of niet ondertekend zijn, dat er geen functioneringsgesprekken worden gevoerd en dat werknemers niet schriftelijk op hun functioneren worden aangesproken, dat [werknemer] grote problemen heeft veroorzaakt met betrekking tot de arbeidsovereenkomst van een kok en dat [werknemer] het personeel aanzienlijke loonsverhoging en positieverbetering heeft gegeven zonder het bestuur daarin te kennen.

Ook maakt de Stichting [werknemer] verwijten op het gebied van de bejegening van met name vrouwelijke personeelsleden en maakt zij melding van incidenten tijdens een personeelsavond.

Ten aanzien van de bevoegdheden verwijt de Stichting [werknemer] dat deze op oneigenlijke wijze gebruik heeft gemaakt van de hem gegeven toestemming om vakantie- en overuren aan zichzelf uit te betalen, dat [werknemer] geen gehoor heeft gegeven aan het verzoek om uitvoering te geven aan het in 2005 opgestelde beleidsplan en dat [werknemer] te veel geld uitgeeft aan personeelsfeesten, borrels etc.

Tenslotte heeft de Stichting aangevoerd dat [werknemer] er niet op heeft toegezien dat zijn vriendin als bedrijfsleidster van het strandpaviljoen voldoende uren werkte en dat [werknemer] zonder noodzaak de nieuwe functie van Manager Horeca heeft gecreëerd en iemand in die functie heeft benoemd. De Stichting heeft haar kritiek op het functioneren van [werknemer] zowel schriftelijk als mondeling en mede aan de hand van een groot aantal door haar overgelegde producties uitvoerig toegelicht. De kantonrechter zal hierop zo nodig terugkomen bij de beoordeling van het geschil.

2.2. De Stichting heeft in 2007 advies gevraagd over haar personeels- en organisatiestructuur aan mevrouw G. Klazema, organisatiedeskundige. Het door mevrouw Klazema uitgebrachte advies is buiten afwezigheid van [werknemer] besproken in de bestuursvergadering van 25 januari 2008. In het verslag van deze bespreking is een aantal kritiekpunten met betrekking tot het functioneren van [werknemer] opgenomen. Dit verslag is op 31 januari 2008 met [werknemer] besproken. Na 31 januari 2008 heeft het bestuur de mogelijkheden tot herstel van de relatie met [werknemer] onderzocht. Daartoe zijn ook gesprekken gevoerd met personeelsleden. Op 3 maart 2008 heeft het bestuur aan [werknemer] meegedeeld dat het geen reële mogelijkheden zag om te komen tot voldoende herstel van vertrouwen. Aan [werknemer] is ontslag met wederzijds goedvinden voorgesteld en [werknemer] is met onbetaald verlof naar huis gestuurd.

2.3. Op grond van deze omstandigheden verzoekt de Stichting de arbeidsovereenkomst met [werknemer] te ontbinden zonder toekenning van een vergoeding en met veroordeling van [werknemer] in de kosten van het geding. Ter gelegenheid van de voortgezette mondelinge behandeling heeft de Stichting afstand gedaan van haar recht om het verzoek in te trekken indien de kantonrechter voornemens is om aan [werknemer] een ontbindingsvergoeding toe te kennen.

3.1 [werknemer] heeft verweer gevoerd. [werknemer] heeft daartoe gesteld dat hij tot januari 2008 niet wist dat het bestuur ontevreden was over zijn functioneren en dat hij op 31 januari 2008 als donderslag bij heldere hemel te horen kreeg dat hij tot 's avonds laat met personeel in het café zou zitten, dat hij ongewenst en zelfs intimiderend met vrouwen omging en dat de arbeidsverhouding met het personeel verstoord zou zijn, terwijl de verhouding met het bestuur verbetering behoefde. Volgens [werknemer] was toen duidelijk dat het bestuur zijn ontslag wilde, hetgeen hem op 3 maart 2008 ook is meegedeeld. [werknemer] ziet in dit alles vooral de hand van de voorzitter van het bestuur, de heer [voorzitter]. Volgens [werknemer] domineert de heer [voorzitter] in het bestuur en kunnen de overige bestuursleden geen tegenspel bieden. De heer [voorzitter] heeft volgens [werknemer] twee petten op omdat enerzijds onder zijn voorzitterschap het bestuur besloten heeft tot een omvangrijke nieuwbouw van het centrale gebouw van de Stichting, terwijl anderzijds het ontwerp van het gebouw en de begeleiding van de bouw door het bestuur aan de heer [voorzitter] -als architect- is gegund, waarmee een honorarium van ongeveer € 200.000,00 gemoeid zal zijn. Dit kan volgens [werknemer] tot vervelende situaties leiden, bijvoorbeeld in geval van dreigende overschrijding van de geprognosticeerde bouwkosten en [werknemer] meent dat de heer [voorzitter] hem mogelijk om die reden liever kwijt dan rijk is.

3.2. [werknemer] heeft de juistheid van de aan zijn adres gemaakte verwijten gemotiveerd weersproken, zowel schriftelijk als mondeling en mede aan de hand van een groot aantal door hem overgelegde producties. In dat verband heeft hij er ook op gewezen dat hij nimmer door het bestuur op zijn functioneren is aangesproken en dat er ook geen sprake is geweest van enig functioneringstraject waarin hij zich zou hebben kunnen verbeteren. Volgens [werknemer] is het tegendeel waar en heeft hij vanaf 1988 niets dan lof gehad vanuit het bestuur.

[werknemer] leidt uit de vele steunbetuigingen die hij gehad heeft af dat eigenlijk alle bij de Stichting betrokken personen willen dat hij blijft, behalve het bestuur. [werknemer] verwijt de Stichting dat zij, om het ontslagbesluit te rechtvaardigen, het gerucht heeft verspreid dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan seksuele intimiteiten en zelfs intimidatie, zonder dat zij die beschuldigingen kan onderbouwen.

3.3. [werknemer] verzet zich tegen de gevraagde ontbinding. Uitsluitend voor het geval de arbeidsovereenkomst wel wordt ontbonden verzoekt [werknemer] aan hem een ontbindingsvergoeding toe te kennen. [werknemer] stelt daarbij dat de verwijtbaarheid bij het bestuur zodanig groot is dat correctiefactor drie gerechtvaardigd is. Volgens [werknemer] moet bij de berekening van de vergoeding worden uitgegaan van het brutoloon, vermeerderd met vakantietoeslag en dertiende maand, alsmede vermeerderd met een gebruteerde onkostenvergoeding en een toegezegde (maar niet uitgevoerde) loonsverhoging van € 600,00 bruto per maand. Bij 24 gewogen dienstjaren leidt dat tot een vergoeding van

€ 428.112,00 bruto. Indien geen rekening wordt gehouden met de onkostenvergoeding en de salarisverhoging komt de vergoeding uit op € 374.124,19 bruto.

Daarnaast verzoekt [werknemer] een vergoeding van € 50.000,00 voor geleden immateriële schade, alsmede veroordeling van de Stichting in de kosten van het geding.

Ter gelegenheid van de voortgezette mondelinge behandeling heeft [werknemer] zijn voorwaardelijk ontbindingsverzoek ingetrokken.

4. De kantonrechter heeft zich ervan vergewist dat het verzoek geen verband houdt met het bestaan van een opzegverbod.

5. De kantonrechter stelt voorop dat de positie van de heer [voorzitter] in deze procedure niet in het geding is en dat hetgeen daarover door [werknemer] is aangevoerd buiten beschouwing dient te blijven.

6. De Stichting heeft aan haar verzoek mede ten grondslag gelegd de omstandigheid dat de arbeidsverhouding tussen partijen ernstig is verstoord. Ter gelegenheid van de voortgezette mondelinge behandeling is wel gebleken dat ook [werknemer] een vruchtbare samenwerking niet langer voor mogelijk houdt. Ook overigens is uit de stellingen van partijen en de daarop gegeven toelichting genoegzaam gebleken dat de arbeidsverhouding zozeer is verstoord geraakt dat voortzetting ervan niet goed denkbaar is. De arbeidsovereenkomst tussen partijen zal daarom worden ontbonden wegens een verandering in de omstandigheden.

7. Nu de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden wegens een verandering in de omstandigheden, dient de vraag te worden beantwoord of met het oog op de omstandigheden van het geval aan [werknemer] ten laste van de Stichting billijkheidshalve een vergoeding toekomt en zo ja, hoe hoog die vergoeding dan moet zijn.

Dienaangaande overweegt de kantonrechter het volgende.

8. De kritiek op het functioneren van [werknemer] ziet in belangrijke mate op de wijze waarop [werknemer] gedurende langere tijd een aantal taken heeft uitgevoerd en/of bevoegdheden heeft uitgeoefend, in het bijzonder ten aanzien van financiën en personeelsbeleid. De kantonrechter is van oordeel dat deze kritiek, die door [werknemer] gemotiveerd is weersproken, onvoldoende door de Stichting is onderbouwd. Op elk verwijt van de Stichting heeft [werknemer] wel een zuiverende reactie gegeven en waar de Stichting [werknemer] heeft afgeschilderd als een gedurende langere tijd ernstig disfunctionerende directeur, schetst [werknemer] zelf het toonbeeld van een goed functionerende directeur. Niet uitgesloten is dat de waarheid ergens in het midden gezocht moet worden, maar waar precies is niet bekend.

Op dit punt wreekt zich dat er geen functioneringsgesprekken zijn gevoerd met [werknemer] en dat de kritiek op diens functioneren niet op schrift is gesteld. Weliswaar heeft de Stichting nog gewezen op diverse verslagen van bestuursvergaderingen, waaruit zou moeten blijken dat men [werknemer] vele malen heeft gezegd wat er anders moest, maar uit die verslagen blijkt niet dat [werknemer] ondubbelzinnig op zijn functioneren is aangesproken, wat hij daar zelf van vond en of er enig vervolg -bijvoorbeeld in de vorm van een verbetertraject- aan is gegeven.

Bij gemis aan voldoende onderbouwing kan van de juistheid van de geuite kritiek niet worden uitgegaan. Evenmin is gebleken dat [werknemer] al eerder dan in januari 2008 met het bestaan van de bij het bestuur levende kritiek is geconfronteerd. Deze gang van zaken zal er zeker toe hebben bijgedragen dat de relatie ernstig verstoord is geraakt. Dit valt de Stichting te verwijten. Met name valt de Stichting te verwijten dat zij in de achterliggende jaren van (kennelijke) kritiek, maar ook nadat zij [werknemer] in januari 2008 met die kritiek had geconfronteerd, [werknemer] niet de gelegenheid heeft geboden om zijn functioneren te verbeteren, terwijl de aard van de kritiek niet zodanig is dat daar redelijkerwijs geen ruimte voor heeft bestaan.

9. De Stichting heeft [werknemer] verder verweten dat zijn bejegening van (met name vrouwelijke) personeelsleden niet past bij de positie en verantwoordelijkheid van directeur. [werknemer] zou regelmatig tot laat in de avond/nacht met personeelsleden in de kroeg zitten en daarbij veel alcoholhoudende drank nuttigen. Ook maakt de Stichting melding van een incident waarbij [werknemer] in een informele setting rond de Kerstdagen foto's heeft gemaakt van vrouwelijke personeelsleden.

Het zijn met name deze verwijten die voor de nodige ophef hebben gezorgd, niet alleen in deze procedure, maar ook en vooral onder een ruime kring van personen die al dan niet direct betrokken zijn bij de Stichting. De Stichting heeft ook deze verwijten echter niet hard kunnen maken. De eerst ter gelegenheid van de voortgezette mondelinge behandeling door de Stichting overgelegde foto's en schriftelijke verklaringen imponeren niet en worden overigens weersproken door een in aantal daar niet voor onderdoende door [werknemer] overgelegde set schriftelijke verklaringen.

De verwijten die de Stichting [werknemer] heeft gemaakt in relatie tot vrouwen en drank, waarbij zij ook het woord 'intimidatie' heeft gebruikt, zijn voor [werknemer] onnodig beschadigend indien en voor zover die verwijten niet kunnen worden onderbouwd. Dat de Stichting dit risico heeft genomen valt haar aan te rekenen en heeft er onvermijdelijk toe bijgedragen dat de arbeidsverhouding duurzaam is verstoord.

10. Tenslotte heeft de Stichting [werknemer] nog een aantal min of meer op zichzelf staande verwijten gemaakt met betrekking tot betalingen aan de Stichting De Vrienden van Ballum en de uitbetaling van vakantie- en overuren.

Ook voor deze verwijten geldt dat zij niet voldoende zijn onderbouwd. Met betrekking tot de betaling aan de Stichting Vrienden van Ballum is door [werknemer] onweersproken gesteld dat hij bevoegd was om dergelijke betalingen te doen. De vraag of [werknemer] al dan niet heeft gehandeld binnen de grenzen van die bevoegdheid laat zich in het kader van deze procedure moeilijk beantwoorden.

Met betrekking tot de uitbetaalde vakantie- en overuren is gebleken dat het bestuur van de Stichting daarvoor toestemming aan [werknemer] heeft gegeven. Voor zover [werknemer] wordt verweten dat hij teveel uren heeft gedeclareerd overweegt de kantonrechter dat de juistheid van ook dat verwijt niet is gebleken.

11. Aan hetgeen hiervoor is overwogen verbindt de kantonrechter de conclusie dat de verstoorde verhouding die aanleiding vormt om de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden tenminste in belangrijke mate aan de Stichting te verwijten valt. De kantonrechter ziet daarin aanleiding om aan [werknemer] een ontbindingsvergoeding toe te kennen met toepassing van de kantonrechtersformule. Anders dan door de Stichting is bepleit zal daarbij niet worden geanticipeerd op de inwerkingtreding per 1 januari 2009 van de gewijzigde kantonrechtersformule. Er zal worden uitgegaan van het laatstgenoten bruto maandsalaris van € 4.598,38. Dit salaris zal worden verhoogd met 8% vakantietoeslag en met een dertiende maandsalaris, waar [werknemer] naar hij onweersproken heeft gesteld aanspraak op kan maken. De verzochte verhoging met een gebruteerde onkostenvergoeding en een toegezegde maar niet uitgevoerde salarisverhoging wordt afgewezen, omdat de aanspraak van [werknemer] op dergelijke salariscomponenten niet is komen vast te staan. Voorts zal worden uitgegaan van 24 gewogen dienstjaren. De ernst van het verwijt dat de Stichting gemaakt kan worden zal tot uitdrukking gebracht worden in de hoogte van de C-factor die, rekening houdend met de overige omstandigheden van het geval, zal worden bepaald op 2.

Afgerond zal aan [werknemer] een vergoeding worden toegekend van € 260.000,00 bruto.

De gevraagde immateriële schadevergoeding wordt afgewezen omdat onvoldoende is komen vast te staan dat [werknemer] door toedoen van de Stichting daadwerkelijk in zijn eer en goede naam is aangetast.

12. Aangezien de Stichting nadrukkelijk afstand heeft gedaan van haar intrekkingsrecht behoeft aan haar geen termijn te worden gegund het verzoek in te trekken.

13. In de ernst van het verwijt dat de Stichting gemaakt kan worden ziet de kantonrechter aanleiding om De Stichting te veroordelen in de kosten van het geding, welke kosten worden begroot op € 2.400,00 (drie punten á € 800,00).

De kantonrechter:

ontbindt de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst met ingang van 1 januari 2009;

kent aan [werknemer] ten laste van de Stichting ter gelegenheid van voornoemde ontbinding een vergoeding toe ten bedrage van bruto € 260.000,00, (zegge: tweehonderdzestig duizend euro);

veroordeelt de Stichting in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van [werknemer] begroot op € 2.400,00;

Aldus gegeven te Leeuwarden en in het openbaar uitgesproken op 1 december 2008 door mr. P. Schulting, kantonrechter, in tegenwoordigheid van de griffier.

c 73