Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2008:BG2721

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
03-09-2008
Datum publicatie
03-11-2008
Zaaknummer
2007035712 VON
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Uitleveringszaak. Uitlevering aan Republiek Kroatië ontoelaatbaar verklaard wegens het ontbreken van originele stukken dan wel authentieke afschriften en omdat niet voldaan is aan het vereiste van dubbele strafbaarheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN, zittinghoudende te Groningen

Sector strafrecht

Lurisnummer: 2007035712

Uitspraak

van de rechtbank Leeuwarden, zittinghoudende te Groningen, op een vordering van de officier van justitie van 26 maart 2008 tot het in behandeling nemen van een verzoek tot uitlevering ex artikel 23, eerste lid, van de Uitleveringswet, ingediend door de Republiek Kroatië d.d. 3 september 2007, kenmerk 514-05-01-01-07-5, strekkende tot uitlevering van:

[Opgeëiste persoon],

geboren op [Geboortedatum en -plaats] (voormalig Joegoslavië),

wonende aan de [adres opgeëiste persoon],

hierna te noemen: de opgeëiste persoon.

PROCEDURE

De rechtbank heeft kennis genomen van voormelde vordering, alsmede van de volgende stukken, te weten:

1. Het (originele) verzoek van de republiek Kroatië d.d. 3 september 2007 onder kenmerk 514-05-01-01-07-5, tot uitlevering van de opgeëiste persoon, gericht aan het Ministerie van Justitie te Den Haag.

2. Een overzicht van de feiten waarvoor de uitlevering wordt verzocht, de tijd waarop en de plaatsen waar de feiten zijn begaan, hun wettelijke omschrijving en verwijzing naar de toepasselijke wetsbepalingen.

3. Een kopie van een bevel tot aanhouding, gegeven door mr. S. Teofilovicu, rechter van de rechtbank te Vukovar d.d. 16 maart 2005 met kenmerk IK-I-63/05.-2.

4. Een kopie van het vonnis van de rechtbank te Vukovar d.d. 10 december 2004.

5. Een afschrift van de toepasselijke wetsbepalingen (met uitzondering van die aangaande de Kroatische wettelijke bepalingen terzake het strafbaar stellen van medeplegen), en een verklaring aangaande het toepasselijke recht, evenals de identiteits- en nationaliteitsgegevens van de opgeëiste persoon.

6. Een verklaring van het Ministerie van Justitie d.d. 27 augustus 2007, waaruit blijkt da de opgeëiste persoon tegen het (verstek)vonnis van de rechtbank te Vukovar een rechtsmiddel kan instellen.

7. Een proces-verbaal van aanhouding van de opgeëiste persoon d.d. 16 augustus 2007.

8. Een bevel tot inverzekeringstelling van de opgeëiste persoon d.d. 16 augustus 2007.

9. Een bevel tot bewaring ex artikel 15 Uitleveringswet d.d. 17 augustus 2007;

10. Een bevel tot onmiddellijke invrijheidstelling van de opgeëiste persoon d.d. 6 september 2007.

11. De door de raadsman ingebrachte verklaring van de opgeëiste persoon d.d. 4 mei 2008.

12. De door de raadsman voor de zitting van 21 mei 2008 ingebrachte stukken, te weten het politieke profiel van de Republiek Kroatië van de Europese Commissie; het jaarverslag 2006 van het Europese Hof voor de bescherming van de Rechten van de Mens (EHRM); het rapport van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OSCE) aangaande de binnenlandse berechting van oorlogsmisdrijven in Kroatië d.d. 26 april 2005; een artikel opgenomen in het tijdschrift van Human Rights Watch van oktober 2004, vol. 16, no. 7(D) aangaande de berechting van oorlogsmisdrijven in Kroatië, Bosnië en Herzegovina en Servië en Montenegro.

13. Een proces-verbaal van de behandeling van de onderhavige vordering ter openbare zitting van 21 mei 2008.

14. De pleitaantekeningen van de raadsman als overgelegd ter zitting van 21 mei 2008.

15. De schriftelijke conclusie van repliek van de officier van justitie ten behoeve van de behandeling ter zitting van 20 augustus 2008.

16. De pleitaantekeningen houdende de conclusie van dupliek van de raadsman als overgelegd ter zitting van 20 augustus 2008.

Op 21 mei 2008 is de zaak ter openbare zitting behandeld. Op deze zitting is de zaak aangehouden om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen (schriftelijk) te repliceren op de door de raadsman aangevoerde punten. Op die zitting zijn gehoord de officier van justitie, de opgeëiste persoon en diens raadsman mr. M. Pestman, advocaat te Amsterdam.

Op de openbare zitting van 20 augustus 2008 zijn de officier van justitie, de opgeëiste persoon en diens raadsman mr. M. Pestman, gehoord.

BEOORDELING

Op het verzoek tot uitlevering zijn van toepassing de Uitleveringswet, het Europees Verdrag betreffende Uitlevering (EUV) en het Tweede Aanvullende Protocol bij het Europees Verdrag betreffende Uitlevering.

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon op de zitting onderzocht en vastgesteld dat van degene die voor de rechtbank is verschenen de uitlevering is verzocht.

De officier van justitie heeft ter zitting gepersisteerd bij de vordering als voormeld.

Genoegzaamheid van de stukken

De raadsman van de opgeëiste persoon heeft ter zitting aangevoerd dat de uitlevering ontoelaatbaar dient te worden verklaard nu de overgelegde stukken niet voldoen aan de vereisten; met name is niet bij het verzoek overgelegd een origineel afschrift van het vonnis op basis waarvan uitlevering (ter executie) word verzocht, noch een origineel afschrift van het internationaal bevel tot aanhouding.

De officier van justitie heeft te kennen gegeven dat het Openbaar Ministerie niet in staat is om op dit moment een origineel internationaal bevel tot aanhouding dan wel een gewaarmerkt afschrift van het vonnis over te leggen.

De rechtbank overweegt terzake dat op grond van het bepaalde in artikel 18 derde lid, van de Uitleveringswet, alsmede op grond van het bepaalde in artikel 12 van het EUV, een uitleveringsverzoek slechts in overweging kan worden genomen als het vergezeld gaat van een origineel of een authentiek afschrift hetzij van het voor tenuitvoerlegging vatbare vonnis hetzij van het internationaal bevel van aanhouding. Wanneer het verzoek niet van dergelijke stukken vergezeld gaat dient de rechtbank op grond van het bepaalde in artikel 28, tweede lid, van de Uitleveringswet, de uitlevering ontoelaatbaar te verklaren.

De bij het verzoek overgelegde stukken betreffen telkens kopieën, zoals hierboven aangegeven. De stukken voldoen derhalve niet aan de voornoemde vereisten.

De rechtbank is van oordeel dat de uitlevering reeds hierom ontoelaatbaar dient te worden verklaard.

Voor zover de inhoud van het overgelegde kopievonnis overeenstemt met de inhoud van het originele vonnis overweegt de rechtbank nog het navolgende.

Dubbele strafbaarheid

De uitlevering dient naar het oordeel van de rechtbank tevens ontoelaatbaar dient te worden verklaard nu niet wordt voldaan aan het vereiste van dubbele strafbaarheid. De rechtbank overweegt terzake het navolgende.

Artikel 5 van de Uitleveringswet en artikel 2 van het EUV bepalen dat uitlevering alleen kan worden toegestaan ten behoeve van de berechting of executie van een veroordeling terzake van een feit waarvoor zowel naar het recht van de verzoekende Staat als naar dat van Nederland een straf kan worden opgelegd.

Bij de beoordeling van de vraag of de feiten waarvoor de opgeëiste persoon in Kroatië is veroordeeld naar Nederlands recht strafbaar zijn, dient de rechtbank aan te sluiten bij de feiten zoals deze door de rechtbank in Vukovar zijn vastgesteld, voor zover deze blijken uit het kopievonnis van 10 december 2004.

In het genoemde kopievonnis van de rechtbank in Vukovar is bij de berechting van de opgeëiste persoon uitgegaan van de volgende feiten, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven:

In de periode van 1992 tot en medio mei 1995 werd Bapska bezet door het Joegoslavische Volksleger. De opgeëiste persoon was tegen het eind van deze periode voorzitter van de stadsdeelraad Bapska. Er was toen, daar, sprake van een niet-internationaal gewapend conflict, waarbij het Joegoslavische Volksleger partij was.

De opgeëiste persoon heeft (tezamen met een ander) tegen alle mannen die behoorden tot de Kroatische bevolkingsgroep die dwangarbeid verrichtten in Apševci gezegd dat zij onmiddellijk naar Šid moesten gaan, dan wel heeft hij hen gedwongen weg te gaan. Daarbij is deze mannen gezegd dat hun vrouwen achter hen aan zouden komen wanneer ze zouden ondertekenen dat ze hun hele vermogen achter zouden laten aan de machthebbers van Krajina. Ook is verdachte met geweld in het huis van [Slachtoffer 1] getrokken.

Als strafverminderende omstandigheid heeft de rechtbank te Vukovar daarbij overwogen dat de opgeëiste persoon als voorzitter van de deelraad Bapska de Kroatische bevolking heeft beschermd tegen ergere gevolgen en tegen erger maltraiteren.

Uitgaande van deze feiten overweegt de rechtbank als volgt.

Nu de rechtbank te Vukovar heeft vastgesteld dat er ten tijde van het plegen van de delicten waarvoor de opgeëiste persoon in Kroatië is veroordeeld, sprake was van een niet-internationaal gewapend conflict, moet voor de strafbaarstelling van de genoemde gedragingen toepassing worden gegeven aan de Wet Internationale Misdrijven (WIM). Artikelen 6 en 7 van de WIM stellen specifieke gedragingen gepleegd in een situatie van een niet-internationaal gewapend conflict strafbaar.

Volgens de officier van justitie vallen de gedragingen zoals deze door de rechtbank in Vukovar zijn benoemd, in Nederland onder de strafbepaling van artikel 6, derde lid, onder e, van de WIM en dienen te worden gekwalificeerd als plundering.

De rechtbank kan de officier van justitie daarin niet volgen, nu volgens het vonnis van de rechtbank Vukovar slechts vaststaat dat de opgeëiste persoon - met geweld - in een woning van een ander is getrokken. Dit enkele feit is niet voldoende om te stellen dat sprake is van plundering als bedoeld in de WIM nu er geen sprake is van een nadere onderbouwing van dit feit.

De rechtbank kan ook het feit dat de opgeëiste persoon een groep Kroatische mannen heeft gezegd dan wel gedwongen om naar Šid te gaan, niet brengen onder de strafbepaling van artikel 6 van de WIM. Weliswaar stelt artikel 6, derde lid, onder i van de WIM het opdracht geven tot de verplaatsing van de burgerbevolking om redenen verband houdende met het conflict strafbaar, maar op basis van de genoemde feiten als door de rechtbank van Vukovar vastgesteld, valt niet uit te sluiten dat de opgeëiste persoon dit heeft gedaan in verband met de veiligheid van deze personen dan wel dat dit vereist was in verband met dringende omstandigheden van het conflict, welke beweegredenen aan strafbaarstelling van de gedragingen van de opgeëiste persoon in de weg staan.

De rechtbank is tot slot van oordeel dat de feiten als vastgesteld door de rechtbank te Vukovar niet voldoende specifiek zijn om te kunnen stellen dat sprake is van enige gedraging welke valt te brengen onder het bepaalde in artikel 7 van de WIM. Ook valt het feitencomplex naar het oordeel van de rechtbank niet onder een commune delictsomschrijving.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de gedragingen waarvoor de opgeëiste persoon door de rechtbank te Vukovar is veroordeeld, in Nederland niet zijn te brengen onder enige van toepassing zijnde strafbepaling, waardoor niet wordt voldaan aan het vereiste van dubbele strafbaarheid als bedoeld in artikel 5 van de Uitleveringswet en artikel 2 van het EUV.

Nu de rechtbank tot dit oordeel is gekomen, behoeven de overige, door de raadsman opgeworpen verweren, geen bespreking meer.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart ontoelaatbaar de uitlevering van:

[Opgeëiste persoon],

geboren op [Geboortedatum en -plaats] (voormalig Joegoslavië),

aan de Republiek Kroatië.

Deze uitspraak is aldus gedaan door mr. A.F. Gerding, voorzitter, mr. L.M.E. Kiezebrink en mr. P.H.M. Smeets, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.H.S. Kroeze als griffier en in het openbaar uitgesproken op 3 september 2008.