Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2008:BE9771

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
18-08-2008
Datum publicatie
03-09-2008
Zaaknummer
AWB 08/394
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroep op het gelijkheidsbeginsel in tweede instantie afgewezen. Thans voldoende onderbouwd

waarom de eigenaar van de oliebollenkraam bij vergunningverlening terzake een standplaats anders

behandeld is dan die van de hotdogkraam. Geen vergelijkbaar geval.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

Procedurenummer: AWB 08/394

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 augustus 2008 op grond van afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in het geding tussen

[eiser],

wonende te Sneek,

eiser,

gemachtigde: mr. H.C.L. Crozier, advocaat te Harlingen,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Sneek,

verweerder,

gemachtigden: mr. R. Grijpstra en A. Mulder, beiden werkzaam bij verweerders gemeente.

Procesverloop

Bij brief van 9 januari 2008 heeft verweerder eiser mededeling gedaan van zijn besluit op bezwaar betreffende de verlening van een standplaatsvergunning voor een hotdogkraam.

Tegen dit besluit heeft eiser beroep ingesteld.

De zaak is behandeld ter zitting van de rechtbank, gehouden op 24 juni 2008. Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

Motivering

Sinds een aantal jaren neemt eiser met een mobiele verkoopkraam een standplaats in aan de Leeuwenburg te Sneek van waaruit hij hotdogs verkoopt. Verweerder heeft hem hiervoor jaarlijks een standplaatsvergunning verleend.

Bij besluit van 2 november 2006 heeft verweerder aan eiser wederom een standplaatsvergunning verleend. Deze vergunning geldt voor de periode van 1 januari 2007 tot en met 31 december 2007. Daaraan heeft verweerder als (nieuwe) voorwaarde verbonden dat de standplaats iedere dag na afloop van de werkzaamheden dient te worden ontruimd.

Het tegen dit besluit door eiser ingediende bezwaarschrift heeft verweerder bij besluit van 29 januari 2007 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 31 oktober 2007 (registratienummer 07/477) heeft deze rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit van 29 januari 2007 gegrond verklaard en dit besluit vernietigd wegens het ontbreken van een deugdelijke motivering. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat verweerder er onvoldoende in is geslaagd om eisers beroep op het gelijkheidsbeginsel terzake een oliebollenkraam te weerleggen.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder opnieuw op het bezwaar van eiser beslist en het bezwaar wederom ongegrond verklaard.

De rechtbank overweegt als volgt.

Op grond van art. 3.1 lid 1 aanhef en onder a van de Markt- en standplaatsenverordening Sneek 1999 (de Verordening) -voor zover hier van belang- is het verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders op of aan de weg met een kraam een standplaats in te nemen teneinde in de uitoefening van de handel goederen te koop aan te bieden.

Ingevolge art. 1.5 lid 2 van de Verordening kunnen burgemeester en wethouders voorschriften en beperkingen verbinden aan een krachtens deze verordening verleende vergunning of ontheffing, ter bescherming van de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is verleend.

De rechtbank stelt allereerst vast dat verweerder aan eiser een standplaatsvergunning heeft verleend voor het uitoefenen van de verkoop van hotdogs en aanverwante artikelen gedurende bepaalde uren per week en daaraan (onder meer) de voorwaarde heeft verbonden dat de kraam elke dag na sluitingstijd dient te worden verwijderd. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of verweerder deze voorwaarde in redelijkheid aan de vergunning heeft kunnen verbinden.

Dienaangaande stelt de rechtbank op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting vast dat het gemeentelijk beleid met betrekking tot standplaatsen is neergelegd in de Notitie straathandel 2005, die op 20 december 2005 is vastgesteld. In deze notitie zijn (onder meer) de locaties opgenomen waar standplaats kan worden ingenomen en de tijden waarop dat mag. Op grond van dit beleid is het vaste praktijk dat in een standplaatsvergunning in een voorschrift de tijden worden opgenomen waarvoor die vergunning geldt en dat tevens -ter verduidelijking van dit voorschrift- de voorwaarde wordt gesteld dat de standplaats elke dag na sluitingstijd moet worden ontruimd. Achtergrond hiervan is te voorkomen dat de standplaats verwordt tot een permanent winkeltje. Deze bestaande praktijk komt de rechtbank op zichzelf niet onjuist of onredelijk voor. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder in beginsel de gewraakte voorwaarde in redelijkheid aan een standplaatsvergunning kan verbinden.

De rechtbank acht niet gebleken van omstandigheden op grond waarvan verweerder in dit geval de gewraakte voorwaarde niet had mogen stellen. Het door eiser gedane beroep op het gelijkheidsbeginsel treft in tweede instantie geen doel. Verweerder heeft thans voldoende onderbouwd dat het geval van de oliebollenkraam, waaraan door verweerder een standplaatsvergunning is verleend zonder de gewraakte voorwaarde, niet vergelijkbaar is met het geval van eiser. Reeds omdat de oliebollenkraam een standplaatsvergunning voor onbepaalde tijd heeft gekregen onder de gelding van het vorige beleidsregime waarin -anders dan in het huidige beleid- niets is opgenomen over de tijden waarop een standplaats mag worden ingenomen, is dit geval niet op één lijn te stellen met dat van eiser. Voorts is nog een relevant verschil dat de oliebollenkraam een tijdelijke seizoensgebonden standplaats is, in die zin dat de standplaats na de winterperiode wordt ontruimd. Het risico van het ontstaan van een permanent bouwwerk, ter voorkoming waarvan de gewraakte voorwaarde wordt gesteld, is daarom - anders dan bij eiser - nihil, dan wel veel kleiner.

Op grond van het vorenstaande komt de rechtbank tot de slotsom dat het beroep ongegrond moet worden verklaard.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. E. de Witt, rechter, en door deze in het openbaar uitgesproken op 18 augustus 2008, in tegenwoordigheid van mr. T. Hoekstra als griffier.

w.g. T. Hoekstra

w.g. E. de Witt

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat voor partijen hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in art. 6:13 juncto 6:24 Awb.

Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan:

de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Postbus 20019

2500 EA Den Haag

In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.