Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2008:BE9627

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
18-08-2008
Datum publicatie
02-09-2008
Zaaknummer
AWB 08/471
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aanvraag huishoudelijke hulp; WMO. Echtgenoot van aanvrager moet aangemerkt worden als mantelzorger.

Dat hij voor de door hem verleende zorg (deels) een pgb ontvangt, maakt dit niet anders. Ten onrechte is door verweerder niet

onderzocht of sprake is van overbelasting bij de echtgenoot.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

Procedurenummer: AWB 08/471

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 augustus 2008 op grond van afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in het geding tussen

[eiseres],

wonende te Sneek,

eiseres,

gemachtigde: A. Kuiper,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Sneek,

verweerder,

gemachtigde: H. Westra, werkzaam bij verweerders gemeente.

Procesverloop

Bij brief van 15 januari 2008 heeft verweerder eiseres mededeling gedaan van zijn besluit op bezwaar betreffende de toepassing van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo).

Tegen dit besluit heeft eiseres beroep ingesteld.

De zaak is behandeld ter zitting van de rechtbank, gehouden op 24 juni 2008. Eiseres heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

Motivering

Bij brief van 14 augustus 2007 heeft eiseres een aanvraag ingediend om in aanmerking te komen voor hulp bij het huishouden op grond van de Wmo.

Bij besluit van 27 augustus 2007 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. Hieraan heeft verweerder ten grondslag gelegd dat de echtgenoot van eiseres in staat wordt geacht het huishoudelijk werk te verrichten. Verweerder heeft dit besluit gebaseerd op het advies van het Centrum Indicatiestelling Zorg (hierna: CIZ) van 23 augustus 2007.

Het door eiseres tegen dit besluit ingediende bezwaarschrift is bij het bestreden besluit ongegrond verklaard.

Eiseres heeft in beroep aangevoerd dat de indicatie niet zorgvuldig tot stand is gekomen. Voorts heeft eiseres aangevoerd dat haar echtgenoot al 24 uur per dag belast is met haar persoonlijke verzorging en verpleging en dat voor hem door het niet toekennen van huishoudelijke hulp overbelasting dreigt. Zij verwijst in dit verband naar een verklaring van de huisarts van 15 februari 2008.

De rechtbank overweegt als volgt.

Ingevolge art. 1 lid 1, onder g, onderdeel 6°, Wmo wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen verstaan onder maatschappelijke ondersteuning: het verlenen van voorzieningen aan mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem en aan mensen met een psychosociaal probleem ten behoeve van het behouden en het bevorderen van hun zelfstandig functioneren of hun deelname aan het maatschappelijke verkeer.

Art. 4 lid 1, aanhef en onder a Wmo bepaalt - voor zover hier van belang - dat ter compensatie van de beperkingen die een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 6°, ondervindt in zijn zelfredzaamheid en zijn maatschappelijke participatie, het college van burgemeester en wethouders voorzieningen op het gebied van maatschappelijke ondersteuning treft die hem in staat stellen een huishouden te voeren. Ingevolge het tweede lid houdt het college van burgemeester en wethouders bij het bepalen van de voorzieningen rekening met de persoonskenmerken en behoeften van de aanvrager van de voorzieningen, alsmede met de capaciteit van de aanvrager om uit een oogpunt van kosten zelf in maatregelen te voorzien.

Ingevolge art. 5 lid 1 Wmo stelt de gemeenteraad met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens deze wet bij verordening regels vast over de door het college van burgemeester en wethouders te verlenen individuele voorzieningen en de voorwaarden waaronder personen die aanspraak hebben op dergelijke voorzieningen recht hebben op het ontvangen van die voorziening in natura, het ontvangen van een financiële tegemoetkoming of een persoonsgebonden budget.

De in art. 5 lid 1 Wmo bedoelde regels zijn neergelegd in de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Sneek (hierna: Verordening).

Ingevolge art. 9 van de Verordening komt een persoon als bedoeld in art. 1, eerste lid, onder g, onderdeel 6º van de wet niet in aanmerking voor hulp bij het huishouden als tot de leefeenheid waar deze persoon deel van uitmaakt een of meer huisgenoten behoren die wel in staat zijn het huishoudelijk werk te verrichten. Dit wordt aangemerkt als gebruikelijke zorg.

Ingevolge art. 37 van de Verordening kan het college in bijzondere gevallen ten gunste van de aanvrager afwijken van de bepalingen van deze verordening, indien toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.

Verweerder heeft het begrip gebruikelijke zorg als bedoeld in art. 9 van de Verordening uitgewerkt in de Beleidsregels voorzieningen maatschappelijke ondersteuning. Gebruikelijke zorg wordt daarin onder 3.3 gedefinieerd als de situatie dat indien de hulpvrager huisgenoten heeft die het huishoudelijk werk over kunnen nemen, zij verondersteld worden dit door een herverdeling van taken te doen. Dit principe heeft een verplichtend karakter en betreft alle huisgenoten ouder dan 18 jaar. Verder wordt in de Beleidsregels voor de nadere definiëring en normering van het begrip gebruikelijke zorg verwezen naar het Protocol Gebruikelijke Zorg en het Protocol Indicatiestelling voor Huishoudelijke Verzorging van het CIZ.

In het Protocol Gebruikelijke Zorg is in paragraaf 3.2 onder meer vermeld dat een indicatiesteller altijd moet onderzoeken of een leefeenheid, gegeven de voor die leefeenheid geldende gebruikelijke zorg, door de (chronische) uitval van een gezinslid niet alsnog onevenredig belast wordt en overbelasting dreigt. In geval de leden van een leefeenheid overbelast dreigen te raken door de combinatie van werk en verzorging van de zieke partner/huisgenoot, kan een indicatie worden gesteld op de onderdelen die normaliter tot de gebruikelijke zorg worden gerekend.

De rechtbank acht de hiervoor weergegeven bepalingen uit de Verordening en de invulling daarvan in de Beleidsregels niet in strijd met enig geschreven of ongeschreven rechtsregel of enig algemeen rechtsbeginsel.

Niet in geschil is dat eiseres beperkingen ondervindt ten aanzien van het verrichten van huishoudelijke werkzaamheden. Voorts is niet in geschil dat de echtgenoot van eiseres gezond is. Daarom mag hij in beginsel in staat worden geacht het huishouden, als zijnde gebruikelijke zorg, te doen.

De rechtbank stelt voorop dat op grond van paragraaf 3.2 van het Protocol Gebruikelijke Zorg de indicatiesteller altijd moet onderzoeken of in een individuele situatie moet worden afgeweken van het uitgangspunt dat van de leefeenheid wordt verwacht dat de huishoudelijke taken van de zorgaanvrager worden overgenomen door de huisgenoten. Eén van de redenen om af te wijken kan zijn dat degene van wie verwacht wordt dat hij taken overneemt, overbelast dreigt te worden. Factoren die van invloed kunnen zijn op mogelijke overbelasting zijn, zo blijkt uit de bij het Protocol Gebruikelijke Zorg behorende bijlage 1, de omvang van de door een bepaald persoon verleende mantelzorg en de (lange) duur van de hulpsituatie.

De rechtbank stelt op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting vast dat de echtgenoot van eiseres als een mantelzorger als bedoeld in art. 1 aanhef onder b Wmo kan worden aangemerkt. Hij verzorgt eiseres al jarenlang 24 uur per dag. De aard van de ziekte van eiseres brengt met zich mee dat zij deze zorg zal blijven behoeven. Hiermee is sprake van langdurige zorg die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden door een persoon uit de directe omgeving van eiseres, waarbij de zorgverlening rechtstreeks voortvloeit uit de sociale relatie en de gebruikelijke zorg van huisgenoten voor elkaar overstijgt. Het feit dat de verleende zorg (deels) AWBZ-geïndiceerde zorg betreft waarvoor eiseres een persoonsgebonden budget (pgb) ontvangt, maakt dit niet anders. De rechtbank vermag niet in te zien dat dit aspect, zoals verweerder betoogt, afdoet aan het vrijwillige karakter van de zorg. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat noch in de Wmo, noch in de Verordening of Beleidsregels aanknopingspunten te vinden zijn voor dit standpunt. Verder verwijst de rechtbank naar de parlementaire geschiedenis van de Wmo (onder meer EK 2005-2006, 30 131, C, p. 5, Memorie van antwoord) waarin uitdrukkelijk is aangegeven dat het in principe mogelijk is om met behulp van het pgb een mantelzorger te betalen. Bovendien is van de zijde van eiseres ter zitting onweersproken gesteld dat het pgb slechts toereikend is voor circa 3 uur per dag, terwijl haar echtgenoot haar 24 uur per dag verzorgt.

De rechtbank stelt verder vast het CIZ niet heeft onderzocht of sprake is van overbelasting bij de echtgenoot van eiseres. Het betoog van verweerder dat een dergelijk onderzoek niet nodig is, aangezien de echtgenoot van eiseres overbelasting kan voorkomen door de AWBZ-geïndiceerde zorg, waarvoor een pgb wordt verstrekt, te laten vervullen door een derde, treft geen doel. Daartoe overweegt de rechtbank dat één van de basisprincipes van de Wmo de cliëntsoevereiniteit is. Het is een vrije keus van eiseres om haar zorgbehoefte naar eigen inzichten in te vullen. Haar kan derhalve niet het recht worden ontzegd om de uitvoering van een pgb te laten verzorgen door haar echtgenoot. In het verlengde daarvan kan eiseres niet verplicht worden het haar toegekende pgb aan te wenden voor de inschakeling van professionele zorgverleners ter voorkoming van overbelasting bij haar echtgenoot. Verweerder moet derhalve de keuze van eiseres om haar zorg op een bepaalde wijze in te richten respecteren en mag haar niet tegenwerpen dat haar echtgenoot daardoor overbelast wordt. Verder neemt de rechtbank in aanmerking dat in de Beleidsregels en het Protocol Gebruikelijke zorg niet de voorwaarde is opgenomen dat de hulpbehoevende er eerst alles aan moet hebben gedaan om overbelasting van de huisgenoot of mantelzorger te voorkomen, alvorens er een onderzoeksplicht bestaat naar de (dreigende) overbelasting.

De rechtbank kan verweerder evenmin volgen in zijn betoog dat de huishoudelijke hulp niet voor vergoeding in aanmerking komt, omdat sprake is van een voorliggende voorziening op grond van de AWBZ. Dat eiseres bij een grotere zorgbehoefte een hoger pgb zou kunnen aanvragen voor persoonlijke verzorging en verpleging of ondersteuning kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden beschouwd als een voorliggende voorziening voor huishoudelijke hulp.

Het voorgaande brengt de rechtbank tot de slotsom dat het bestreden besluit niet op een zorgvuldige wijze tot stand is gekomen en een deugdelijke motivering ontbeert. Het beroep zal gegrond worden verklaard en het bestreden besluit zal worden vernietigd wegens strijd met de artt. 3:2 en 7:12 Awb. Verweerder zal met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen een nieuw besluit op bezwaar moeten nemen.

Gelet op het bepaalde in art. 8:74 lid 1 Awb dient verweerder het door eiseres gestorte griffierecht van € 39,00 te vergoeden.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat de gemeente Sneek het griffierecht van € 39,00 aan eiseres vergoedt.

Aldus gegeven door mr. E. de Witt, rechter, en door deze in het openbaar uitgesproken op 18 augustus 2008, in tegenwoordigheid van mr. T. Hoekstra als griffier.

w.g T. Hoekstra

w.g. E. de Witt

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat voor partijen het rechtsmiddel hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in art. 6:13 juncto 6:24 Awb.

Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan:

de Centrale Raad van Beroep

Postbus 16002

3500 DA Utrecht

In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.