Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2008:BE9552

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
06-08-2008
Datum publicatie
02-09-2008
Zaaknummer
AWB 08/393
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De gemeenteraad heeft zich ten onrechte onbevoegd verklaard tot het verlenen van vrijstelling op grond van art. 19 lid 1 WRO voor de ingebruikname van een bijgebouw tot recreatiewoning. Het college kan namelijk op grond van art. 19 lid 3 juncto art. 20 lid 1 onder e Bro geen vrijstelling verlenen voor gebruik dat slechts mogelijk is geworden door de bouw zonder bouwvergunning. Ook wordt niet voldaan aan de eis dat het aantal woningen gelijk moet blijven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

Procedurenummer: AWB 08/393

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 augustus 2008 op grond van afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in het geding tussen

[naam],

wonende te [woonplaats],

eiser,

en

de gemeenteraad van de gemeente Ameland,

verweerder,

gemachtigde: R. Korvemaker, werkzaam bij verweerders gemeente.

Procesverloop

Bij brief van 9 januari 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ameland (hierna: het college) eiser mededeling gedaan van een door verweerder genomen besluit op bezwaar van 17 december 2007 betreffende de toepassing van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) en het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 (Bro).

Tegen dit besluit heeft eiser beroep ingesteld.

De zaak is behandeld ter zitting van de rechtbank, gehouden op 5 juni 2008. Eiser is in persoon verschenen. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

Motivering

Bij brief van 1 september 2006 heeft eiser het college verzocht hem vrijstelling te verlenen van het bestemmingsplan ten behoeve van het recreatief gebruik van een vrijstaand bijgebouw bij zijn woning op het perceel [adres] te [woonplaats].

Bij besluit van 14 mei 2007 heeft verweerder geweigerd vrijstelling als bedoeld in art. 19 lid 1 WRO te verlenen ten behoeve van het recreatief gebruik van bovengenoemd bijgebouw.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 28 juni 2007 een bezwaarschrift ingediend. Verweerder heeft dit bezwaarschrift voor advies voorgelegd aan de Adviescommissie bezwaarschriften (hierna: de commissie). De commissie heeft verweerder op 31 augustus 2007 geadviseerd het besluit van 14 mei 2007 in te trekken, omdat niet hij maar het college op grond van art. 19 lid 3 WRO in samenhang met art. 20 lid 1 aanhef en onder e Bro bevoegd is tot vrijstellingverlening. Voorts heeft de commissie het college geadviseerd het bezwaarschrift van eiser ongegrond te verklaren en in heroverweging te weigeren om vrijstelling als bedoeld in art. 19 lid 3 WRO te verlenen voor het recreatief gebruik van het bijgebouw.

Bij besluit van 27 november 2007 heeft het college, onder verwijzing naar het advies van de commissie, geweigerd vrijstelling als bedoeld in art. 19 lid 3 WRO te verlenen ten behoeve van het recreatief gebruik van het onderhavige bijgebouw.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder, onder verwijzing naar het advies van de commissie, de bezwaren van eiser tegen zijn besluit van 14 mei 2007 formeel gegrond verklaard, omdat hem niet de bevoegdheid toekwam tot vrijstellingsverlening, en het besluit van 14 mei 2007 ingetrokken. Voorts heeft verweerder de bezwaren van eiser materieel ongegrond verklaard.

De rechtbank overweegt het volgende.

De rechtbank stelt voorop dat in dit geding enkel verweerders besluit van 17 december 2007 ter toetsing voorligt en niet (mede) het besluit van het college van 27 november 2007. Er bestaat geen grondslag om, zoals verweerder veronderstelt, het tegen verweerders besluit van 17 december 2007 gerichte beroep te behandelen als ware het mede gericht tegen het eerdere besluit van het college, waartegen eiser geen beroep heeft ingesteld. De artikelen 6:18 en 6:19 Awb zijn in deze situatie niet van toepassing, aangezien deze bepalingen uitsluitend betrekking hebben op gevallen waarin een nieuw besluit wordt genomen door hetzelfde bestuursorgaan. Het besluit van het college van 27 november 2007 is bovendien gestoeld op een andere wettelijke grondslag. Het besluit van het college van 27 november 2007 kan naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet anders dan als een (nieuw) primair besluit worden gekwalificeerd.

Voorts stelt de rechtbank vast dat verweerder bij het bestreden besluit de bezwaren van eiser formeel gegrond heeft verklaard en zijn weigering van 14 mei 2007 om aan eiser vrijstelling te verlenen op grond van art. 19 lid 1 WRO wegens onbevoegdheid heeft ingetrokken. Daarnaast heeft verweerder de bezwaren van eiser materieel ongegrond verklaard. Aan deze ongegrondverklaring kan evenwel in dit geval geen betekenis worden toegekend, omdat verweerder als onbevoegd orgaan niet meer aan een inhoudelijke beoordeling van de door eiser ingebrachte bezwaren kon toekomen.

De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of verweerder zich terecht onbevoegd heeft verklaard tot het verlenen van vrijstelling op grond van art. 19 lid 1 WRO ten behoeve van het recreatief gebruik van het onderhavige bijgebouw. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe het volgende.

Op het perceel waarop zich het bijgebouw bevindt, rust ingevolge het bestemmingsplan "Nes" de bestemming "woondoeleinden". De als zodanig aangewezen gronden zijn (onder meer) bestemd voor woonhuizen, al dan niet in combinatie met ruimte voor een aan-huis-verbonden beroep, mede daaronder verstaan het bieden van huisvesting aan seizoenpersoneel. Ingevolge art. 5 lid E onder 1 van planvoorschriften wordt in ieder geval tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, gerekend het gebruik van vrijstaande bijgebouwen als woning en tevens als recreatiewoning.

Op grond van art. 19 lid 1 WRO kan de gemeenteraad, behoudens het gestelde in het tweede en derde lid, ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen, dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben.

Ingevolge art. 19 lid 3 WRO kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in bij algemene maatregel van bestuur aan te geven gevallen. De in deze bepaling bedoelde algemene maatregel van bestuur is het Bro.

In art. 20 lid 1, aanhef en onder e Bro is bepaald dat voor toepassing van artikel 19, derde lid, van de wet in aanmerking komt een wijziging in het gebruik van opstallen in de bebouwde kom, mits het aantal woningen gelijk blijft en het gebruik niet meer omvat dan een bruto-oppervlakte van 1500 m².

Naar vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS), bijvoorbeeld de uitspraak van 21 januari 2004 (LJN AO1988), valt uit de tekst van art. 19 lid 1 WRO en de wetsgeschiedenis van dit artikel af te leiden dat als op grond van het tweede of derde lid van dat artikel vrijstelling kan worden verleend, vrijstelling uit hoofde van het eerste lid niet aan de orde is.

De rechtbank is van oordeel dat het college in dit geval niet bevoegd is tot vrijstellingverlening op grond van art. 19 lid 3 WRO. Daartoe overweegt de rechtbank dat naar vaste rechtspraak van de AbRS, bijvoorbeeld de uitspraak van 12 juli 2006 (LJN AY3663), de bevoegdheid tot het verlenen van vrijstelling krachtens art. 19 lid 3 WRO in samenhang met art. 20 lid 1, aanhef en onder e, Bro, niet kan worden aangewend voor het oprichten van bebouwing waarvan het gebruik in strijd is met het bestemmingsplan. In het onderhavige geval zijn ten behoeve van de recreatiewoning (onder meer) tussenmuren geplaatst. Hiermee zijn aan het bijgebouw bouwvergunningplichtige werkzaamheden verricht ten behoeve van het gebruik als recreatiewoning. Nu voor voornoemde bouwwerkzaamheden geen bouwvergunning is aangevraagd of verleend kan naar het oordeel van de rechtbank geen vrijstelling worden verleend voor gebruik, dat slechts mogelijk is geworden door de bouw zonder bouwvergunning. Daarnaast wordt niet voldaan aan de in art. 20 lid 1, aanhef en onder e Bro gestelde eis dat het aantal woningen gelijk dient te blijven. Met de ingebruikname van het bijgebouw tot recreatiewoning wordt niet aan deze eis voldaan.

Uit het voorgaande volgt dat verweerder wel de bevoegdheid toekwam om op grond van art. 19 lid 1 WRO vrijstelling te verlenen ten behoeve van het recreatief gebruik van het onderhavige bijgebouw.

De rechtbank komt dan ook tot de slotsom dat het beroep gegrond moet worden verklaard en dat het bestreden besluit moet worden vernietigd. Verweerder dient een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is bepaald.

Gelet op het bovenstaande en op het bepaalde in art. 8:74 lid 1 Awb dient de gemeente Ameland het door eiser gestorte griffierecht van € 143,00 te vergoeden.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat de gemeente Ameland het griffierecht van € 143,00 aan eiser vergoed.

Aldus gegeven door mr. E.M. Visser, rechter, en door deze in het openbaar uitgesproken op 6 augustus 2008, in tegenwoordigheid van T. Hoekstra als griffier.

w.g. T. Hoekstra

w.g. E.M. Visser

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat voor partijen hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in art. 6:13 juncto 6:24 Awb.

Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan:

de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Postbus 20019

2500 EA Den Haag

In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.