Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2008:BE9356

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
18-08-2008
Datum publicatie
27-08-2008
Zaaknummer
AWB 07/3066
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:CRVB:2009:BK8742
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

verwijtbare werkloosheid - geknipte besluitvorming

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

Procedurenummer: AWB 07/3066

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 augustus 2008 op grond van afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in het geding tussen

[eiseres], wonende te Drachten, eiseres,

gemachtigde: mr. A. van den Os, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand te Leusden,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv),

verweerder,

gemachtigde: mr. C. van den Berg, werkzaam bij het Uwv te Groningen.

Procesverloop

Bij brief van 29 oktober 2007 heeft verweerder eiseres mededeling gedaan van zijn nieuwe besluit op bezwaar betreffende de toepassing van de Werkloosheidswet (WW).

Tegen dit besluit heeft eiseres beroep ingesteld.

Met toepassing van artikel 8:26, eerst lid, van de Awb is Stichting Sportbedrijf Smallingerland (hierna: de werkgever) door de rechtbank in de gelegenheid gesteld als partij aan het geding deel te nemen. Zij heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt en door haar is een schriftelijke uiteenzetting over de zaak gegeven.

De zaak is behandeld ter zitting van de rechtbank, gehouden op 17 juli 2008. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Namens verweerder is voornoemde gemachtigde verschenen. Namens de werkgever is haar gemachtigde, mr. J.M. Frons, advocaat te Groningen, verschenen.

Motivering

Eiseres was sinds 1 januari 1998 als medewerker receptie werkzaam in dienst van de werkgever. Tot 1 januari 2005 was zij werkzaam op basis van een arbeidsovereenkomst van minimaal 4,7 en maximaal zeventien uren per week en ontving zij in de periode van dertien weken voorafgaand aan 1 januari 2005 loon alsof zij veertien uren per week werkte. Op

17 april 2002 is eiseres uitgevallen van haar werk. Na een ziekteperiode van twee jaren heeft de werkgever de arbeidsovereenkomst met eiseres opgezegd per 17 april 2004.

Bij besluit van 19 juli 2006 heeft verweerder eiseres per 19 april 2004 een WW-uitkering toegekend, gebaseerd op een arbeidspatroon van gemiddeld veertien uren per week.

Nadat eiseres haar ontslag met succes had aangevochten bij de kantonrechter, heeft de werkgever de ontslagaanvraag ingetrokken en de loonbetaling met terugwerkende kracht voortgezet vanaf 17 april 2004. Met ingang van 1 januari 2005 heeft eiseres haar werkzaamheden bij de werkgever hervat voor acht uren per week.

Bij besluit van 16 november 2006 heeft verweerder het bezwaar van de werkgever tegen het besluit van 19 juli 2006 gegrond verklaard. Dit besluit is gebaseerd op de overwegingen dat eiseres in de periode van 19 april 2004 tot en met 31 december 2004 niet werkloos was, omdat zij in die periode recht had op onverminderde doorbetaling van haar loon, en dat zij ook op 1 januari 2005 niet (gedeeltelijk) werkloos is geworden, omdat zij zich vanaf die datum voor niet meer dan acht uren per week beschikbaar heeft gesteld voor arbeid.

Bij uitspraak van 25 april 2007 heeft deze rechtbank het beroep van eiseres tegen het besluit van 16 november 2006 gegrond verklaard en het besluit vernietigd voor zover het betrekking heeft op de periode vanaf 1 januari 2005. De rechtbank oordeelde dat dient te worden aangenomen dat eiseres bereid was per 1 januari 2005 voor meer dan acht uren per week arbeid te aanvaarden.

Bij besluit van 29 oktober 2007 heeft verweerder het bezwaar van de werkgever opnieuw gegrond verklaard. Ditmaal op grond van de overweging dat eiseres per 1 januari 2005 verwijtbaar werkloos is geworden. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiseres haar contract vanaf 1 januari 2005 op eigen verzoek terug heeft laten brengen naar maximaal acht uren per week.

Bij besluit van 6 februari 2008 heeft verweerder eiseres, voor zover in deze zaak van belang, meegedeeld dat haar WW-uitkering over de periode vanaf 1 januari 2005 niet wordt herzien. Dit besluit berust op de overweging dat een intrekking of verlaging van de WW-uitkering die voortvloeit uit een door de werkgever gemaakt bezwaar - zoals in deze zaak het geval is - ingevolge artikel 23, eerste lid, van de WW niet eerder mag plaatsvinden dan met ingang van de dag volgend op die waarop de beslissing op bezwaar is bekendgemaakt, te weten

29 oktober 2007. Voorts overweegt verweerder dat de vaststelling, dat eiseres per 1 januari 2005 verwijtbaar werkloos is, geen financiële gevolgen heeft, omdat de betaling van de WW-uitkering van eiseres reeds voor 29 oktober 2007 is beëindigd.

In beroep heeft eiseres aangevoerd dat zij de werkgever niet heeft verzocht haar arbeidsduur te verkorten tot acht uren per week. Volgens eiseres blijkt uit de stukken dat zij zestien uren per week wilde werken en blijkt uit de uitspraak van deze rechtbank van 19 april 2007 dat ook de rechtbank ervan uitgaat dat eiseres zestien uren per week wilde werken, maar dat de werkgever haar niet meer dan acht uren kon of wilde bieden. Nu geen van de partijen tegen deze uitspraak in beroep is gegaan, is dit in rechte vast komen te staan. Voorts heeft eiseres aangevoerd dat de gegrondverklaring van het bezwaar van werkgever er ingevolge artikel 22b, eerste lid (oud), van de WW niet toe mag leiden dat verweerder haar met terugwerkende kracht een WW-uitkering weigert. Daarnaast heeft verweerder volgens eiseres ten onrechte niet beoordeeld of er al dan niet sprake is van verminderde verwijtbaarheid.

In de eerste plaats overweegt de rechtbank ambtshalve het volgende. Verweerder heeft de besluitvorming naar aanleiding van het door de werkgever tegen het besluit van 19 juli 2006 gemaakte bezwaar, in strijd met hetgeen artikel 7:11 van de Awb vereist, gesplitst. Bij het besluit van 29 oktober 2007 heeft verweerder het bezwaar gegrond verklaard en vastgesteld dat eiseres verwijtbaar werkloos is en bij het besluit van 6 februari 2008 heeft verweerder besloten de WW-uitkering van eiseres over de periode vanaf 1 januari 2005 niet te herzien, wegens het bepaalde in artikel 23, eerste lid, van de WW en het feit dat de betaling van de WW-uitkering van eiseres reeds voor 29 oktober 2007 is beëindigd. Van een voltooide besluitvorming in bezwaar was derhalve eerst sprake nadat verweerder het besluit van

6 februari 2008 had genomen. De besluiten van 29 oktober 2007 en 6 februari 2008 vormen samen de beslissing op bezwaar tegen het besluit van 23 augustus 2002. Daarom zal de rechtbank het besluit van 6 februari 2008 in dit beroep betrekken voor zover dit besluit betrekking heeft op de periode vanaf 1 januari 2005.

Ten aanzien van de werkloosheid van eiseres overweegt de rechtbank het volgende. Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres met ingang van 1 januari 2005 acht uren per week is gaan werken, terwijl zij voordien gemiddeld tenminste veertien uren per week werkte. Ook is niet langer in geschil dat eiseres daardoor met ingang van 1 januari 2005 gedeeltelijk werkloos is geworden. Het geschil beperkt zich thans tot de vraag of eiseres met ingang van 1 januari 2005 verwijtbaar werkloos is geworden in de zin van artikel 24, tweede lid, aanhef en onder b, van de WW. Ten tijde in deze zaak van belang bepaalde artikel 24, tweede lid, aanhef en onder b, van de WW dat de werknemer verwijtbaar werkloos is geworden indien de dienstbetrekking eindigt of is beëindigd zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren zijn verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem zou kunnen worden gevergd.

De rechtbank is met verweerder en de werkgever van oordeel dat eiseres met ingang van

1 januari 2008 verwijtbaar werkloos is geworden. Uit de stukken leidt de rechtbank af dat eiseres weliswaar in eerste instantie vanaf 1 januari 2005 zestien uren per week wilde werken voor de werkgever, maar dat zij er uiteindelijk mee heeft ingestemd acht uren per week te gaan werken volgens een min of meer vast rooster. De rechtbank leidt dit met name af uit de verslagen van de gesprekken van 15 november 2004 en 2 december 2004, de brief van de werkgever aan eiseres van 27 januari 2007 (inhoudende een aanvulling op haar arbeidsovereenkomst) en de verklaring van D. [naam] van 14 mei 2007. Eiseres heeft weliswaar aangegeven dat zij de genoemde verslagen en de aanvulling op de arbeidsovereenkomst niet voor akkoord heeft getekend en dat deze geen juiste weergave geven van hetgeen tussen haar en de werkgever is afgesproken, maar zij heeft niet aannemelijk gemaakt dat de inhoud van deze stukken onjuist is. Zij heeft met name geen stukken in het geding gebracht waaruit dit zou kunnen blijken. Eiseres heeft aangevoerd dat [naam] in zijn verklaring een onjuiste weergave heeft gegeven van het gesprek van

15 november 2004, dan wel dat S. [naam] haar wensen onjuist heeft overgebracht. Ook dit heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt. Daarbij acht de rechtbank onder meer van belang dat eiseres blijkens het verslag bij dit gesprek aanwezig is geweest, zodat het onwaarschijnlijk is dat [naam] haar wensen onjuist heeft weergegeven. Voorts acht de rechtbank van belang dat eiseres met ingang van 1 januari 2005 daadwerkelijk acht uren per week is gaan werken zonder dat uit enig stuk blijkt dat zij zich daartegen heeft verzet.

Uit de uitspraak van de rechtbank van 25 april 2007 kan - anders dan eiseres meent - niet worden afgeleid dat de rechtbank ervan uitgaat dat eiseres zestien uren per week wilde werken, maar dat de werkgever haar niet meer dan acht uren kon of wilde bieden. De rechtbank wijst erop dat de uitspraak van 25 april 2007 betrekking heeft op de vraag of eiseres op 1 januari 2005 al dan niet voor meer dan acht uren per week beschikbaar was voor de arbeidsmarkt in zijn algemeenheid en niet op de vraag of eiseres al dan niet heeft ingestemd met een vermindering van het aantal uren dat zij voor de werkgever werkte.

Ten aanzien van het recht van eiseres op een WW-uitkering en de betaling daarvan overweegt de rechtbank het volgende.

Ter zitting heeft eiseres verklaard dat de betaling van haar uitkering is stopgezet in oktober 2006 en dat deze nadien niet is hervat. Verweerder heeft ter zitting bevestigd dat de betaling van de uitkering van eiseres is stopgezet naar aanleiding van het bezwaar van de werkgever en nadien niet is hervat en hij heeft niet bestreden dat deze stopzetting heeft plaatsgevonden in oktober 2006. De rechtbank is niet gebleken dat de stopzetting van de betaling is gebaseerd op een herziening of intrekking van het besluit tot toekenning van uitkering ingevolge artikel 22a van de WW (of enige andere wetsbepaling), noch op een blijvende weigering van de uitkering ingevolge artikel 27 van de WW. Dit betekent dat de betaling van de WW-uitkering weliswaar in oktober 2006 is stopgezet, maar dat het recht van eiseres op een WW-uitkering ook na die stopzetting is blijven bestaan.

Verweerder heeft in het besluit van 6 februari 2008 overwogen dat de uitkering van eiseres ingevolge artikel 23 van de WW niet eerder kan worden ingetrokken dan met ingang van

30 oktober 2007, zijnde de dag volgend op de bekendmaking van de beslissing op bezwaar van 29 oktober 2007. Dit valt niet te rijmen met het feit dat de betaling van de uitkering van eiseres is stopgezet in oktober 2006 en nadien niet is hervat. Voorts acht de rechtbank het - gelet op het voorgaande - onbegrijpelijk dat verweerder in het besluit van 6 februari 2008 heeft overwogen dat de vaststelling, dat eiseres per 1 januari 2005 verwijtbaar werkloos is, geen financiële gevolgen heeft, omdat de betaling van de WW-uitkering van eiseres reeds voor 29 oktober 2007 is beëindigd.

Het voorgaande brengt de rechtbank tot de conclusie dat de besluiten van 29 oktober 2007 en 6 februari 2008 (voor zover dit ziet op de periode vanaf 1 januari 2005) niet berusten op een deugdelijke motivering. Dit oordeel brengt met zich mee dat het beroep gegrond is en de voornoemde (delen van) besluiten dienen te worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb.

De rechtbank draagt verweerder op met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaarschrift van de werkgever.

Met toepassing van artikel 8:75 van de Awb veroordeelt de rechtbank verweerder in de proceskosten van eiseres. Overeenkomstig het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht bedragen de proceskosten van eiseres € 644,00 terzake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (beroepschrift één punt; verschijnen ter zitting één punt; gewicht van de zaak: gemiddeld; waarde per punt € 322,00). De rechtbank wijst het Uwv aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.

De rechtbank ziet geen aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten van de werkgever en wijst diens verzoek daartoe af.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 29 oktober 2007;

- vernietigt het besluit van 6 februari 2008 voor zover dit betrekking heeft op de periode na 1 januari 2005;

- bepaalt dat het Uwv het betaalde griffierecht van € 39,00 aan eiseres vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 644,00, aan eiseres te vergoeden door het Uwv.

Aldus gegeven door mr. E.M. Visser, rechter, en door deze in het openbaar uitgesproken op 18 augustus 2008, in tegenwoordigheid van mr. F.F. van Emst als griffier.

w.g. F.F. van Emst

w.g. E.M. Visser

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat voor partijen het rechtsmiddel hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:13 in samenhang met artikel 6:24 van de Awb.

Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan:

de Centrale Raad van Beroep

Postbus 16002

3500 DA Utrecht

In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.