Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2008:BE9193

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
26-08-2008
Datum publicatie
26-08-2008
Zaaknummer
17/880432-07 VON
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHLEE:2012:BW4782, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Straatroven, tasjesroven, geweld, opzet, zwaar lichamelijk letsel, Pieter Baan Centrum

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 14g
Wetboek van Strafrecht 36f
Wetboek van Strafrecht 45
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 310
Wetboek van Strafrecht 312
Wetboek van Strafrecht 317
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector straf

parketnummer 17/880432-07

vorderingen na voorwaardelijke veroordeling parketnummer 03/005856-03 en 17/880089-06

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 26 augustus 2008 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1985 te [geboorteplaats],

wonende te [adres],

thans gedetineerd in PI De Grittenborgh te Hoogeveen.

De rechtbank heeft gelet op het ter terechtzitting gehouden onderzoek van 12 augustus 2008.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. H.C.L. Crozier, advocaat te Sneek.

Telastelegging

Aan dit vonnis is een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van de dagvaarding gehecht, waaruit de inhoud van de telastelegging geacht moet worden hier te zijn overgenomen.

In de telastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

Vordering officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd:

- veroordeling voor het onder 1., 2., 3. primair, 4., 5. en 6. telastegelegde;

- oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 13 jaren;

- tenuitvoerlegging van de op 20 december 2005 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden;

- tenuitvoerlegging van de op 3 augustus 2006 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden;

- hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] tot een bedrag van € 1.900,00 met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel;

- hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] tot een bedrag van € 1.174,03 met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel;

- toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 6] tot een bedrag van € 188,45 met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Bewijsoverweging

Ten aanzien van het onder 1. telastegelegde heeft de raadsman betoogd dat het toebrengen van het letsel aan het slachtoffer niet aan verdachte toe te rekenen is. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat verdachte, toen hij het mes aan de mededader gaf, heeft gezegd dat de mededader daarmee geen gekke dingen mocht doen. Had verdachte geweten dat de mededader het slachtoffer zou steken, dan had hij anders gehandeld, aldus de raadsman. Daarmee heeft verdachte dus niet bewust de kans aanvaard dat er gestoken zou worden.

De rechtbank is het volgende van oordeel. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij en zijn mededader het plan hadden gemaakt om mensen te gaan beroven. Toen zijn mededader verdachte om een mes vroeg, heeft verdachte dat mes gegeven. Verdachte heeft op 14 november 2007 bij de politie verklaard dat het mes gebruikt zou worden om mee te dreigen, omdat mensen dan gemakkelijker geld af zouden geven. De rechtbank acht daarom de verklaring van verdachte dat hij heeft gezegd dat zijn mededader geen rare dingen met het mes mocht doen, niet aannemelijk. De rechtbank is voorts van oordeel dat verdachte door met zijn mededader mee te gaan onder medeneming van een mes, bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat letsel zou worden toegebracht. Bovendien heeft verdachte zich niet gedistantieerd toen het letsel eenmaal was toegebracht. Sterker nog, samen met zijn mededader heeft hij getracht het slachtoffer over de brugleuning in het water te duwen. Verdachtes opzet strekte zich dus mede uit tot het steken van het slachtoffer met het mes. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman.

Bewijsmiddelen

De rechtbank past met betrekking tot de telastegelegde feiten, met uitzondering van het onder 4. telastelegde feit, de volgende bewijsmiddelen toe, met inachtneming van het bepaalde in artikel 359, derde lid, tweede volzin van het Wetboek van Strafvordering:

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 12 augustus 2008;

2. het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] (pag. 47 t/m 50, 51 t/m 52);

3. een aanvullende slachtofferverklaring van [slachtoffer 1] (pag. 53 t/m 55).

4. een geneeskundige verklaring omtrent het letsel van [slachtoffer 1] (pag. 56 t/m 59);

5. het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] (pag. 164 t/m 170, 171);

6. een aanvullende slachtofferverklaring van [slachtoffer 2] (pag. 172 t/m 175);

7. het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 3] (pag. 269 t/m 276, 277);

8. een aanvullende slachtofferverklaring van [slachtoffer 3] (pag. 278 t/m 280);

9. het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 5] (pag. 467 t/m 473);

10. een aanvullende slachtofferverklaring van [slachtoffer 5] (pag. 474 t/m 476);

11. het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 6] (pag. 533 t/m 541);

12. een aanvullende slachtofferverklaring van [slachtoffer 6] (pag. 542 t/m 544).

Bewijsmiddelen

De rechtbank past met betrekking tot het onder 4. telastegelegde feit de volgende bewijsmiddelen toe:

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 12 augustus 2008, welke -zakelijk weergegeven- onder meer inhoudt:

U houdt mij voor dat omdat we nog niet genoeg buit hadden, we hebben besproken meer mensen te gaan beroven. Dat klopt.

2. het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 4] (pag. 374 t/m 377)), welke -zakelijk weergegeven- onder meer inhoudt:

Ik zal u vertellen wat mij op 18 oktober 2007 tussen 21.00 uur en 22.00 uur is overkomen. Ik liep Leeuwarden in. Na een aantal meters kwam ik twee jongens tegen. Deze stonden op een straathoek. Beide jongens hadden een fiets bij zich. De ene had een donkere huidskleur en was kleiner dan de andere welke volgens mij blank was. Ik werd ingehaald door die 2 jongens op de fiets en zij blokkeerden mij voor mijn gevoel. Ik dacht dat ik in de Bagijnestraat was. Na een aantal meters werd ik klem gezet door die jongens. Eén stond voor mij en één stond achter mij. Er werd niets gezegd, maar ik vond het erg dreigend.

Ik bedacht mij niet en gaf die blanke jongen een drukker waardoor hij achteruit ging en ik loop gewoon door. Ik hoorde dat die jongens weer achter mij aankomen. Wat ik toen dacht was: "De eerste klap is voor mij". Op het moment dat een van die jongens dicht achter mij zat heb ik die direct weg gemept. Ik ben toen hardlopend weggerend. In het straatje waar ik toen liep kwam ik 2 mensen tegen en ik ben hen voorbij gelopen.

3. het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van [mededader] (pag. 407 t/m 412), welke -zakelijk weergegeven- onder meer inhoudt:

[verdachte] begon te vragen of ik iets met hem wilde doen om aan geld te komen. We wilden een beroving doen om aan geld te komen.

Ik denk dat het ongeveer 10 tot hooguit 20 minuten heeft geduurd tot wij in de Bagijnestraat waren. In de Bagijnestraat zag ik een man lopen. Ik wilde die man gaan overvallen. Ik fietste naar die man toe en botste tegen hem aan. Ik denk dat ik tegen die man heb gezegd dat ik hem wilde overvallen. Ik weet niet meer waar [verdachte] op dat moment was, maar ik denk dat hij vlak bij mij was. Ik zei tegen die man dat hij moest stoppen. Die man stopte niet en hij duwde mij weg. De man liep hierna snel weg.

4. het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van [mededader] (pag. 425 t/m 427), welke -zakelijk weergegeven- onder meer inhoudt:

U vraagt mij naar de tweede straatroof op 18 oktober 2007, in de Bagijnestraat. Toen ik die man zag ben ik met mijn fiets tegen hem opgebotst om hem te kunnen beroven. Ik duwde hem hard met mijn schouder maar kwam daardoor zelf uit balans. [verdachte] blokkeerde hem de doorgang met zijn fiets.

Bovenstaande wettige bewijsmiddelen -in onderling verband en samenhang beschouwd- houden de redengevende feiten en omstandigheden in waarop de beslissing van de rechtbank steunt dat verdachte de hierna bewezenverklaarde feiten heeft begaan.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1., 2., 3. primair, 4., 5. en 6. telastegelegde bewezen, met dien verstande dat:

1.

hij op 18 oktober 2007 te Leeuwarden (op de openbare weg te weten aan de Potmarge) tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een portemonnee met daarin een geldbedrag en een aantal pasjes en een linnen tasje met muziekstukken en een muziekstandaard, toebehorende aan [slachtoffer 1], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat verdachte en/of verdachtes mededader die [slachtoffer 1] die op de fiets zat heeft tegengehouden en met kracht tegen de brugleuning heeft geduwd, waarbij die [slachtoffer 1] klem kwam te zitten tussen de brug en zijn fiets en die [slachtoffer 1] meermalen met kracht in het gezicht heeft geslagen en tegen die [slachtoffer 1] heeft gezegd "We moeten geld hebben" en die [slachtoffer 1] met een mes in de rug heeft gestoken en tegen die [slachtoffer 1] heeft gezegd "Voel je al wat" en "we maken je af" en vervolgens hebben getracht die [slachtoffer 1] over de leuning van de brug te duwen, welk feit voor die [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel, te weten een klaplong, ten gevolge heeft gehad;

2.

hij op 18 oktober 2007 te Leeuwarden, op de openbare weg te weten Bij de Put, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een gsm en een pakje sigaretten, toebehorende aan [slachtoffer 2], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen die [slachtoffer 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, welk geweld hierin bestond dat verdachte en/of verdachtes mededader een mes op de keel van die [slachtoffer 2] heeft gezet en met kracht tegen de muur heeft gedrukt;

en

hij op 18 oktober 2007 te Leeuwarden, op de openbare weg te weten Bij de Put, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot de afgifte van € 10,--, toebehorende aan [slachtoffer 2], welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte en/of verdachtes mededader een mes op de keel van die [slachtoffer 2] heeft gezet en met kracht tegen de muur gedrukt;

3. primair

hij op 18 oktober 2007 te Leeuwarden, op de openbare weg te weten de Noordersingel, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer 3] te dwingen tot de afgifte van geld en/of goederen, toebehorende aan [slachtoffer 3], die [slachtoffer 3] hebben klem gereden met de fiets en tegen die [slachtoffer 3] hebben gezegd "Geld, geld verdomme en vlug een beetje" en die [slachtoffer 3] bij een arm hebben vast gepakt, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

4.

hij op 18 oktober 2007 te Leeuwarden, op de openbare weg te weten de Bagijnestraat, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen goederen en/of geld, toebehorende aan [slachtoffer 4], en daarbij die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan en/of te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 4], te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, met zijn mededader, naar die [slachtoffer 4] is toe gefietst en tegen die [slachtoffer 4] is aangebotst en die [slachtoffer 4] heeft klem gezet en tegen die [slachtoffer 4] heeft gezegd dat hij zou worden overvallen en dat hij moest stoppen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

5.

hij op 15 september 2007 te Leeuwarden, op de openbare weg te weten Eeskwerd, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een tas met daarin een aantal pasjes en een collegekaart en een portemonnee en een fotocamera, toebehorende aan [slachtoffer 5], welke diefstal werd vergezeld van geweld tegen die [slachtoffer 5], gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, welk geweld hierin bestond dat verdachte de door die [slachtoffer 5] meegevoerde tas heeft vastgepakt en hieraan getrokken waarbij die [slachtoffer 5] op de grond viel en daarbij die [slachtoffer 5] over de grond heeft meegesleurd en die tas met inhoud vervolgens heeft meegenomen;

6.

hij op 13 maart 2007 te Leeuwarden, op de openbare weg te weten de Keizerskroon, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een tas met daarin onder meer een rijbewijs en een zaklantaarn en een staatslot en een hoeveelheid geld en pasjes, toebehorende aan [slachtoffer 6], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen die [slachtoffer 6], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welk geweld hierin bestond dat verdachte aan de kraag van de jas van die [slachtoffer 6] heeft getrokken en een klap op het hoofd van die [slachtoffer 6] heeft gegeven en met kracht aan de door die [slachtoffer 6] meegevoerde tas heeft getrokken waardoor zij over een fiets viel en die tas met inhoud vervolgens heeft meegenomen.

De verdachte zal van het meer of anders telastegelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Kwalificatie

Het bewezene levert op de misdrijven:

1. Diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel tengevolge heeft.

2. Diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

en

Afpersing, gepleegd door twee of meer verenigde personen.

3. primair

Poging tot afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

4. Poging tot diefstal, voorafgegaan, vergezeld of gevolgd van geweld of bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

5. Diefstal, vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken.

6. Diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Strafbaarheid verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

De rechtbank neemt bij de bepaling van de hierna te vermelden strafsoort en strafmaat in aanmerking:

- de aard en de ernst van de gepleegde feiten;

- de omstandigheden waaronder deze zijn begaan;

- de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken en deze naar voren komt uit het uittreksel uit het algemeen documentatieregister, de psychiatrische rapportage, de multidisciplinaire rapportage en het voorlichtingsrapport;

- de vordering van de officier van justitie;

- het pleidooi van de raadsman.

Verdachte heeft zich, samen met een mededader, binnen enkele uren op één avond schuldig gemaakt aan twee gewelddadige straatroven en twee pogingen daartoe. Met name de eerste beroving is gepaard gegaan met buitensporig geweld. Het slachtoffer van deze beroving is klemgezet tegen een brugleuning, in zijn gezicht geslagen en vervolgens door de mededader met een mes in zijn rug gestoken, waarbij een klaplong is opgetreden. Omdat het slachtoffer zich bleef verzetten, is ook nog geprobeerd om hem van de brug in het water te gooien. Gezien zijn verwondingen zou de kans in dat geval groot zijn geweest dat het slachtoffer de beroving niet had overleefd. Het tweede slachtoffer heeft kunnen ontkomen, maar het derde slachtoffer van die avond heeft het nodige moeten doorstaan. Hij is tegen een muur geduwd en met een mes op zijn keel beroofd. Helemaal stuitend is dat verdachte en zijn mededader als laatste ook nog geprobeerd hebben om een 80-jarige vrouw te beroven.

De rooftocht van verdachte en zijn mededader heeft niet meer opgeleverd dan een twintigtal euro's en enkele goederen zonder veel waarde. Daar staat tegenover dat één slachtoffer ernstig gewond is geraakt en dat alle slachtoffers blijkens hun verklaringen ook nu nog gebukt gaan onder gevoelens van angst en onzekerheid.

Behalve deze gewelddadige rooftocht heeft verdachte zich daarnaast ook nog schuldig gemaakt aan twee tasjesroven, waarvan hij er één samen met zijn toenmalige vriendin heeft gepleegd. Ook deze tasjesroven gingen met het nodige geweld gepaard.

Bij zulke ernstige feiten past alleen al uit oogpunt van vergelding een langdurige gevangenisstraf, zoals de officier van justitie terecht ook heeft geëist. De rechtbank stelt tevens vast dat het gedrag van verdachte uitermate zorgelijk is. Verdachte heeft in de loop der jaren een -helaas- indrukwekkend strafblad opgebouwd. Er is sprake van recidive.

Verdachte is in het Pieter Baan Centrum ter observatie geweest teneinde inzicht te krijgen in de persoon van verdachte, met name wat betreft zijn geestvermogens. Verdachte heeft er echter voor gekozen niet mee te werken aan het onderzoek, zodat de onderzoekers geen uitspraak hebben kunnen doen over de mate van toerekeningsvatbaarheid en het recidivegevaar. De onderzoekers hebben slechts geconstateerd dat verdachte vanaf zijn tiende levensjaar zo ernstige gedragsproblemen vertoont dat er van een gedragsstoornis moet worden gesproken. Het heeft er alle schijn van, aldus de onderzoekers, dat deze gedragsstoornis zich heeft getransformeerd in een persoonlijkheidsstoornis. Of en in hoeverre deze gebrekkige ontwikkeling van invloed is geweest op de strafbare feiten die verdachte heeft gepleegd, is in het PBC-onderzoek niet duidelijk geworden als gevolg van de weigering van verdachte tot medewerking aan het onderzoek.

Gezien het bovenstaande zal de rechtbank verdachte een langdurige gevangenisstraf opleggen. Rekening houdende met de jeugdige leeftijd van verdachte is deze gevangenisstraf van kortere duur dan door de officier van justitie gevorderd. Tevens zal de rechtbank de tenuitvoerlegging gelasten van de eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraffen.

Benadeelde partijen

[slachtoffer 1] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door hem geleden schade ten gevolge van het aan verdachte onder 1. telastegelegde en bewezenverklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust.

De rechtbank is van oordeel dat de gestelde immateriële schade ad € 1.500,00 en de gestelde materiële schade tot een bedrag van € 300,00 voldoende aannemelijk is geworden en in zodanig verband staat met het door verdachte gepleegde strafbare feit, dat deze aan hem als een gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend. De rechtbank acht de vordering, die onvoldoende door verdachte en diens raadsman is weersproken, derhalve gegrond tot een bedrag van € 1.800,00 en voor toewijzing vatbaar. De benadeelde partij zal in het overige deel van zijn vordering niet ontvankelijk worden verklaar.

De rechtbank acht daarnaast oplegging van de schadevergoedingsmaatregel aangewezen.

[slachtoffer 2] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door hem geleden schade ten gevolge van het aan verdachte onder 2. telastegelegde en bewezenverklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust.

De rechtbank is van oordeel dat de gestelde schade voldoende aannemelijk is geworden en in zodanig verband staat met het door verdachte gepleegde strafbare feit, dat deze aan hem als een gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend. De rechtbank acht de vordering, die onvoldoende door verdachte en diens raadsman is weersproken, derhalve gegrond en voor toewijzing vatbaar.

De rechtbank acht daarnaast oplegging van de schadevergoedingsmaatregel aangewezen.

[slachtoffer 6] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade ten gevolge van het aan verdachte onder 6. telastegelegde en bewezenverklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust.

De rechtbank is van oordeel dat de gestelde schade voldoende aannemelijk is geworden en in zodanig verband staat met het door verdachte gepleegde strafbare feit, dat deze aan hem als een gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend. De rechtbank acht de vordering, die onvoldoende door verdachte en diens raadsman is weersproken, derhalve gegrond en voor toewijzing vatbaar.

De rechtbank acht daarnaast oplegging van de schadevergoedingsmaatregel aangewezen.

Vorderingen na voorwaardelijke veroordeling

Bij onherroepelijk geworden vonnis van 20 december 2005, gewezen door de meervoudige strafkamer van de rechtbank te Maastricht, is de verdachte veroordeeld tot -voor zover hier van belang- een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. De proeftijd is ingegaan op 4 januari 2006. Bij vordering d.d. 13 februari 2008 heeft de officier van justitie de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij voormeld vonnis voorwaardelijk opgelegde straf.

De hiervoor onder 1., 2., 3. primair, 4., 5. en 6. bewezenverklaarde feiten zijn door verdachte begaan voor het einde van de bij voormeld vonnis gestelde proeftijd. De rechtbank zal op grond daarvan de tenuitvoerlegging gelasten van de aan verdachte bij voornoemd vonnis van 20 december 2005 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf.

Bij onherroepelijk geworden vonnis van 3 augustus 2006, gewezen door de meervoudige strafkamer van de rechtbank te Leeuwarden, is de verdachte veroordeeld tot -voor zover hier van belang- een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. De proeftijd is ingegaan op 23 augustus 2006. Bij vordering d.d. 25 januari 2008 heeft de officier van justitie de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij voormeld vonnis voorwaardelijk opgelegde straf.

De hiervoor onder 1., 2., 3. primair, 4., 5. en 6. bewezenverklaarde feiten zijn door verdachte begaan voor het einde van de bij voormeld vonnis gestelde proeftijd. De rechtbank zal op grond daarvan de tenuitvoerlegging gelasten van de aan verdachte bij voornoemd vonnis van 3 augustus 2006 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14g, 36f (oud), 45, 57 (oud), 310, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT, RECHTDOENDE:

Verklaart het onder 1., 2., 3. primair, 4., 5. en 6. telastegelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar in voege als voormeld en verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte te dier zake tot:

Een gevangenisstraf voor de duur van TIEN JAREN.

Beveelt, dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is telastegelegd dan het bewezenverklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1], wonende te [adres], toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 1.800,00 (zegge: achttienhonderd euro), in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1], te betalen een som geld ten bedrage van € 1.800,00 (zegge: achttienhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 36 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft en in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat van een bedrag van € 1.800,00 ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1], daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en vice versa, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 1] in het overige deel van de vordering niet ontvankelijk is en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2], wonende te [adres], toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 1.174,03 (zegge: elfhonderd vierenzeventig euro en drie eurocent), in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2], te betalen een som geld ten bedrage van € 1.174,03 (zegge: elfhonderd vierenzeventig euro en drie eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 23 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft en in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat van een bedrag van € 1.174,03 ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2], daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en vice versa, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 6], wonende te [adres], toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 188,45 (zegge: honderd achtentachtig euro en vijfenveertig eurocent), in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 6], te betalen een som geld ten bedrage van € 188,45 (zegge: honderd achtentachtig euro en vijfenveertig eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 3 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft en in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat van een bedrag van € 188,45 ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 6], daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en vice versa, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer

03/005856-03:

Gelast de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf, voorzover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de meervoudige kamer te Maastricht d.d. 20 december 2005, te weten: een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden.

Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer

17/880089-06:

Gelast de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf, voorzover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de meervoudige kamer te Leeuwarden d.d. 3 augustus 2006, te weten: een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.H. Severein, voorzitter, mr. G.C. Koelman en mr. A. de Jong, rechters, bijgestaan door D.P. Postma-Westerhof, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 26 augustus 2008.