Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2008:BD9507

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
05-08-2008
Datum publicatie
15-08-2008
Zaaknummer
AWB 07/2774, 07/2799 en 07/2800
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijstelling ten behoeve uitbreiding minicamping. Artikel 6:13 Awb. Belangenafweging. Flora- en Faunawet.

Wetsverwijzingen
Flora- en faunawet
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 6:13
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JNA 2008/7 met annotatie van Boerema
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

Procedurenummers: AWB 07/2774, 07/2799 en 07/2800

uitspraak van de meervoudige kamer van 5 augustus 2008 op grond van afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in de gedingen tussen

[naam] (hierna: [A]),

wonende te [woonplaats],

gemachtigde: mr. G. Kleefstra, werkzaam bij Accon AVM adviseurs en accountants te Leeuwarden,

[naam] (hierna: [B]),

wonende te [woonplaats],

Stichting Gaasterlân Natuerlân (hierna: de Stichting),

gevestigd te Rijs,

gemachtigden: [naam] en [naam], beiden werkzaam bij de Stichting,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Gaasterlân-Sleat,

(hierna: het college),

gemachtigden: M.J. Bosma en C. den Hollander, beiden werkzaam bij de gemeente Gaasterlân-Sleat.

Procesverloop

Bij besluit van 18 september 2007 heeft het college met toepassing van artikel 19 lid 1 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) vrijstelling verleend voor de uitbreiding van camping "De Bosrand" te Oudemirdum.

Tegen dit besluit hebben [A], [B] en de Stichting beroep aangetekend.

[naam] (hierna: [X]), eigenaar en exploitant van de camping, en Gedeputeerde Staten van Fryslân (hierna: GS) zijn door de rechtbank in de gelegenheid gesteld als partijen aan de gedingen deel te nemen. Anders dan GS, heeft [X] van deze gelegenheid gebruik gemaakt.

De beroepen zijn gevoegd behandeld ter zitting van de rechtbank, gehouden op 14 mei 2008, waarbij [B], vergezeld van zijn echtgenote, en [X], eveneens vergezeld van zijn echtgenote, in persoon zijn verschenen. [A] is verschenen bij zijn gemachtigde. Overeenkomstig haar statuten heeft de Stichting zich laten vertegenwoordigen door haar voorzitter [naam] en haar secretaris [naam]. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Motivering

[X] exploiteert met zijn echtgenote camping "De Bosrand" aan de Oude Balksterweg 2 te Oudemirdum. Deze camping ligt aan de zuidwestzijde van deze weg en aan de zuidzijde van het bosgebied Elfbergen.

Bij brief van 1 augustus 2006 heeft [X] het college verzocht om medewerking te verlenen aan de uitbreiding van de camping met circa vier hectare ten behoeve van circa 100 seizoen-/jaarplaatsen (stacaravans) aan de noordzijde van de Oude Balksterweg.

Vast staat dat het project van [X] in strijd is met de relevante voorschriften van het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied" (hierna: het bestemmingsplan). Teneinde het project niettemin mogelijk te maken, heeft het college met toepassing van artikel 19 lid 1 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) vrijstelling verleend. Dit besluit is conform het bepaalde in artikel 19a lid 4 van de WRO voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 van de Awb (uniforme openbare voorbereidingsprocedure). In dit kader hebben onder meer [A], [B] en de Stichting zienswijzen tegen het ontwerp-vrijstellingsbesluit naar voren gebracht.

De rechtbank overweegt als volgt.

Het college stelt zich op het standpunt dat de beroepen van [A] en [B] gedeeltelijk niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard omdat een gedeelte van hun beroepsgronden niet zijn terug te voeren op de door hun ingebrachte zienswijzen.

Artikel 6:13 van de Awb bepaalt dat geen beroep bij de administratieve rechter kan worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 van de Awb naar voren heeft gebracht, geen bezwaar heeft gemaakt of geen administratief beroep heeft ingesteld.

Volgens vaste jurisprudentie moet artikel 6:13 van de Awb aldus worden uitgelegd dat een belanghebbende slechts beroep kan instellen tegen onderdelen van een besluit waarover hij een zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij hem redelijkerwijs niet kan worden verweten over dat onderdeel geen zienswijze naar voren te hebben gebracht (vgl. AB 2007, 95).

In deze zaak is echter geen sprake van een besluit dat bestaat uit verschillende zelfstandige besluitonderdelen. Reeds hierom valt in dit geval aan artikel 6:13 van de Awb geen grondslag te ontlenen om de beroepen van [A] en [B] deels niet-ontvankelijk te verklaren. Voor zover sprake is van nieuwe beroepsgronden ter nadere onderbouwing van de ingebrachte zienswijzen ziet de rechtbank geen aanleiding deze om reden van een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het college zich in zijn verweerschrift van 11 januari 2008 alsook ter zitting heeft uitgelaten over de door [A] en [B] naar voren gebrachte beroepsgronden.

Met betrekking tot de inhoudelijke kant van de zaak overweegt de rechtbank als volgt.

Ingevolge artikel 19 lid 1 van de WRO -voor zover thans van belang- kan de gemeenteraad ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen, dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben.

Onder een goede ruimtelijke onderbouwing wordt bij voorkeur een gemeentelijk, intergemeentelijk of regionaal structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstig bestemming van het betreffende gebied.

Volgens vaste jurisprudentie moeten naarmate de inbreuk van het project op de geldende planologische situatie groter is, aan de ruimtelijke onderbouwing van een project zwaardere eisen worden gesteld (vgl. LJN: BC9022).

In het onderhavige geval is voldaan aan de formele vereisten voor het verlenen van vrijstelling als bedoeld in artikel 19 lid 1 van de WRO. Zo hebben GS een verklaring van geen bezwaar afgegeven en de gemeenteraad heeft zijn vrijstellingsbevoegdheid met betrekking tot de onderhavige zaak gedelegeerd aan het college.

Blijkens het vrijstellingsbesluit wordt de ruimtelijke onderbouwing gevormd door de notitie "Ruimtelijke onderbouwing camping de Bosrand Oude Balksterweg 2 te Oudemirdum", de reactie op de ingediende zienswijzen en de resultaten van ecologisch onderzoek naar de effecten die realisatie van het project heeft op de in het desbetreffende gebied aanwezige flora en fauna. De rechtbank is van oordeel dat deze ruimtelijke onderbouwing voldoet aan de daaraan in dit geval te stellen eisen, in aanmerking genomen dat het college bij de invulling van het desbetreffende gebied een grote mate van beleidsvrijheid toekomt. In deze ruimtelijke onderbouwing is een relatie gelegd met de toekomstige recreatieve bestemming van het gebied. Het college heeft gemotiveerd aangegeven waarom een uitbreiding van de camping in planologisch opzicht aanvaardbaar geacht kan worden.

In het in opdracht van [X] opgestelde rapport "Ecologische beoordeling uitbreiding camping de Bosrand, Oudemirdum" van 19 juni 2006 zijn de resultaten neergelegd van het onderzoek naar de gevolgen van het project voor de flora en fauna in het plangebied. Volgens dit rapport stuit het project niet op bezwaren in het kader van de Flora- en faunawet. Met betrekking tot dassen en vleermuizen is aangegeven dat het project geen negatieve effecten heeft op deze dieren, mits wordt voldaan aan enige voorwaarden. Zo is ten aanzien van dassen aangegeven dat bezoekers van de camping huisdieren altijd aangelijnd moeten houden en dat betreding van het bosgebied Elfbergen, waar de dassen leven, moet worden vermeden.

De vraag of in het kader van de vrijstelling een ontheffing op grond van de Flora- en faunawet nodig is en zo ja, of deze ontheffing kan worden verleend, kan in beginsel pas aan de orde komen in een procedure op grond van de Flora- en faunawet. Dat doet er niet aan af dat het college geen goedkeuring aan het project had mogen verlenen, indien en voor zover het op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de Flora- en faunawet aan de uitvoerbaarheid van het project in de weg zou staan (vgl. LJN: BD2128).

Gelet op de conclusies uit voornoemd rapport doet deze situatie zich niet voor. Bovendien is ter zitting gebleken dat het college, hoewel hij niet belast is met het toezicht op de juiste naleving van de Flora-en faunawet, met de inzet van gemeentelijke toezichthouders er dagelijks op toe zal zien dat campingbezoekers, al dan niet met aangelijnde huisdieren, het bos niet zullen betreden. Verder is ter zitting duidelijk geworden dat [X] een afscheiding van draden zal plaatsen langs de bosrand, teneinde betreding van het bos te minimaliseren.

Uit het voorgaande volgt dat het college de bevoegdheid had om op grond van artikel 19 lid 1 van de WRO vrijstelling te verlenen van het ter plaatse geldende bestemmingsplan.

Naar het oordeel van de rechtbank kon het college in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik maken. Niet is gebleken dat hij, na afweging van de betrokken belangen, waaronder die van [A], [B], de Stichting en [X], niet kon besluiten tot het verlenen van vrijstelling.

Het college heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat realisatie van het project [A] niet zal belemmeren in de uitoefening van agrarische bedrijfsactiviteiten op zijn perceel. Hierbij heeft het college terecht in aanmerking genomen dat de afstand tussen het agrarische perceel van [A] en de camping ook na realisatie van het project minimaal vijftig meter bedraagt, zodat op dit punt is voldaan aan de VNG-lijst "Bedrijven en milieuzonering". De aanwezigheid van een kuilbult op het perceel van [A], gelegen binnen vijftig meter van de camping, levert naar het oordeel van de rechtbank evenmin een belemmering op. Zoals het college ter zitting uiteen heeft gezet dient deze kuilbult afgedekt te worden, waardoor klachten van bezoekers van de camping over stankoverlast voorkomen kunnen worden.

Het college heeft verder genoegzaam uiteengezet dat van het verlenen van vrijstelling geen precedentwerking uitgaat. Met het college is de rechtbank van oordeel dat elk vrijstellingsverzoek op zijn eigen merites beoordeeld dient te worden. Dat aan [X] vrijstelling is verleend brengt dus niet mee dat het college daarom gehouden is om voortaan goedkeuring te verlenen aan vergelijkbare toekomstige uitbreidingsplannen of de vestiging van nieuwe campings in zijn gemeente.

[B] heeft nog aangegeven dat realisatie van het project verlies van uitzicht en aantasting van woongenot tot gevolg heeft. Naar het oordeel van de rechtbank nemen deze aspecten niet weg dat het college in redelijkheid de vrijstelling kon verlenen en dat vergoeding van eventuele schade als gevolg daarvan kan worden beoordeeld in het kader van een verzoek om planschadevergoeding.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de slotsom dat het vrijstellingsbesluit de rechterlijke toets kan doorstaan. De beroepen zullen derhalve ongegrond worden verklaard.

De rechtbank ziet geen aanleiding om een proceskostenveroordeling uit te spreken.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus gegeven door mr. M.S. van der Kuijl, voorzitter, en door mrs. U. van Houten en K.J. de Graaf, rechters, en uitgesproken in het openbaar door U. van Houten op 5 augustus 2008, in tegenwoordigheid van mr. J.R. Leegsma als griffier.

w.g. J.R. Leegsma

w.g. U. van Houten

(De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen)

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat voor partijen hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in art. 6:13 juncto 6:24 Awb.

Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan:

de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Postbus 20019

2500 EA Den Haag

In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.