Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2008:BD8466

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
22-07-2008
Datum publicatie
24-07-2008
Zaaknummer
17/880127-08 VEV
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Onbruikbaar maken, poging zware mishandeling, uiterlijke verschijningsvorm, aanmerkelijke kans

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 310
Wetboek van Strafrecht 311
Wetboek van Strafrecht 350
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector straf

parketnummer 17/880127-08

verkort vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 22 juli 2008 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1986 te [geboorteplaats],

wonende te [adres],

thans gedetineerd in P.I. Noord - De Grittenborgh, Kinholtsweg 7 te Hoogeveen.

De rechtbank heeft gelet op het ter terechtzitting gehouden onderzoek van 8 juli 2008.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. I.R. Rigter, advocaat te Amsterdam.

Telastelegging

Aan dit vonnis is een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van de dagvaarding gehecht, waaruit de inhoud van de telastelegging geacht moet worden hier te zijn overgenomen.

In de telastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

Vordering officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd:

- vrijspraak van het onder 3. primair telastegelegde;

- veroordeling voor het onder 1., 2. en 3. subsidiair telastegelegde;

- oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden;

- niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij [slachtoffer].

Partiële vrijspraak

De rechtbank overweegt ten aanzien van het onder 1. primair telastegelegde het volgende.

De rechtbank is op grond van het volgende - met de officier van justitie - van oordeel dat verdachte als bestuurder van de Volvo kan worden aangemerkt. Medeverdachte [naam] heeft verdachte bij een politieverhoor aangewezen als de bestuurder van de auto tijdens de aanrijding met de politieauto. Voorts heeft een politieambtenaar in de dienstauto, waarin verdachte enkele minuten heeft verbleven, de autosleutel van de Volvo gevonden. In deze dienstauto hebben geen van de andere verdachten gezeten.

Vervolgens moet vastgesteld worden of er sprake was van een poging tot zware mishandeling. Voor een strafbare poging is vereist dat het voorgenomen misdrijf zich heeft geopenbaard door een begin van uitvoering van dat misdrijf. Volgens de door de Hoge Raad ontwikkelde leer doet zich een begin van uitvoering voor als de feitelijke gedraging naar de uiterlijke verschijningsvorm moet worden beschouwd als te zijn gericht op voltooiing van het voorgenomen misdrijf.

In de onderhavige zaak betekent dit dat de gedraging van verdachte naar de uiterlijke verschijningsvorm moet worden beschouwd als te zijn gericht op het opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Uit het proces-verbaal van de politie kan worden afgeleid dat verdachte, toen hij zag dat zijn weg werd versperd door een politieauto, eerst is gestopt, vervolgens is achteruitgereden en daarna vooruit is gereden in de richting van de politieauto. Vervolgens reed verdachte tegen de politieauto. Uit de verklaring van [naam] bij de politie kan worden afgeleid dat verdachte aan de politie wilde ontkomen. Er zijn geen verklaringen die erop wijzen dat verdachte willens en wetens aan de inzittenden van de politieauto zwaar letsel heeft willen toebrengen. Evenmin blijkt dat hij zich daarvan noodzakelijkerwijze bewust moest zijn of zich ervan bewust moest zijn dat zijn gedraging waarschijnlijk tot genoemd gevolg zou leiden. De gedraging van verdachte hield niet een aanmerkelijke kans in dat door verdachtes gedraging zwaar lichamelijk letsel zou ontstaan. De verklaring van [naam] dat verdachte aan de politie wilde ontkomen, de plaats waar de politieauto is geraakt en het uit de foto's in het proces-verbaal blijkend schadebeeld van de Volvo en de politieauto wijzen er veeleer op dat verdachte, bij een poging aan de politie te ontkomen en om de politieauto heen te rijden, tijdens deze manoeuvre tegen de voorkant van de politieauto is gereden.

Op grond van voorgaande dient verdachte te worden vrijgesproken van het onder 1. primair telastegelegde.

De verdachte moet tevens van het onder 3. primair en 3. subsidiair telastegelegde worden vrijgesproken, omdat de rechtbank dit niet bewezen acht.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1. subsidiair en 2. telastegelegde bewezen, met dien verstande dat:

1. subsidiair

hij op 24 maart 2008 te Sneek, in de gemeente Sneek, opzettelijk en wederrechtelijk een personenauto, toebehorende aan politie Fryslân, onbruikbaar heeft gemaakt.

2.

hij op 24 maart 2008 te Sneek in de gemeente Sneek, meermalen, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit twee bedrijfspanden (gelegen aan de [adres] aldaar), heeft weggenomen een laptop en een digitale fotocamera en bijbehorend statief) en computerapparatuur, te weten zes computerkasten

en twee beeldschermen (merk Dell), toebehorende aan [slachtoffer], waarbij verdachte en zijn mededaders telkens zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft door middel van braak.

De verdachte zal van het meer of anders telastegelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Kwalificatie

Het bewezene levert op de misdrijven:

1. subsidiair Opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, onbruikbaar maken.

2. Diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

De rechtbank neemt bij de bepaling van de hierna te vermelden strafsoort en strafmaat in aanmerking:

- de aard en de ernst van de gepleegde feiten;

- de omstandigheden waaronder deze zijn begaan;

- de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken en deze naar voren komt uit het uittreksel uit het algemeen documentatieregister;

- de vordering van de officier van justitie;

- het pleidooi van de raadsman.

Verdachte heeft samen met twee mededaders achter elkaar twee inbraken gepleegd op bedrijventerreinen. Daarbij zijn diverse waardevolle goederen gestolen en hebben de daders schade aangericht. Vervolgens heeft verdachte als bestuurder bij de poging om aan de politie te ontkomen schade aangericht aan een politievoertuig.

Verdachte heeft omvangrijke documentatie met betrekking tot met name bedrijfsinbraken en overige vermogensdelicten. Dat is strafverhogend. Een reclasseringsrapportage omtrent verdachte is niet beschikbaar. De rechtbank heeft op grond van het voorgaande geen aanleiding gevonden af te wijken van de landelijke oriëntatiepunten en zal de beide inbraken waarderen op een vrijheidsstraf voor de duur van 7 weken per inbraak. Gelet op de eveneens bewezenverklaarde vernieling van de politieauto en de rol die verdachte als bestuurder van de auto met betrekking tot de inbraken heeft vervuld, acht de rechtbank de na te noemen gevangenisstraf passend en geboden.

Benadeelde partij

[slachtoffer], heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door hem geleden schade ten gevolge van het aan verdachte onder feit 2 telastegelegde en bewezenverklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust.

De rechtbank is van oordeel dat de vordering, die wordt betwist, niet van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding, zodat de benadeelde partij niet ontvankelijk moet worden verklaard.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 57, 310, 311 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT, RECHTDOENDE:

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 1. primair en 3. primair en 3. subsidiair is telastegelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1. subsidiair en 2. telastegelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar in voege als voormeld en verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte te dier zake tot:

Een gevangenisstraf voor de duur van zestien weken.

Beveelt, dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is telastegelegd dan het bewezenverklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.

Beveelt de onmiddellijke invrijheidstelling van verdachte.

Bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer], niet ontvankelijk is in de vordering en dat deze slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Bepaalt dat deze benadeelde partij en verdachte ieder de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. G. Bracht, voorzitter, mr. M.H. Severein en mr. R. Baluah, rechters, bijgestaan door mr. E. Haitsma, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 22 juli 2008.

Mr. Baluah is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.