Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2008:BD6821

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
07-07-2008
Datum publicatie
10-07-2008
Zaaknummer
AWB06/2794, 06/2795 en 06/2796
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Door eisers gemachtigde verstrekte (onjuiste) informatie in voorgaand jaar staat navordering in latere jaren niet in de weg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2008-1521
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht, belastingkamer

Procedurenummers: AWB06/2794, 06/2795 en 06/2796

Uitspraakdatum: 7 juli 2008.

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Noord/kantoor Emmen, verweerder.

Procesverloop

1.1. Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2001 een navorderingsaanslag (aanslagnummer [nummer].H.17) inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 22.932,--, alsmede bij beschikking een vergrijpboete van € 467,--.

1.2. Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2002 een navorderingsaanslag (aanslagnummer [nummer].H.27) IB/PVV opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 24.878,--, alsmede bij beschikking een vergrijpboete van € 528,--.

1.3. Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2003 een navorderingsaanslag (aanslagnummer [nummer].H.37) IB/PVV opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 23.955,--, alsmede bij beschikking een vergrijpboete van € 592,--.

1.4. Verweerder heeft bij een drietal in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 28 november 2006 hiervoor vermelde navorderingsaanslagen en de boetebeschikkingen gehandhaafd.

1.5. Eiser heeft daartegen bij brief van 18 december 2006, ontvangen bij de rechtbank op 19 december 2006, beroep ingesteld.

1.6. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

1.7. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 februari 2008 te Leeuwarden.

Eiser is daar verschenen bij zijn gemachtigde, de heer G.H.H. Bruins. Namens verweerder is verschenen de heer H. Smid.

1.8. Eiser heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan verweerder.

Motivering

Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1. Eiser is geboren op [datum] 1953 en op [datum] 1975 gehuwd met mevrouw [ex-echtgenote], welk huwelijk op [datum] 1995 is ontbonden. Uit het huwelijk zijn drie kinderen geboren.

2.2. Bij beschikking van [datum] 1995 heeft de rechtbank Assen bepaald dat eiser voor de verzorging van zijn kinderen € 159,-- (fl.350,--) per maand per kind moet betalen (kinder-alimenatie), te vermeerderen met het bedrag van de kinderbijslag, dat hem ten behoeve van zijn kinderen kan of zal worden verleend.

2.3. Uit de beschikking van de rechtbank Assen van [datum] 1995 blijkt dat mevrouw [ex-echtgenote] haar verzoek tot een bijdrage in de kosten van het levensonderhoud (partner-alimentatie) heeft ingetrokken.

2.4. Eisers gemachtigde heeft jaarlijks eisers aangifte IB/PVV ingevuld en namens hem ondertekend, waaronder de aangiften van onderhavige belastingjaren.

2.5. Ter zitting heeft eisers gemachtigde verklaard dat hij bij de eerste aangifte IB/PVV na de echtscheiding, aan eiser heeft gevraagd wat zijn alimentatie-verplichting inhoudt. Nadat eiser te kennen had gegeven dit niet te weten, heeft de gemachtigde voorgesteld de door eiser in dat jaar betaalde alimentatie zodanig te verdelen over partner-alimentatie en de kinder-alimentatie dat eiser gebruik kon maken van de forfaitaire aftrek voor kinder-alimentie en maximaal gebruik kon maken van de aftrek wegens partner-alimentatie. Eiser heeft met dit voorstel ingestemd.

2.6. In eisers aangiften IB/PVV 2001, 2002 en 2003 is, overeenkomstig de onder 2.5 vermelde methode, respectievelijk € 2.488,--, € 2.796,-- en € 3.065,-- als betaalde partner-alimentatie in aanmerking genomen.

2.7. Verweerder heeft aan eiser in zijn brief van 15 mei 2001 vragen gesteld naar aanleiding van zijn aangifte IB/PVV 1999. Onder het kopje "Aftrekpost: betaalde alimentatie, andere aftrekbare periodieke uitkeringen enz." vraagt verweerder onder meer: "een antwoord op de vraag voor wie u de uitgaven heeft gedaan: voor uw ex-echtgenote, voor uw kind(eren), of voor uw ex-echtgenote én uw kind(eren);" en "het echtscheidingsconvenant waaruit blijkt hoeveel alimentatie u voor uw ex-echtgenote moet betalen en hoeveel voor uw kind(eren)". Eisers gemachtigde heeft in zijn brief van 22 mei 2001 onder het kopje "Betaalde alimentatie", zonder enig nader voorbehoud, geantwoord: "Er wordt door belastingplichtige maandelijks een bedrag van f. 1.140,= per bank overgemaakt op bankrekening [nummer] ten name van [ex-echtgenote], de ex-echtgenote van belastingplichtige. Dit bedrag is zowel bedoeld voor het levensonderhoud van de ex alsmede voor het levensonderhoud van zijn drie kinderen. Voor de kinderen betaald hij f. 250,= per kind per maand en voor zijn ex f. 390,= per maand." Eisers gemachtigde beëindigt de brief met de opmerking: "Een echtscheidingsconvenant dan wel een uitspraak van de rechter is helaas niet meer in het bezit van onze cliënt." De aanslag IB/PVV 1999 is vervolgens zonder nadere correspondentie op dit punt, overeenkomstig de ingediende aangifte en hiervoor vermelde antwoorden, opgelegd.

2.8. Bij brief van 23 juni 2006 is eisers gemachtigde voor de eerste maal geïnformeerd over het voornemen om eiser een navorderingsaanslag IB/PVV over de jaren 2001, 2002 en 2003 op te leggen en over die jaren een vergrijpboete op te leggen.

Geschil

3.1. In geschil is het antwoord op de vragen of de navorderingsaanslagen terecht zijn opgelegd en of er terecht, gelijktijdig met de vaststelling van de navorderingsaanslagen boetes zijn opgelegd van 50% van het bedrag van de navorderingsaanslagen.

3.2. Eiser beantwoordt deze vragen ontkennend en verweerder bevestigend.

3.3. Eiser stelt zich - kort gezegd - op het standpunt dat er geen sprake is van een nieuw feit in de zin van artikel 16 Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) omdat verweerder reeds met betrekking tot de aangifte IB/PVV 1999 over de thans in geschil zijnde aftrekposten vragen heeft gesteld en na beantwoording van die vragen de aanslagen zonder aanpassing op dit punt heeft opgelegd. De situatie is na 1999 niet gewijzigd zodat geen sprake kan zijn van een nieuw feit. Daarenboven is eiser van mening dat nu verweerder zonder nadere vragen of opmerkingen, de aangifte IB/PVV 1999, na beantwoording van de vragen, op het punt van de alimentatie heeft gevolgd, eiser hier het vertrouwen aan mocht ontlenen dat zijn wijze van invullen van de aangifte(n) IB/PVV op het punt van de alimentatie juist was. Van kwade trouw kan dan ook geen sprake zijn. Met betrekking tot de vergrijpboete voert eiser aan dat niet moedwillig foutief aangiften zijn ingediend. Ook met betrekking tot dit punt verwijst eiser naar de aanslagregeling IB/PVV 1999 en het daaraan door eiser te ontlenen vertrouwen dat zijn handelwijze juist is.

3.4. Verweerder voert daartoe aan dat eerst bij de behandeling van de aangifte IB/PVV 2004 in 2006 is komen vast te staan dat geen sprake is van alimentatie aan eisers ex-echtgenote en dat derhalve sprake is van een navordering rechtvaardigend nieuw feit. De afhandeling van de aangifte IB/PVV 1999 waarbij eiser antwoorden heeft gegeven waarvan hij wist of had kunnen weten dat deze onjuist waren, kan voor eiser niet het in rechte te beschermen vertrouwen hebben gewekt dat er na 1999 geen correcties op aangiften IB/PVV waren te verwachten. Met betrekking tot de vergrijpboete voert verweerder primair aan dat eiser door in te gaan op het onder 2.5 vermelde voorstel en aldus te handelen voor de aangiften van de navolgende jaren, terwijl eiser wist c.q. had moeten weten dat hij uitsluitend betaald had voor het levensonderhoud van zijn kinderen, hij willens en wetens onjuist aangifte heeft gedaan en daarmee tenminste bewust het risico heeft aanvaard dat daardoor de aanslagen tot een te laag bedrag zouden worden vastgesteld of anderszins te weinig IB/PVV geheven zou worden. Verweerder is van mening dat deze gedragingen moeten worden gekwalificeerd als opzet c.q. voorwaardelijke opzet en dat de vergrijpboete van 50% van het bedrag van de navorderingsaanslagen terecht is opgelegd. Subsidiair is verweerder van mening dat, gelet op de feiten in ieder geval sprake is van grove schuld. Alsdan moet de vergrijpboete terug worden gebracht tot 25% van de navorderingsaanslagen.

3.5.Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

Beoordeling van het geschil

4.1. Indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld, kan de inspecteur op grond van artikel 16, eerste lid, van de AWR de te weinig geheven belasting navorderen. Een feit, dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor navordering opleveren, behoudens in de gevallen waarin de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is.

4.2. Volgens vaste jurisprudentie (onder andere Hoge Raad 7 december 2007 nr. 43.489 VN 2007/58.14) mag verweerder bij het vaststellen van de aanslag uitgaan van de juistheid van de gegevens die eiser in zijn aangifte heeft verstrekt. Gelet op het feit dat eiser zijn aangiften liet verzorgen door een professionele gemachtigde en de aangiften een verzorgde indruk maakten, oordeelt de rechtbank dat verweerder bij de primitieve aanslagregeling in beginsel terecht van de juistheid van de aangiften is uitgegaan.

4.3. Eveneens volgens vaste jurisprudentie bestaat er slechts dan reden tot het doen van nader onderzoek wanneer er bijzondere omstandigheden zijn die verweerder aan de juistheid van de aangifte zouden moeten doen twijfelen. De rechtbank oordeelt dat een dergelijk bijzondere omstandigheid zich in onderhavige jaren niet voordeed. Ook de naar aanleiding van de aangifte IB/PVV 1999 gestelde vragen nopen niet tot een ander oordeel. Wat betreft de aftrek van partner-alimentatie weken de aangiften IB/PVV van onderhavige jaren slechts in cijfermatige zin, en bovendien in beperkte mate, af van de aangifte IB/PVV 1999.

Weliswaar heeft eisers gemachtigde toen niet het gevraagde echtscheidingsconvenant meegezonden, de vraag voor wie de alimentatie was bedoeld is stellig en zonder enig voorbehoud door de (professionele) gemachtigde beantwoord. Ook de verklaring waarom het echtscheidingsconvenant niet werd meegezonden ("is helaas niet meer in het bezit van onze cliënt") acht de rechtbank zodanig aannemelijk, mede gezien het tijdsverloop tussen eisers echtscheiding en de dagtekening van de vragenbrief, dat verweerder hieraan redelijkerwijs niet hoefde te twijfelen. Daarenboven doet de toevoeging "niet meer in het bezit" vermoeden dat eiser deze stukken in bezit had gehad en de aftrek van partner-alimentatie daarop was gebaseerd. De rechtbank oordeelt dan ook dat verweerder gezien de vastgestelde feiten hieraan, gelet op de omstandigheden van dit geval, in redelijkheid niet hoefde te twijfelen, zodat verweerder met betrekking tot de onderhavige jaren niet tot (nader) onderzoek gehouden was.

4.4. De rechtbank oordeelt overigens dat eisers beroep op het vertrouwensbeginsel faalt, omdat eisers gemachtigde de vragen naar aanleiding van de aangifte IB/PVV 1999 onjuist heeft beantwoord. Gelet op de onjuistheid van deze namens eiser verstrekte informatie, mocht eiser daaraan niet het vertrouwen ontlenen dat verweerder akkoord ging met de aldus gevolgde handelwijze.

4.5. Indien het met betrekking tot een belasting welke bij wege van aanslag wordt geheven aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige is te wijten dat de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld, vormt dit, ingevolge artikel 67e van de AWR, een vergrijp ter zake waarvan de inspecteur, gelijktijdig met de vaststelling van de navorderingsaanslag, een boete kan opleggen van ten hoogste 100 procent van het bedrag van de navorderingsaanslag.

4.6. Volgens paragraaf 25 van het Besluit bestuurlijke boeten belastingdienst 1998 legt de inspecteur in geval van opzet, waaronder mede wordt verstaan voorwaardelijk opzet, een vergrijpboete op van 50 procent. In geval van grove schuld, waaronder wordt verstaan een in laakbaarheid aan opzet grenzende mate van verwijtbaarheid inclusief grove onachtzaamheid, legt de inspecteur een vergrijpboete van 25 procent op.

4.7. Naar de rechtbank opmaakt uit hetgeen partijen over en weer hebben aangevoerd, is tussen partijen niet in geschil dat door eiser ten onrechte alimentatie in aftrek is gebracht op zijn belastbaar inkomen uit werk en woning voor de onderhavige jaren. Partijen houdt evenwel verdeeld het antwoord op de vraag of eiser bij het laten verzorgen van zijn aangifte IB/PVV voor de jaren 2001, 2002 en 2003 persoonlijk een verwijt treft waardoor het aan zijn opzet of grove schuld is te wijten dat de primitieve aanslag te laag is vastgesteld.

4.8. Naar volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 1 december 2006, nr. 40 369, gepubliceerd in onder andere BNB 2007/151, kan (voorwaardelijke) opzet van de gemachtigde niet automatisch worden toegerekend aan de belastingplichtige. De Hoge Raad overweegt daarbij dat de omstandigheid dat de belastingplichtige een adviseur heeft ingeschakeld, aan wie opzet of grove schuld kan worden verweten, kan samengaan met de mogelijkheid dat bij de belastingplichtige zelf (voorwaardelijk) opzet of grove schuld aanwezig is geweest. In dat verband kan van belang zijn of de belastingplichtige de zorg heeft betracht die redelijkerwijs van hem kan worden gevergd bij de keuze van zijn adviseur en bij de samenwerking met die adviseur. Wat in dit opzicht redelijkerwijs van de belastingplichtige kan worden gevergd, zal intussen van geval tot geval sterk kunnen verschillen, bij voorbeeld naar gelang zijn hoedanigheid en zijn kennis en ervaring omtrent de ter zake relevante fiscale en andere aspecten. De inspecteur heeft van een en ander de stelplicht en de bewijslast. Het bewijs van opzet of grove schuld van de belastingplichtige kan worden geleverd met behulp van vermoedens.

4.9. Naar volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 29 februari 2008, nr. 43 274, gepubliceerd in onder meer VN 2008/12.10, rust op verweerder bij betwisting, zoals hier, de last te bewijzen dat (i) eiser zijn gemachtigde niet adequaat heeft geïnformeerd over het feit dat hij in 2001, 2002 en 2003 geen alimentatie ten behoeve van zijn ex-echtgenote heeft overgemaakt, (ii) het gevolg van het aan zijn gemachtigde onthouden van die informatie is dat de aanmerkelijke kans in het leven is geroepen dat te weinig belasting is geheven, (iii) eiser van die aanmerkelijke kans heeft geweten en (iv) eiser die kans bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen). Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder niet geslaagd in dit bewijs, reeds omdat uit de vastgestelde feiten volgt dat eisers gemachtigde, namens eiser de bedragen voor alimentatie in aftrek heeft gebracht. De bij eisers gemachtigde (eventueel) aanwezige (voorwaardelijke) opzet kan niet aan eiser worden toegerekend.

4.10. Verweerder is subsidiair van opvatting dat het aan eisers grove schuld is te wijten dat te weinig belasting is geheven. De rechtbank overweegt dat voor grove schuld vereist is dat (i) aan eiser persoonlijk een gedraging (of: nalating) kan worden verweten die (ii) tot gevolg heeft gehad dat te weinig belasting is geheven, terwijl (iii) eiser redelijkerwijs had moeten of kunnen begrijpen dat zijn gedraging tot dat gevolg zou kunnen leiden, waarbij (iv) die gedraging in laakbaarheid grenst aan opzet.

4.11. De rechtbank overweegt dat eisers gemachtigde wat betreft de betaalde alimentatie onjuist, althans onvolledig, heeft geïnformeerd en niet van de benodigde stukken inzake zijn echtscheiding, waaronder de stukken vermeld onder 2.2. en 2.3 heeft voorzien, welke gedraging tot gevolg heeft gehad dat te weinig belasting is geheven en hij, mede gelet op de eenduidige inhoud van de onder 2.2 en 2.3 vermelde stukken, redelijkerwijs had moeten of kunnen begrijpen dat deze gedraging tot dit gevolg heeft geleid. Deze gedraging grenst in laakbaarheid aan opzet. De rechtbank is derhalve van oordeel dat het aan eisers grove schuld is te wijten dat te weinig belasting is geheven. De rechtbank acht in dat geval, overeenkomstig verweerders subsidiaire conclusie, een boete, zijnde 25 procent van de nagevorderde belasting, passend en geboden.

4.12. De rechtbank is op grond van het arrest van de Hoge Raad van 22 april 2005, nr. 37 984, gepubliceerd in onder meer VN 2005/22.6, gehouden ambtshalve te onderzoeken of inbreuk is gemaakt op de garantie van artikel 6, eerste lid, EVRM dat een beboete recht heeft op behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn. Daarbij heeft de Hoge Raad geoordeeld dat, behoudens bijzondere omstandigheden, de berechting van een boetezaak door de rechtbank niet binnen een redelijke termijn geschiedt als de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen, uitspraak doet en dat in voorkomend geval overschrijding van de redelijke termijn behoort te leiden tot vermindering van de boete, afhankelijk van de mate waarin de redelijke termijn is overschreden.

4.13. De rechtbank stelt vast dat de mededeling van verweerder van zijn voornemen een vergrijpboete op te leggen op 23 juni 2006 is geweest. Sindsdien zijn meer dan twee jaren verstreken, terwijl bijzondere omstandigheden ontbreken die een overschrijding van die termijn rechtvaardigen. Derhalve is de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM overschreden. Op grond daarvan zal de rechtbank het bedrag van de opgelegde vergrijpboete verder verlagen met 10 procent. Dit betekent dat de boete voor 2001 wordt verminderd tot € 210,--, voor 2002 tot € 237,-- en voor 2003 tot € 266,--.

4.14. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep gegrond te worden verklaard.

Proceskosten

De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 644,-- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322,-- en een wegingsfactor 1).

Griffierecht

De rechtbank gelast dat verweerder het griffierecht in de zaak met nummer 06/2794 vergoedt. In de zaken met nummers 06/2795 en 06/2796 is geen griffierecht geheven, zodat verweerder deze niet hoeft te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar;

- handhaaft de bestreden navorderingsaanslagen;

- vermindert de vergrijpboete voor 2001 tot € 210,-- en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- vermindert de vergrijpboete voor 2002 tot € 237,-- en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- vermindert de vergrijpboete voor 2003 tot € 266,-- en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 644,--, en wijst de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) aan dit bedrag aan eiser te voldoen;

- gelast dat de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) het door eiser betaalde griffierecht van € 38,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 7 juli 2008 door mr. dr. P. van der Wal, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. H.J. Haanstra, griffier.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum:

- hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 1704, 8901 CA Leeuwarden.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.