Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2008:BD6634

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
09-07-2008
Datum publicatie
09-07-2008
Zaaknummer
87360
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beëindiging alimentatieverplichting van de man door grievend gedrag van de vrouw. De vrouw heeft de omgang tussen de man en de kinderen jarenlang geblokkeerd en gefrustreerd. Voorts is zij weigerachtig geweest om zich in te spannen het slopende conflict tussen haar en de man te beëindigen door (forensische) mediation. Zij heeft het conflict juist verhard door de man te beschuldigen van seksueel misbruik van de kinderen, zonder deze beschuldigingen met concrete aanwijzingen te onderbouwen. De rechtbank acht aannemelijk dat de gedragingen van de vrouw door de man als zeer schokkend en aangrijpend zijn ervaren en een onherroepelijk einde hebben gemaakt aan elk gevoel van lotsverbondenheid van hem jegens de vrouw. Dit terwijl juist die verbondenheid, ontstaan door het huwelijk, één van de voornaamste gronden is van de alimentatieplicht. De rechtbank oordeelt dat van de man in redelijkheid niet gevergd kan worden dat hij nog langer bijdraagt in de kosten van levensonderhoud van de vrouw.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2008, 115
Prg. 2008, 175
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector civiel recht

zaak-/rekestnummer: 87360 / FA RK 08-245

beschikking van de enkelvoudige kamer d.d. 9 juli 2008 (alimentatie)

inzake

[de man],

wonende te Drachten,

hierna ook te noemen de man,

procureur mr. S.A. Roodhof,

tegen

[de vrouw],

wonende te Drachten,

hierna ook te noemen de vrouw,

procureur mr. W.A. Veenstra.

Procesverloop

De man heeft een verzoekschrift ingediend, waarbij wordt verzocht de partneralimentatie, vastgesteld bij beschikking van deze rechtbank van 23 augustus 2006, te wijzigen.

De vrouw heeft binnen de daarvoor gestelde termijn een verweerschrift ingediend.

De zaak is behandeld ter terechtzitting met gesloten deuren van deze enkelvoudige kamer op 9 juni 2008.

Bij de stukken bevindt zich een brief met producties van 26 mei 2008 van de zijde van de man en een brief met producties van 29 mei 2008 van de zijde van de vrouw.

Motivering

De man heeft ter zitting verklaard dat hij zijn verzoek op de volgende gronden baseert:

primair: gewijzigde omstandigheden bestaande uit een verminderde behoefte van de vrouw; de vrouw kan volgens de man in haar eigen levensonderhoud voorzien;

subsidiair: van de man kan op grond van de gedragingen van de vrouw in redelijkheid niet worden gevergd in haar levensonderhoud te voorzien;

meer subsidiair: gewijzigde omstandigheden bestaande uit een verminderde draagkracht van de man.

Primaire grondslag: verminderde behoefte van de vrouw

De man betoogt dat de vrouw in haar eigen levensonderhoud kan voorzien en verwijst in dat kader naar de inkomsten die de vrouw heeft genoten uit haar dienstverband met [bedrijf] vanaf 30 mei 2007 tot april 2008. De vrouw heeft zelf ontslag genomen.

De rechtbank is van oordeel dat uit dit dienstverband afgeleid kan worden dat de vrouw in staat moet worden geacht om circa 22,5 uur per week te werken en daarmee een inkomen van circa € 825,-- netto per maand te genereren.

De rechtbank overweegt dat een inkomensvermindering van een onderhoudsgerechtigde bij de bepaling van diens behoefte slechts dan buiten beschouwing mag blijven indien de onderhoudsgerechtigde uit hoofde van zijn verhouding tot de onderhoudsplichtige zich met het oog op diens belangen had behoren te onthouden van de gedragingen die tot die inkomensvermindering hebben geleid. Nu de vrouw zelf heeft verklaard ontslag te hebben genomen, enkel omdat de man conservatoir beslag dreigde te leggen op haar loon, is de rechtbank van oordeel dat de inkomensvermindering door de beëindiging van het dienstverband bij de bepaling van de behoefte van de vrouw buiten beschouwing dient te blijven.

De rechtbank stelt de behoefte van de vrouw op grond van de zogenaamde hofnorm en de gegevens, waarvan de rechtbank in haar beschikking van 23 augustus 2006 is uitgegaan, als volgt vast. Het netto gezinsinkomen ten tijde van de beëindiging van het huwelijk zal minimaal € 5.000,-- per maand hebben bedragen. Uitgaande van de kosten van de beide kinderen ad € 900,-- per maand dient de maandelijkse behoefte van de vrouw dan te worden vastgesteld op € 5.000,-- minus € 900,-- = € 4.100,-- x 60% = € 2.460,--. De rechtbank houdt vervolgens rekening met een verdiencapaciteit van de vrouw van € 825,-- netto, zodat het maximaal door de man te betalen bedrag aan partneralimentatie op (€ 2.460,-- minus € 825,-- =) € 1.635,-- netto dient te worden gesteld.

Omdat de man op grond van de beschikking van deze rechtbank van 23 augustus 2006 in verband met zijn draagkracht gehouden is tot betaling van het mindere bedrag van € 1.250,-- bruto (vermeerderd met indexering), is de verdiencapaciteit van de vrouw geen gewijzigde omstandigheid die tot wijziging van de door de man te betalen bijdrage kan leiden.

Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank het betoog van de man omtrent de behoefte van de vrouw, namelijk dat deze behoefte op circa € 870,-- dient te worden vastgesteld in verband met de door haarzelf aanvankelijk verzochte kinderalimentatie van € 150,-- per kind per maand, als kennelijk ongegrond en onjuist dient te worden gepasseerd. Ook de stelling van de man dat behoefte van de vrouw op een laag bedrag dient te worden gesteld, omdat zij klaarblijkelijk in staat is om ondanks een conservatoir beslag op de door de man te betalen partneralimentatie, in staat is om rond te komen, wordt door de rechtbank gepasseerd. De man miskent hiermee immers dat de behoefte van de vrouw niet in de eerste plaats afhankelijk is van een zeker bestaansminimum, maar veeleer wordt bepaald door de welstand tijdens het huwelijk.

De primaire grondslag kan dan ook niet tot wijziging van de beschikking d.d. 23 augustus 2006 leiden.

Subsidiaire grondslag: vervallen van de lotsverbondenheid

De man voert subsidiair aan dat bepaalde gedragingen van de vrouw - ieder afzonderlijk danwel in samenhang bezien - ertoe hebben geleid dat er geen sprake meer is van de aan de alimentatieverplichting gekoppelde lotsverbondenheid tussen partijen. De vrouw kan daarom volgens de man redelijkerwijze geen aanspraak meer maken op een bijdrage in haar levensonderhoud.

De gedragingen van de vrouw, waar de man op doelt hebben in de eerste plaats te maken met het onmogelijk maken van enige omgang tussen de man en zijn kinderen, maar hangen ook samen met het gebrek aan medewerking van de vrouw bij de afwikkeling van de huwelijksvoorwaarden.

De rechtbank stelt voorop dat bij de beantwoording van de vraag of aan de gewezen echtgenoot een uitkering in levensonderhoud moet worden toegekend en zo ja, tot welk bedrag, rekening moet worden gehouden met alle omstandigheden van het concrete geval. Hieronder zijn ook te verstaan niet-financiële factoren, zoals gedragingen van de onderhoudverzoekende echtgenoot. Daarbij geldt als criterium of er feiten en omstandigheden zijn, in verband waarmee van een gewezen echtgenoot in redelijkheid niet kan worden verlangd tot het levensonderhoud van de ander bij te dragen. De lotsverbondenheid, die ontstaan is door het huwelijk en daarna nog doorwerkt, is één van de voornaamste gronden voor de alimentatieplicht.

De rechtbank constateert dat de vrouw vanaf het moment dat de rechtbank in 2005 omgang tussen de man en de kinderen heeft bevolen stelselmatig weigerachtig is geweest om de diverse uitspraken van de rechtbank over de omgang na te leven, zelfs nadat er op de betreffende uitspraak de sanctie van dwangsommen of gijzeling was gesteld. De rechtbank constateert voorts dat de vrouw weigerachtig is geweest om zich in te spannen het slopende conflict te beëindigen door middel van (forensische) mediation. Integendeel, de vrouw heeft het conflict verhard door de man te beschuldigen van seksueel misbruik van de kinderen, zonder deze beschuldigingen met concrete aanwijzingen te kunnen te onderbouwen.

De rechtbank is van oordeel dat de vrouw de omgang tussen de man en de kinderen jarenlang heeft geblokkeerd en gefrustreerd, en dat de huidige weigerachtige houding van de kinderen jegens de man mede het gevolg is van de weigerachtige houding van de vrouw. In dit kader beschouwt de rechtbank de door de vrouw gestelde medewerking aan de laatste door de rechtbank vastgestelde (voorlopige) omgangsregeling d.d. 13 februari 2008 (zij stelt de kinderen op de vastgestelde omgangsmomenten op de stoep klaar te zetten) illusoir.

De rechtbank acht aannemelijk dat deze gedragingen van de vrouw door de man als zeer schokkend en ingrijpend zijn ervaren, en dat ze een onherroepelijk einde hebben gemaakt aan het gevoel van lotsverbondenheid van hem jegens de vrouw. Dit terwijl juist die verbondenheid, ontstaan door het huwelijk, die ook daarna nog doorwerkt met name in het gezamenlijk ouderschap, één van de voornaamste gronden is van de alimentatieplicht. De rechtbank is van oordeel dat van de man in redelijkheid niet gevergd kan worden dat hij nog langer bijdraagt in de kosten van levensonderhoud van de vrouw, zodat zijn verzoek om de alimentatieverplichting te beëindigen, kan worden toegewezen.

Beslissing

De rechtbank:

wijzigt de beschikking van deze rechtbank van 23 augustus 2006 aldus, dat zij thans als volgt beslist:

beëindigt de door de man te betalen uitkering tot levensonderhoud van de vrouw met ingang van 6 februari 2008;

wijst af het meer of anders verzochte;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de proceskosten aldus, dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

Deze beschikking is gegeven te Leeuwarden door mr. P.R. Tjallema, lid van de kamer, tevens kinderrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 9 juli 2008 in tegenwoordigheid van de griffier.

(fn: 432)

Van deze beschikking kan binnen 3 maanden hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Leeuwarden. Indien u in deze procedure bent verschenen start deze termijn op de dag van de uitspraak. Als u niet in de procedure bent verschenen kan de termijn op een latere datum beginnen. Volgens de wet bent u verplicht om voor het instellen van hoger beroep een advocaat in te schakelen. In verband met de beperkte termijn dient u zo spoedig mogelijk contact met uw/een advocaat op te nemen!

De griffier.