Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2008:BD4792

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
17-06-2008
Datum publicatie
19-06-2008
Zaaknummer
17/67535-08 VEV
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Brandstichting, ontploffing, belemmering blussen, zware mishandeling, openlijk geweld, medeplegen, zwaar vuurwerk, brandweer

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 36f
Wetboek van Strafrecht 45
Wetboek van Strafrecht 47
Wetboek van Strafrecht 55
Wetboek van Strafrecht 141
Wetboek van Strafrecht 157
Wetboek van Strafrecht 159
Wetboek van Strafrecht 302
Wetboek van Strafrecht 350
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector straf

parketnummer 17/675315-08

ter berechting gevoegd parketnummer 17/675313-08.

verkort vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 17 juni 2008 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1991 te [geboorteplaats],

wonende te [adres].

De rechtbank heeft gelet op het ter terechtzitting gehouden onderzoek van 3 juni 2008.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. P.A. van der Vliet, advocaat te Drachten.

Telastelegging

Aan dit vonnis is een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van de dagvaarding gehecht, waaruit de inhoud van de telastelegging geacht moet worden hier te zijn overgenomen.

In de telastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

Bewijsoverweging

De rechtbank overweegt met betrekking tot het onder 1 tenlastegelegde het navolgende.

Verdachte en zijn mededaders hebben, zo blijkt uit hun verklaringen, op 31 december 2007 in de loop van de dag bankstellen, afvalhout en andere goederen verzameld en op de hoek van de Burmaniastraat in Surhuisterveen daarvan een brandstapel gebouwd. Hoewel zij, naar hun eigen zeggen, geen van allen de brandstapel zelf in brand hebben gestoken, is de rechtbank van oordeel dat zij door hun handelen de aanmerkelijke kans hebben genomen en bewust aanvaard dat de brandstapel zou worden ontstoken. Een brandstapel, en zeker één die wordt gebouwd met het oog op de oud-en-nieuw viering, dient immers geen ander doel. De rechtbank stelt verder vast dat de brandstapel midden in een woonwijk is gebouwd en dat uit verschillende verklaringen, zoals die van medeverdachte [medeverdachte], blijkt dat een forse brand met hoge vlammen is ontstaan. De brandstichting heeft derhalve een gevaarlijke situatie doen ontstaan voor de omliggende woonhuizen en de daarin aanwezige bewoners. Verdachte is hiervoor strafrechtelijk medeaansprakelijk, zodat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 als eerste tenlastegelegde.

Zowel de door de politie gehoorde brandweerlieden als verdachte en zijn mededaders hebben verklaard dat toen de brandweer ter plaatse kwam om het vuur te blussen, een dreigende sfeer ontstond bij de omstanders, waarbij onder meer met vuurwerk is gegooid naar de brandende brandstapel. Gelet op de verklaringen in het dossier is zonder meer aannemelijk dat hierbij meerdere personen betrokken zijn geweest. Naar het oordeel van de rechtbank kan echter niet worden gesteld dat ieder van de omstanders, ongeacht zijn of haar precieze aandeel, strafrechtelijk als dader van het veroorzaken van ontploffingen kan worden aangemerkt. Uit de stukken blijkt immers dat het aantal omstanders groot was (40-50 personen) en dat de dichte mist het niet goed mogelijk maakte om waar te nemen wat anderen aan het doen waren. Onder deze omstandigheden is van impliciete nauwe en bewuste samenwerking, bijvoorbeeld door geen afstand te nemen van de gebeurtenissen, niet snel sprake.

Eén van de bij de brandstapel aanwezige jongeren, [getuige], heeft bij de politie verklaard dat hij heeft gezien dat verdachte en een aantal voor hem onbekende jongens zwaar vuurwerk hebben gegooid op de brandstapel, terwijl de brandweer deze aan het blussen was. Verdachte heeft zelf bij de politie en ter zitting toegegeven dat hij die avond zwaar vuurwerk (vlinderbommen) bij zich had en dat hij daarmee naar de brandstapel heeft gegooid. Gelet op de verklaring van [getuige] en de sfeer waarin één en ander plaatsvond acht de rechtbank niet geloofwaardig de verklaring van verdachte dat dat alleen zou zijn gebeurd toen de brandweer alweer vertrokken was. De gevolgen voor de blussende brandweerlieden of nietsvermoedende omstanders hadden groot kunnen zijn. Als zwaar vuurwerk in een brandende brandstapel wordt gegooid kan dat immers leiden tot een zodanige ontploffing, dat zwaar lichamelijk letsel of zelfs de dood van een op korte afstand aanwezig persoon in de rede ligt. Ten aanzien van verdachte kan derhalve wettig en overtuigend bewezen worden verklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1. als tweede tenlastegelegde. De rechtbank kan echter niet vaststellen dat hij dit heeft gedaan in nauwe en bewuste samenwerking met één van de andere omstanders.

Zoals hierboven aangegeven, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het gooien van zwaar vuurwerk naar de brandstapel terwijl de brandweer deze aan het blussen was. Naast het veroorzaken van een gevaarlijke ontploffing, heeft verdachte zich daarmee ook schuldig gemaakt aan het onder 1 als derde tenlastegelegde feit.

Met betrekking tot het onder 2 tenlastegelegde overweegt de rechtbank als volgt.

Zoals hiervoor overwogen, acht de rechtbank bewezen dat verdachte zwaar vuurwerk in de brandende brandstapel heeft gegooid, terwijl de brandweer deze aan het blussen was. Verdachte heeft daarmee tevens bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat één of meer van de betrokken brandweerlieden zwaar lichamelijk letsel zou oplopen, zodat eveneens bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 2 als eerste tenlastegelegde feit. Daarnaast heeft verdachte hiermee ook een aanzienlijke bijdrage geleverd aan het dreigende en agressieve gedrag dat een deel van de omstanders richting de brandweer heeft vertoond. Derhalve kan eveneens bewezen worden dat verdachte zich aan het onder 2 als tweede tenlastegelegde feit schuldig heeft gemaakt.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1, 2 en 3 telastegelegde bewezen, met dien verstande dat:

1.

hij omstreeks 31 december 2007 en 1 januari 2008 te Surhuisterveen, in de gemeente Achtkarspelen, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk brand heeft gesticht in een

brandstapel of stapel afval, een zgn. oud- en nieuwjaarsbrandbult, op de Burmaniastraat, immers hebben verdachte en zijn mededaders toen en aldaar opzettelijk afvalhout, bankstellen en andere goederen, dan wel afval, verzameld en daarvan een grote brand- of afvalstapel gemaakt en die brandstapel of stapel afval, een zgn. oud- en nieuwjaarsbrandbult,

aangestoken, ten gevolge waarvan brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor omliggende panden en woonhuizen en levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor aanwezigen en omwonenden te duchten was;

en

hij omstreeks 31 december 2007 en 1 januari 2008 te Surhuisterveen, in de gemeente Achtkarspelen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door in of op een brandstapel of een brandende stapel afval, een zgn. oud- en nieuwjaarsbrandbult, telkens zwaar vuurwerk te gooien waardoor deze telkens tot ontploffing werden gebracht, terwijl daarvan levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de aldaar ten tijde van de brand aanwezige werkzame/blussende brandweerlieden en omstanders/aanwezigen te duchten was;

en

hij omstreeks 31 december 2007 en 1 januari 2008 te Surhuisterveen, in de gemeente Achtkarspelen, opzettelijk de blussing van brand heeft belemmerd, immers heeft verdachte toen en aldaar opzettelijk in of op en in de richting van een brandstapel of een brandende stapel afval, een zgn. oud- en nieuwjaarsbrandbult aan de Burmaniastraat en op de aldaar ten tijde van de brand aanwezige werkzame/blussende brandweerlieden, zwaar vuurwerk gegooid, waardoor die brandweerlieden werden belemmerd om die brandstapel te blussen.

2.

hij omstreeks 31 december 2007 en 1 januari 2008 te Surhuisterveen, in de gemeente Achtkarspelen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf aan meerdere personen, te weten aan de toen en aldaar aanwezige blussende/werkzame brandweerlieden opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet zwaar vuurwerk op en/of naar, dan wel in de richting van die brandweerlieden heeft gegooid, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

en

hij omstreeks 31 december 2007 en 1 januari 2008 te Surhuisterveen, in de gemeente Achtkarspelen, met anderen, op of aan de openbare weg, de Burmaniastraat, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen brandweerlieden, welk geweld bestond uit het gooien van molotovcocktails, dan wel bierflessen gevuld met benzine, lege bierflessen en zwaar vuurwerk op en/of naar, dan wel in de richting van die brandweerlieden en het afsteken/schieten van vuurpijlen in de richting van die brandweerlieden.

3.

hij in de periode van 8 februari 2008 tot en met 13 februari 2008 te Surhuisterveen, in de gemeente Achtkarspelen, met anderen, op of aan de openbare wegen, de Dellen, de Kolk, de

Groningerstraat, de Langelaan en de B. Jacobus Schurerweg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen meerdere containers, een ruit van een bedrijfspand van [slachtoffer 1], een ruit van een bedrijfspand van [slachtoffer 2], een ruit van een bedrijfspand van [slachtoffer 3], een buitenlamp van een winkel, de [slachtoffer 4], planten en bomen van een tuin van een bedrijfspand van [slachtoffer 5], ruiten van een school [slachtoffer 6], het glas van een voordeur van een bedrijfspand van de [slachtoffer 7], ruiten van een eethuis (shoarmazaak) genaamd [slachtoffer 8] en een ruit van de gereformeerde kerk, welk geweld bestond uit het omver gooien van containers en het met een steen en/of klinker en/of stoeptegel ingooien en/of inslaan van/tegen die ruiten en het met een steen gooien tegen die buitenlamp en het uit de grond/tuin trekken/halen en op de weg gooien van die planten en bomen;

en

hij in de periode van 8 februari 2008 tot en met 13 februari 2008 te Surhuisterveen, in de gemeente Achtkarspelen, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk en wederrechtelijk een ruit toebehorende aan [slachtoffer 1] heeft vernield, een ruit toebehorende aan [slachtoffer 2] heeft vernield, een ruit toebehorende aan [slachtoffer 3] heeft vernield, een buitenlamp toebehorende aan [slachtoffer 4] heeft vernield, planten en bomen toebehorende aan [slachtoffer 5] heeft vernield, ruiten toebehorende aan [slachtoffer 6] heeft vernield, het glas van een voordeur toebehorende aan de [slachtoffer 7] heeft vernield, ruiten toebehorende aan [slachtoffer 8] heeft vernield en een ruit toebehorende aan de gereformeerde kerk heeft vernield.

De verdachte zal van het meer of anders tenlastegelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Kwalificatie

Het bewezene levert de volgende misdrijven op:

1. Medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is;

en

Opzettelijk een ontploffing te weeg brengen, terwijl daarvan levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is;

en

Opzettelijk op enige wijze de blussing van brand belemmeren.

2. Poging tot zware mishandeling;

en

Het openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

Ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde overweegt de rechtbank dat er sprake is van eendaadse samenloop.

3. Het openlijk in vereniging geweld plegen tegen goederen, meermalen gepleegd;

en

Medeplegen van opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van het onder 3 bewezenverklaarde overweegt de rechtbank dat er sprake is van eendaadse samenloop.

Strafmotivering

De rechtbank neemt bij de bepaling van de hierna te vermelden strafsoort en strafmaat in aanmerking:

- de aard en de ernst van de gepleegde feiten;

- de omstandigheden waaronder deze zijn begaan;

- de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken en deze naar voren komt uit het uittreksel uit het algemeen documentatieregister en het voorlichtingsrapport;

- de vordering van de officier van justitie tot veroordeling van verdachte ter zake het onder 1., 2. als tweede en 3. telastegelegde, tot een werkstraf voor de duur van 150 uren subsidiair 75 dagen jeugddetentie en een leerstraf voor de duur van 30 uren subsidiair 15 dagen jeugddetentie, bestaande uit het volgen van het leerproject Middelen en Delict, alsmede een voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van twee maanden, met een proeftijd van 2 jaar met als bijzondere voorwaarde de maatregel hulp en steun;

- het pleidooi van de raadsman.

Verdachte heeft zich tijdens oud-en-nieuw schuldig gemaakt aan brandstichting en het plegen van ernstig geweld tegen de brandweer, waarbij hij een ontploffing heeft veroorzaakt en de bluswerkzaamheden heeft belemmerd. Vervolgens heeft hij zich een maand later op één avond schuldig gemaakt aan een hele reeks vernielingen. Het gaat om zware feiten, die veel gevolgen hebben gehad, maar die bovendien nog veel ernstigere gevolgen hadden kunnen hebben.

De Raad voor de Kinderbescherming heeft in zijn rapportage zijn zorgen uitgesproken over het overmatig alcoholgebruik van verdachte, zijn beïnvloedbaarheid en het falende ouderlijk toezicht.

Hoewel verdachte sinds zijn aanhouding zijn leven een andere wending lijkt te geven, is de kans op herhaling volgens de Raad nog steeds aanwezig. Om die reden adviseert de Raad om verdachte onder toezicht te stellen van de Jeugdreclassering.

De rechtbank zal dit advies overnemen. Gelet op de ernst van de feiten zal de rechtbank dit toezicht verbinden aan een voorwaardelijke jeugddetentie, zoals de officier van justitie ook heeft geëist. Ook zal de rechtbank de leerstraf Middelen en Delict opleggen. Daarnaast past een forse onvoorwaardelijke werkstraf, waarbij voor wat betreft de hoogte kan worden aangesloten bij de strafeis.

Benadeelde partij

[slachtoffer 2] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door hem geleden schade ten gevolge van het aan verdachte onder feit 3 telastegelegde en bewezenverklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust.

De rechtbank is van oordeel dat de gestelde schade voldoende aannemelijk is geworden en in zodanig verband staat met het door verdachte gepleegde strafbare feit, dat deze aan hem als een gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend. De rechtbank acht de vordering, die niet danwel onvoldoende door verdachte en diens raadsman is weersproken, derhalve gegrond en voor hoofdelijke toewijzing vatbaar.

De rechtbank acht daarnaast oplegging van de schadevergoedingsmaatregel aangewezen.

Benadeelde partij

[slachtoffer 9] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade ten gevolge van het aan verdachte onder feit 3 telastegelegde en bewezenverklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust.

De rechtbank is van oordeel dat de gestelde schade voldoende aannemelijk is geworden en in zodanig verband staat met het door verdachte gepleegde strafbare feit, dat deze aan hem als een gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend. De rechtbank acht de vordering, die niet danwel onvoldoende door verdachte en diens raadsman is weersproken, derhalve gegrond en voor hoofdelijke toewijzing vatbaar.

De rechtbank acht daarnaast oplegging van de schadevergoedingsmaatregel aangewezen.

Benadeelde partij

[slachtoffer 6] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door hem geleden schade ten gevolge van het aan verdachte onder feit 3 telastegelegde en bewezenverklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust.

De rechtbank is van oordeel dat de gestelde schade voldoende aannemelijk is geworden en in zodanig verband staat met het door verdachte gepleegde strafbare feit, dat deze aan hem als een gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend. De rechtbank acht de vordering, die niet danwel onvoldoende door verdachte en diens raadsman is weersproken, derhalve gegrond en voor hoofdelijke toewijzing vatbaar.

De rechtbank acht daarnaast oplegging van de schadevergoedingsmaatregel aangewezen.

Benadeelde partij

[slachtoffer 8] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door hem geleden schade ten gevolge van het aan verdachte onder feit 3 telastegelegde en bewezenverklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust.

De rechtbank is van oordeel dat de gestelde schade voldoende aannemelijk is geworden en in zodanig verband staat met het door verdachte gepleegde strafbare feit, dat deze aan hem als een gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend. De rechtbank acht de vordering, die niet danwel onvoldoende door verdachte en diens raadsman is weersproken, derhalve gegrond en voor hoofdelijke toewijzing vatbaar.

De rechtbank acht daarnaast oplegging van de schadevergoedingsmaatregel aangewezen.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 45, 47, 55, 77a, 77g, 77m, 77n, 77x oud,77y oud, 77z oud, 77aa, 141, 157, 159, 302, 350 van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT, RECHTDOENDE:

Verklaart het onder 1, 2 en 3 telastegelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar in voege als voormeld en verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte te dier zake tot:

Een jeugddetentie voor de duur van 2 maanden.

Bepaalt, dat deze jeugddetentie niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op twee jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of gedurende die proeftijd de hierna te vermelden bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde, dat de veroordeelde:

- zich bij het ingaan van de proeftijd meldt bij de afdeling reclassering van Bureau Jeugdzorg Friesland te Leeuwarden;

- ervoor zorgt dat hij gedurende de proeftijd bereikbaar is voor deze reclasseringsinstelling;

- zich gedurende de proeftijd gedraagt naar de voorschriften en aanwijzingen hem te geven door of namens genoemde reclasseringsinstelling.

Draagt genoemde reclasseringsinstelling op de veroordeelde bij de naleving van de voorwaarden hulp en steun te verlenen.

Een werkstraf, bestaande uit het verrichten van 150 uren onbetaalde arbeid. De arbeid moet binnen 6 maanden zijn verricht. Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie voor de duur van 75 dagen zal worden toegepast.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige jeugddetentie doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde werkstraf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 uren per dag inverzekeringstelling/voorlopige jeugddetentie.

Een leerstraf, bestaande uit het volgen van het leerproject Middelen en Delict voor de duur van 30 uren. Het leerproject moet plaatsvinden binnen 6 maanden. Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de leerstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie voor de duur van 15 dagen zal worden toegepast.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is telastegelegd dan het bewezenverklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2], gevestigd te [adres], toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 450,30 (zegge: vierhonderdvijftig euro en dertig eurocent ), in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader(s) van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2], te betalen een som geld ten bedrage van € 450,30 (zegge: vierhonderdvijftig euro en dertig eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door jeugddetentie voor de duur van negen dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende jeugddetentie de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft en in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader(s) van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat van een bedrag van € 450,30 ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2], daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en vice versa, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 9], gevestigd te [adres], toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 62,35 (zegge: tweeënzestig euro en vijfendertig eurocent), in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader(s) van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 9], te betalen een som geld ten bedrage van € 62,35 (zegge: tweeënzestig euro en vijfendertig eurocent bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door jeugddetentie voor de duur van één dag, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende jeugddetentie de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft en in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader(s) van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat van een bedrag van € 62,35 ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 9], daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en vice versa, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 6], gevestigd te [adres], toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 2.853,97 (zegge: tweeduizend achthonderddrieënvijftig euro en zevenennegentig eurocent), in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader(s) van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 6], te betalen een som geld ten bedrage van € 2.853,97 (zegge: tweeduizend achthonderddrieënvijftig euro en zevenennegentig eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door jeugddetentie voor de duur van 44 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende jeugddetentie de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft en in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader(s) van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat van een bedrag van € 2.853,97 ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 6], daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en vice versa, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 8], wonende te [adres], toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 587,30 (zegge: vijfhonderdzevenentachtig euro en dertig eurocent ), in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader(s) van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 8], te betalen een som geld ten bedrage van € 587,30 (zegge: vijfhonderdzevenentachtig euro en dertig eurocent ), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door jeugddetentie voor de duur van elf dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende jeugddetentie de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft en in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader(s) van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat van een bedrag van € 587,30 ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 8], daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en vice versa, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. G. Bracht, voorzitter, mr. G.C. Koelman, rechter en mr. J. van Bruggen, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. D.M.A. Jansen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 17 juni 2008. Mr. G. Bracht is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.