Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2008:BD4767

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
19-06-2008
Datum publicatie
19-06-2008
Zaaknummer
17/880071-08 VON
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHLEE:2010:BM3289, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Poging zware mishandeling, bedreiging, Zwaagwesteinde, gaspatronen, uitvoeringshandelingen, medeplegen

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 285
Wetboek van Strafrecht 303
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector straf

parketnummer 17/880071-08

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 19 juni 2008 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1959 te [geboorteplaats],

wonende te [adres],

thans gedetineerd in PI Overijssel, HvB Karelskamp te Almelo.

De rechtbank heeft gelet op het ter terechtzitting gehouden onderzoek van 5 juni 2008.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. C. Grondsma, advocaat te Leeuwarden.

Telastelegging

Aan dit vonnis is een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van de dagvaarding gehecht, waaruit de inhoud van de telastelegging geacht moet worden hier te zijn overgenomen.

In de telastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

Vordering officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd:

- vrijspraak van het onder 4. telastegelegde;

- veroordeling voor het onder 1. primair telastegelegde, 2. primair telastegelegde, 3. primair telastegelegde en voor het onder 5. telastegelegde;

- oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren, met aftrek van het voorarrest;

- toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] tot een bedrag van € 2.000,00, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel voor het gehele bedrag;

- toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] tot een bedrag van € 4.544,66, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel voor het gehele bedrag.

Partiële vrijspraak

Uit het dossier laat zich in algemene zin vaststellen dat de slachtoffers [slachtoffer 3], [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] op 20 februari 2008 spullen uit de woning van [medeverdachte 1] hebben gehaald. Onder welke omstandigheden dit is gebeurd, is niet komen vast te staan en is verder niet relevant. Als reactie heeft [medeverdachte 1] zijn broers [medeverdachte 2], [medeverdachte 3] en verdachte [verdachte] bijeengeroepen. Zij hebben daarna enige tijd in het huis van [medeverdachte 1] verbleven. [medeverdachte 2] en verdachte hebben op enig moment telefonisch contact gezocht met [slachtoffer 3] en [slachtoffer 1]. Vervolgens zijn de broers in verschillende auto's naar café De Kelder in Zwaagwesteinde gereden. Verdachte kwam daar als eerste aan. Korte tijd later arriveerden ook [medeverdachte 1], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2]. Voor het café is fors geweld gepleegd, waarvan [slachtoffer 1], [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] het slachtoffer zijn geworden. Verder is gebleken dat het geweld jegens [slachtoffer 1] eerst heeft plaatsgevonden en dat [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] kort daarop zijn aangevallen. Ter plekke is met een pistool geschoten.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat elk van de verdachten een rol heeft gehad in het totaal van deze gewelddadigheden jegens de slachtoffers in de nacht van 21 februari 2008. De rechtbank dient voor elke individuele verdachte te oordelen op de grondslag van de telastelegging.

Allereerst is de rechtbank -met de officier van justitie en de raadsvrouw- van oordeel dat niet bewezen kan worden dat kogels zijn afgevuurd. Immers zijn alle aangetroffen hulzen afkomstig van gaspatronen, volgens de rapportage van het NFI. Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft ook verklaard dat hij uitsluitend gaspatronen heeft afgevuurd. Bij onderzoek ter plaatse heeft de technische recherche geen inslagen in muren of op straattegels aangetroffen.

Onder 1. primair, is aan verdachte telastegelegd het medeplegen van poging tot moord, althans doodslag op [slachtoffer 1]. Voor medeplegen, in de zin van art. 47, eerste lid onder 1° van het Wetboek van Strafrecht, van een strafbaar feit is vereist dat meerdere personen nauw en bewust samenwerken met het oog op het verrichten van de strafbare gedraging, en dat die personen voorafgaand aan of tijdens het delict enige bijdrage hebben geleverd aan de gezamenlijke uitvoering. In dit geval is uit de bewijsmiddelen onvoldoende gebleken van een door de broers gemaakte afspraak om [slachtoffer 1] geweld aan te doen. Ook is niet gebleken dat de telefonische bedreiging van verdachte in nauw overleg is gegaan met anderen. De enige aanwijzing hiertoe is dat verdachten na een bijeenkomst op instigatie van [medeverdachte 1], naar Zwaagwesteinde zijn gereden. Naar het oordeel van de rechtbank is uit het onderzoek ter terechtzitting gebleken dat verdachte de enige is geweest die uitvoeringshandelingen jegens [slachtoffer 1] heeft verricht. Immers, uit de bewijsmiddelen komt naar voren dat zijn broers pas ter plaatste arriveerden nadat verdachte reeds had getracht aangever [slachtoffer 1] te slaan met een hard langwerpig voorwerp, zodat het gelijktijdig in groepsverband optreden evenmin kan worden bewezen. De rechtbank is van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is om medeplegen te kunnen aannemen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat verdachte de volgende uitvoeringshandelingen heeft verricht. Verdachte heeft getracht om [slachtoffer 1] meermalen met een lang hard voorwerp te slaan tegen diens lichaam. Naar de uiterlijke verschijningsvorm is dit geweld gericht op het veroorzaken van pijn of letsel en niet op de dood. Verdachte dient derhalve van het onder 1. primair telastegelegde te worden vrijgesproken.

Onder 1. subsidiair wordt verdachte het medeplegen van poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, al dan niet met voorbedachten rade verweten.

Mutatis mutandis geldt ten aanzien van het medeplegen hiervan hetzelfde als de rechtbank ten aanzien van 1., primair, heeft overwogen. De rechtbank acht wel bewezen dat verdachte heeft getracht om [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk toe te brengen met een lang hard voorwerp. De rechtbank acht het medeplegen daarvan niet bewezen en zal verdachte van het medeplegen vrijspreken.

De rechtbank zal verdachte tevens vrijspreken van het onder 2. primair en 2. subsidiair telastegelegde. De aangifte houdt -kort gezegd- in dat [slachtoffer 2] op een gegeven moment hevige pijn op zijn achterhoofd voelde en neerviel. Hij kan niet verklaren wie hem dit letsel heeft toegebracht. Ook uit andere bewijsmiddelen kan dat niet worden vastgesteld, nu er naast de aangifte en de medische verklaring geen ander ondersteunend bewijs is. De mogelijkheid blijft dus open dat een ander dan verdachte dit feit heeft gepleegd. De rechtbank is van oordeel -mede gelet op hetgeen hiervoor is overwogen omtrent de aan medeplegen te stellen eisen- dat ook hier het wettig en overtuigend bewijs van medeplegen of individueel plegen ontbreekt.

Ten aanzien van het onder 2. meer subsidiair telastegelegde feit overweegt de rechtbank als volgt. Er is sprake van het 'in vereniging' plegen van geweld indien verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard behoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die 'in vereniging' geweld pleegt. In deze zaak acht de rechtbank het opmerkelijk dat de tenlasteleggingen terzake openlijk geweld zijn toegespitst per slachtoffer. Onder 2, meer subsidiair, is -kort gezegd- niet aan verdachte telastegelegd dat hij deelnam aan het openlijk geweld tegen de drie slachtoffers, maar is hem -veel specifieker- telastegelegd dat hij deelnam aan openlijk geweld jegens [slachtoffer 2]. Uit het onderzoek ter terechtzitting is echter niet gebleken dat verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan dit jegens [slachtoffer 2] gepleegde geweld. Verdachte dient daarom vrijgesproken te worden van het onder 2., meer subsidiair, telastegelegde.

Onder 3. primair, is aan verdachte telastegelegd het medeplegen van moord, althans doodslag op [slachtoffer 3]. De rechtbank is van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is voor het medeplegen van dit feit, nu niet is gebleken van een nauwe en bewuste samenwerking ten aanzien van dit feit. Uit de bewijsmiddelen is onvoldoende gebleken dat verdachte afspraken met zijn broers heeft gemaakt om [slachtoffer 3] geweld aan te doen. Ook is niet gebleken dat de door anderen dan verdachte geuite telefonische bedreigingen in nauw overleg met verdachte zijn gedaan. De enige aanwijzing hiervoor is dat verdachten na een bijeenkomst op instigatie van [medeverdachte 1], naar Zwaagwesteinde zijn gereden. Naar het oordeel van de rechtbank is ook niet gebleken dat verdachte uitvoeringshandelingen jegens [slachtoffer 3] heeft verricht. Op grond daarvan zal de rechtbank verdachte vrijspreken van het onder 3. primair telastegelegde.

Onder 3. subsidiair wordt verdachte het medeplegen van het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, al dan niet met voorbedachten rade verweten. Mutatis mutandis geldt ten aanzien hiervan hetzelfde als de rechtbank ten aanzien van 3. primair, heeft overwogen. Van het onder 3. subsidiair telastegelegde moet verdachte daarom eveneens worden vrijgesproken.

Onder 3. meer subsidiair is telastegelegd dat verdachte openlijk geweld heeft gepleegd, ditmaal specifiek tegen [slachtoffer 3]. Met verwijzing naar haar voorgaande overwegingen merkt de rechtbank op dat ook deze tenlastelegging is toegespitst op dit slachtoffer. Aan verdachte is dus niet telastegelegd dat hij deelnam aan openlijk geweld tegen alle slachtoffers, maar -veel specifieker- dat hij deelnam aan openlijk geweld jegens [slachtoffer 3].

Uit het onderzoek ter terechtzitting is echter niet gebleken dat verdachte hieraan een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd. Verdachte dient vrijgesproken te worden van het onder 3., meer subsidiair, telastegelegde.

Ten aanzien van feit 4 is de rechtbank - met de officier van justitie en de raadsvrouw - van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is en dat verdachte vrijgesproken dient te worden van dit feit.

Bewijsmiddelen

De rechtbank past met betrekking tot de telastegelegde feiten de volgende bewijsmiddelen toe:

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 5 juni 2008, onder meer inhoudende:

De [naam] is mijn bijnaam.

2. het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verbalisant [verbalisant] (p.93), onder meer inhoudende als verklaring van [slachtoffer 1]:

Op 20 februari 2008 ben ik samen met [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] naar Leeuwarden gegaan. Toen wij later bij mij thuis in de woning in Zwaagwesteinde zaten, toen belde [verdachte] mij op. [verdachte] vroeg mij of ik [slachtoffer 1] was en of ik op de [adres] woonde. Ik hoorde dat hij tegen mij zei dat hij mij af zou maken. Hij zei ook dat hij bij mij zou komen. Later heeft hij mij op mijn eigen mobiel gebeld. [verdachte] heeft mij toen weer bedreigd met de woorden: 'We maken je af'. Ik voelde mij door die telefoontjes bedreigd.

3. het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] (pag. 98), onder meer inhoudende als verklaring van [slachtoffer 1]:

[slachtoffer 2], [slachtoffer 3] en ik besloten naar café De Kelder te gaan. We zaten ongeveer een half uur aan de tafel toen ik zag dat [verdachte] het café binnenkwam. Ik zag dat [verdachte] naar buiten ging naar de auto's die voor het café stonden. Ik zag dat [verdachte] bij een auto ging staan. Ik zag dat [verdachte] daar voorover bukte. Hierop zijn we direct vertrokken. We hadden het café nog maar net verlaten toen ik hoorde dat [verdachte] riep: '[slachtoffer 3], kom eens hier', en vervolgens '[slachtoffer 1]'. Op het moment dat wij ter hoogte van de hoek van het café waren, keek ik om en ik zag dat [verdachte] op een drafje in onze richting kwam lopen. Ik zag dat [verdachte] hierbij zijn linkerhand op zijn rug hield. Toen [verdachte] mij tot op een afstand van ongeveer een meter was genaderd, zag ik dat [verdachte] een knuppel vanachter zijn rug tevoorschijn haalde. Ik zag dat [verdachte] hiermee direct uithaalde in de richting van mijn hoofd. Ik was in staat om de knuppel te ontwijken door achteruit te springen.

4. het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] (p.64), onder meer inhoudende als verklaring van [slachtoffer 3]:

Op 20 februari 2008 was ik in de woning van [slachtoffer 1] in Zwaagwesteinde. Ik zag dat er een privé-nummer belde. Ik nam de telefoon op. Ik hoorde de persoon aan de andere kant van de lijn zeggen: 'Met [verdachte]'. [verdachte] is een broer van [medeverdachte 1]. Ik ken [verdachte] dus ook al heel lang en bijna net zo goed als [medeverdachte 1]. Ik herkende ook aan de stem dat het [verdachte] was aan de telefoon. [verdachte] is een bijnaam, in het echt heet [verdachte] [verdachte]. Hij vroeg om [slachtoffer 1]. Ik gaf dus de telefoon aan [slachtoffer 1]. Het gesprek tussen [slachtoffer 1] en [verdachte] klonk geïrriteerd.

Na de vervelende telefoontjes besloten wij om naar de Kelder te gaan. Ik zag [verdachte] binnen komen in de Kelder. Toen wij buiten kwamen hoorde ik [verdachte] roepen. [verdachte] kwam op een drafje op ons af. Ik zag vervolgens dat [verdachte] met zijn linkerhand een zwaai maakte naar [slachtoffer 1]. Ik zag dat [verdachte] een stuk ijzer in zijn hand had. Ik zag duidelijk dat [verdachte], [slachtoffer 1] probeerde te slaan met dat stuk ijzer. Dit mislukte omdat [slachtoffer 1] steeds weg sprong.

De rechtbank acht het een feit van algemene bekendheid dat de plaats Zwaagwesteinde is gelegen in de gemeente Dantumadeel.

Bovenstaande wettige bewijsmiddelen -in onderling verband en samenhang beschouwd- houden de redengevende feiten en omstandigheden in waarop de beslissing van de rechtbank steunt dat verdachte de hierna bewezenverklaarde feiten heeft begaan.

Bewijsoverweging

De raadsvrouw van verdachte heeft bepleit dat de verklaringen van [slachtoffer 3] niet tot het bewijs kunnen worden gebezigd, nu deze verklaringen niet betrouwbaar zijn omdat ze tegenstrijdig zijn met elkaar.

De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende. Getuigenverklaringen dienen te worden beoordeeld op consistentie, accuraatheid en volledigheid. Het enkele feit dat in getuigenverklaringen op punten tegenstrijdigheden voorkomen, maakt deze verklaringen op zichzelf nog niet onbetrouwbaar. Dit kan immers te wijten zijn aan de feilbaarheid van het menselijk geheugen, teweeggebracht onder invloed van emoties door het delict of door tijdsverloop. Het gaat om de totale indruk die de verklaring maakt en de wijze waarop zij is afgelegd. [slachtoffer 3] heeft over de jegens haar gepleegde mishandeling steeds verklaard dat zij door verdachte werd geslagen met een lang hard voorwerp en dat zij door medeverdachte [medeverdachte 1] werd geschopt. Op dit punt verschillen haar verklaringen niet van elkaar. De rechtbank heeft haar verklaring ook ter zitting kunnen toetsen. Als geheel acht de rechtbank deze verklaring voldoende geloofwaardig en niet zodanig in strijd met eerdere verklaringen die [slachtoffer 3] heeft afgelegd dat haar verklaring als onvoldoende betrouwbaar terzijde moet worden gelaten. Leugens of feitelijke onmogelijkheden heeft de rechtbank niet kunnen vaststellen. De rechtbank verwerpt daarom het verweer van de raadsvrouw.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1. subsidiair en 5. telastegelegde bewezen, met dien verstande dat:

1. subsidiair

hij op 21 februari 2008 te Zwaagwesteinde, in de gemeente Dantumadeel, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer 1], opzettelijk en met voorbedachten rade, zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg, meermalen met een hard langwerpig voorwerp, heeft geslagen in de richting van delen van het lichaam van die [slachtoffer 1], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

5.

hij in de periode van 20 februari 2008 tot en met 21 februari 2008 te Zwaagwesteinde, in de gemeente Dantumadeel, meermalen, [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 1] telefonisch dreigend de woorden toegevoegd : "we komen naar je toe en maken je af" en "we maken je af".

De verdachte zal van het meer of anders telastegelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Kwalificatie

Het bewezene levert op misdrijven:

1. subsidiair: poging tot zware mishandeling gepleegd met voorbedachte raad

5.: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

De rechtbank neemt bij de bepaling van de hierna te vermelden strafsoort en strafmaat in aanmerking:

- de aard en de ernst van de gepleegde feiten;

- de omstandigheden waaronder deze zijn begaan;

- de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken en deze naar voren komt uit het uittreksel uit het algemeen documentatieregister en het voorlichtingsrapport;

- de vordering van de officier van justitie;

- het pleidooi van de raadsvrouw.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling met voorbedachte raad en aan telefonische bedreiging van hetzelfde slachtoffer. Verdachte heeft daarmee de lichamelijke integriteit en de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer geschonden. Voor dergelijke feiten hanteert de rechtbank oriëntatiepunten. Deze adviseren voor zware mishandeling met middelzwaar letsel 9 maanden gevangenisstraf en voor mondelinge bedreiging zonder gebruik van een wapen een geldboete.

Strafverzwarend werkt dat sprake is geweest van voorbedachte raad in de vorm van een bewuste wraakactie tegen het slachtoffer, waarbij verdachte het recht in eigen hand heeft genomen. Strafverminderend werkt dat het gaat om een strafbare poging en voorts dat verdachte blijkens het voorlichtingsrapport van de reclassering onder ongunstige omstandigheden is opgegroeid en blijkbaar te weinig vaardigheden heeft meegekregen om in situaties die spanningen meebrengen adequaat te reageren.

Nu de beide feiten met elkaar in verband staan dient één straf te worden opgelegd. Om de ernst van de feiten te onderstrepen moet dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zijn. Deze is aanzienlijk lager dan de straf die de officier van justitie heeft gevorderd, omdat de rechtbank verdachte van de meeste feiten vrijspreekt.

Benadeelde partijen

[slachtoffer 1] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door hem geleden schade ten gevolge van het aan verdachte onder 1. telastegelegde en bewezenverklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust.

De rechtbank is van oordeel dat de gestelde schade voldoende aannemelijk is geworden en in zodanig verband staat met het door verdachte gepleegde strafbare feit, dat deze aan hem als een gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend. De rechtbank acht de vordering, die niet danwel onvoldoende door verdachte en diens raadsvrouw is weersproken, derhalve gegrond en voor toewijzing vatbaar.

De rechtbank acht daarnaast oplegging van de schadevergoedingsmaatregel aangewezen.

[slachtoffer 2] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door hem geleden schade ten gevolge van het aan verdachte onder 2. telastegelegde en bewezenverklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust.

De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij niet ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vordering, nu verdachte van het feit waarop deze vordering betrekking heeft, wordt vrijgesproken.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 45, 57, 285 en 303 van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT, RECHTDOENDE:

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 1. primair, 2. primair, 2. subsidiair, 2. meer subsidiair, 3. primair, 3. subsidiair, 3. meer subsidiair en 4. is telastegelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1. subsidiair en 5. telastegelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar in voege als voormeld en verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte te dier zake tot:

Een gevangenisstraf voor de duur van tien maanden.

Beveelt, dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is telastegelegd dan het bewezenverklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1], wonende te [adres], toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 2.000,00 (zegge: tweeduizend euro).

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1], te betalen een som geld ten bedrage van € 2.000,00 (zegge: tweeduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 40 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat van een bedrag van € € 2.000,00 ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1], daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en vice versa, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 2] niet ontvankelijk is in de vordering en dat deze slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Bepaalt dat deze benadeelde partij en verdachte ieder de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.H. Severein, voorzitter, mr. J.G.W. Lootsma-Oude Nijeweme en mr. K. Post, rechters, bijgestaan door mr. E. Haitsma, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 19 juni 2008.