Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2008:BD4765

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
19-06-2008
Datum publicatie
23-06-2008
Zaaknummer
AWB 07/2663
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vrijstelling en bouwvergunning met betrekking tbt de bouw van drie bruggen bij het Polderhoofdkanaal.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

Procedurenummer: AWB 07/2663

uitspraak van 19 juni 2008 van de enkelvoudige kamer op grond van artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

inzake het geding tussen

[naam eiser 1], [naam eiser 2], [naam eiser 3] en [naam eiser 4],

allen wonende te [woonplaats],

eisers,

gemachtigde: mr. I. van der Meer, advocaat bij Rotshuizen Geense Advocaten te Leeuwarden,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Smallingerland,

verweerder,

gemachtigden: J. Boersma en H. Roossien, werkzaam bij verweerders gemeente.

Procesverloop

Bij brieven van 12 september 2007 heeft verweerder eisers mededeling gedaan van zijn besluit op bezwaar betreffende de toepassing van de Woningwet en de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO).

Tegen deze besluiten is namens eisers beroep aangetekend.

Op grond van artikel 8:26 lid 1 Awb is de gemeente Smallingerland, afdeling openbare werken (hierna: de vergunninghouder), door de rechtbank in de gelegenheid gesteld als partij aan het geding deel te nemen. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De zaak is -gevoegd met zaak 07/2832- behandeld ter zitting van de rechtbank, gehouden op 1 april 2008. Eiser [naam eiser 2] is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is verschenen bij voornoemde gemachtigden.

Motivering

Op 8 januari 2007 heeft de vergunninghouder een reguliere bouwvergunning aangevraagd voor het geheel vernieuwen van drie bruggen gelegen op het traject Polderhoofdkanaal in de gemeente Smallingerland.

Bij besluit van 4 mei 2007 heeft verweerder met toepassing van artikel 19 lid 2 WRO de gevraagde bouwvergunning verleend.

Het namens eisers tegen voormeld besluit gemaakte bezwaar is bij de thans bestreden besluiten ongegrond verklaard.

In beroep hebben eisers aangevoerd dat geen sprake is van een naar aard en omvang beperkte aanleg, wijziging of reconstructie van de bestaande weginfrastructuur als genoemd onder B1. sub k van het besluit van Gedeputeerde Staten (hierna: GS) tot aanwijzing van vrijstellingscategorieën als bedoeld in artikel 19 lid 2 WRO. Nu de te bouwen bruggen op een andere locatie gebouwd worden dan de bestaande bruggen, is geen sprake van aanleg, wijziging of reconstructie van bestaande weginfrastructuur. Er is voorts geen sprake van een beperkte aanleg, wijziging of reconstructie, nu het bruggen van minimaal 3 meter hoogte betreft die dienen ter vervanging van bruggen die op gelijk niveau met het wegdek liggen. Voorts hebben eisers aangevoerd dat niet voldaan is aan de in voormeld besluit genoemde voorwaarden voor de toepassing van de aangewezen vrijstellingen; hierbij verwijzen eisers naar artikel 3 onder c, d, e en g van voormeld besluit. Eisers hebben tevens aangevoerd dat het welstandsadvies strijdig is met de gemeentelijke welstandsnota waardoor dit advies niet als onderbouwing kan dienen. Daarnaast hebben eisers aangevoerd dat zij eigenaar zijn van de bestaande bruggen, zij hebben voor het onderhoud zorg gedragen en zijn de enige gebruikers geweest.

De rechtbank overweegt als volgt.

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van eisers overweegt de rechtbank dat op grond van artikel 7:1 in samenhang met artikel 8:1 Awb alleen bezwaar en beroep tegen een besluit kan worden ingesteld door een belanghebbende. Onder belanghebbende dient ingevolge artikel 1:2 lid 1 Awb te worden verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Verweerder heeft in één besluit een bouwvergunning onder vrijstelling verleend ten behoeve van de bouw van drie bruggen. Nu eisers allen woonachtig zijn in de nabijheid van (tenminste) één van deze bruggen zijn de belangen van eisers rechtstreeks betrokken bij het onderhavige besluit en zijn zij belanghebbenden.

De gemeente Smallingerland heeft een plan ontwikkeld om het bestaande Polderhoofdkanaal weer bevaarbaar te maken. Hiertoe dient onder meer een drietal lage vaste bruggen vervangen te worden door nieuwe vaste bruggen met een doorvaarthoogte van 2,70 meter en een vrije doorvaartbreedte van 7 meter. Voor het betrokken plangebied vigeert het bestemmingsplan "Buitengebied" en is de bestemming "Laagveenontginning" en "Natuurgebied" van toepassing. Vaststaat en tussen partijen is ook niet in geschil dat het bouwplan in strijd is met het geldende bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 19 lid 2 WRO kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in door GS, in overeenstemming met de inspecteur, aangegeven categorieën van gevallen. Eisers en verweerder zijn verdeeld over de vraag of verweerder in het onderhavige geval bevoegd is op grond van artikel 19 lid 2 WRO vrijstelling van het bestemmingsplan te verlenen. Hieromtrent overweegt de rechtbank als volgt.

GS hebben bij besluit van 18 november 2005, gepubliceerd op 17 augustus 2006 in het provinciaal blad van Fryslân 2006 nummer 20, gelet op het bepaalde in artikel 19 lid 2 WRO, een (verruimde) limitatieve lijst met aangewezen categorieën van vrijstellingen vastgesteld, waarvoor tevoren geen verklaring van geen bezwaar behoeft te worden gevraagd (rechtbank: de zogenaamde categorieën van gevallen als bedoeld in artikel 19 lid 2 WRO). Hierbij is onder andere de volgende categorie onderscheiden:

B1k. Aanleg en wijziging infrastructuur:

Vrijstelling t.b.v. een naar aard en omvang beperkte aanleg, wijziging of reconstructie van bestaande weg-en waterinfrastructuur en groenvoorzieningen, met eventuele daarbij behorende kunstwerken, overige bouwwerken en andere werken.

In het voormelde besluit van GS zijn tevens -onder nummer 3- voorwaarden voor de toepassing van de aangewezen vrijstellingen opgenomen. Deze voorwaarden luiden -voor zover van belang in deze zaak- als volgt:

Van de aangewezen vrijstellingen mag alleen gebruik worden gemaakt indien:

c. het project in overeenstemming is met relevante wetgeving, alsmede daarmee samenhangende onderzoeks- en motiveringsverplichtingen op het gebied van de ruimtelijke ordening en de omgevingsaspecten zoals geluidhinder, ecologie, bodem en archeologie, water(toets), luchtkwaliteit en externe veiligheid;

d. het project niet is gelegen binnen of geen gevolgen heeft voor de (bruto) ecologische hoofdstructuur, de ecologische verbindingszones, archeologisch waardevolle gebieden, overige natuurgebieden en milieubeschermingsgebieden binnen de provincie, alsmede binnen de ruimtelijk te reserveren c.q. gereserveerde zones t.b.v. vaarwegen, dijkverzwaring en (rijks)wegen;

e. het project geen onevenredige hinder en/of beperkingen toebrengt aan omringende functies en bestemmingen;

g. het project naar aard en schaal en in milieukundig opzicht past in de ruimtelijke en stedenbouwkundige omgeving en aldus voldoet aan het criterium van een goede ruimtelijke kwaliteit.

Teneinde vast te stellen of sprake is van een geval als genoemd onder B1k dient naar het oordeel van de rechtbank -gezien de tekst van B1k- de feitelijke situatie als uitgangspunt te worden genomen en niet -zoals verweerder gesteld heeft- de situatie zoals die mogelijk is op basis van het geldende bestemmingsplan. In de feitelijke situatie liggen al drie bruggen en zij vormen een reeds bestaande weginfrastructuur. Ten opzichte van de bestaande bruggen worden bij het onderhavige bouwplan de bruggen enigszins verplaatst en verhoogd, waardoor naar het oordeel van de rechtbank sprake is van een beperkte wijziging van de weginfrastructuur. Het bouwproject kan derhalve onder categorie B1k van de lijst van GS geplaatst worden.

Ten aanzien van de voorwaarden die in het besluit van GS gesteld zijn voor de toepassing van de aangewezen vrijstellingen overweegt de rechtbank het volgende.

In het kader van de onder c genoemde voorwaarde hebben eisers aangevoerd dat verweerder geen onderzoek gedaan heeft naar de ecologie en de luchtkwaliteit. De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende onderzoek gedaan heeft naar de ecologische gevolgen van het verplaatsen van de bruggen. Verweerder heeft in zijn verweerschrift gesteld dat in verschillende rapporten het onderzoek naar de ecologische gevolgen van het bevaarbaar maken van het Polderhoofdkanaal beschreven staat en dat hierbij tevens de vervanging van de bruggen is meegenomen. Verweerder heeft een aantal voorbeelden van passages uit de betreffende rapporten in zijn verweerschrift opgenomen. Eén passage luidt dat "de vervanging van bruggen leidt tot biotoopverlies van de landhoofden en op- en afritten, met mogelijke schade aan beschermde soorten". Niet gebleken is dat verweerder deze mogelijke schade nader onderzocht heeft en mogelijke oplossingen onderzocht heeft. Naar het oordeel van de rechtbank kan derhalve niet gesteld worden dat het bouwproject in overeenstemming is met de -in het besluit van GS onder 3 sub c vermelde- onderzoeksverplichting op het gebied van de ecologie. Voorts is de rechtbank van oordeel dat het aspect van de luchtkwaliteit geen rol speelt bij de verplaatsing van de bruggen. Dit aspect kan eerst een rol spelen bij het bevaarbaar maken van het Polderhoofdkanaal, maar dit bevaarbaar maken is geen onderdeel van het onderhavige geschil en vloeit ook niet automatisch voort uit het verplaatsen en verhogen van de bruggen. Verweerder was dan ook niet verplicht onderzoek te doen naar de luchtkwaliteit.

Ten aanzien van de ontheffing in het kader van de Flora- en faunawet overweegt de rechtbank dat deze ontheffing bij besluit van 20 september 2007 verleend is en bij besluit van de voorzieningenrechter van 17 oktober 2007 geschorst is. Nu de thans in geding zijnde beslissing op bezwaar, waarbij de vrijstellingsverlening gehandhaafd is, reeds genomen is op 12 september 2007 en van contra-indicaties toen niet gebleken is, had verweerder ten tijde van de beslissing op bezwaar niet in redelijkheid kunnen en moeten inzien dat de Flora-en faunawet aan de uitvoerbaarheid van het bouwplan in de weg zou staan. De later geschorste ontheffing kan derhalve niet aan het verlenen van de vrijstelling in de weg staan.

Ten aanzien van de onder d genoemde voorwaarde is de rechtbank van oordeel dat uit de gedingstukken niet gebleken is dat het Polderhoofdkanaal expliciet is aangewezen als ecologische verbindingszone of als overig natuurgebied. Het onderhavige bouwproject is dan ook niet gelegen binnen of heeft geen gevolgen voor een ecologische verbindingszone of een overig natuurgebied. De voorwaarde genoemd onder d speelt derhalve geen rol in het onderhavige geval.

In het kader van de onder e genoemde voorwaarde overweegt de rechtbank dat een steilere brughelling en een veranderd landschap geen onevenredige hinder en/of beperkingen toebrengt als omschreven in het besluit van GS. Eisers kunnen nog steeds met dezelfde voertuigen als voorheen hun woningen bereiken. Voorts acht de rechtbank de wijzigingen in het landschap niet zodanig dat deze hinder en/of beperkingen toebrengen aan omringende functies en bestemmingen.

In het kader van de onder g genoemde voorwaarde hebben eisers aangevoerd dat de bruggen naar aard en schaal niet passen in de omgeving waardoor geen sprake is van een goede ruimtelijke kwaliteit. De rechtbank overweegt dat voldoende ruimtelijke onderbouwing van het bouwproject gegeven is. Bovendien blijkt uit het welstandsadvies en de brief van de welstandscommissie van 14 januari 2008 dat de bouwaanvraag getoetst is aan het gemeentelijk welstandsbeleid, waarbij van strijd met de welstandsnota niet gebleken is. Naar het oordeel van de rechtbank is hiermee mede voldaan aan het criterium van een goede ruimtelijke kwaliteit.

Op grond van voormelde overwegingen concludeert de rechtbank dat niet voldaan is aan de onder 3 sub c genoemde voorwaarde voor de toepassing van de onder B1k aangewezen vrijstelling. Hierdoor is verweerder niet bevoegd op grond van artikel 19 lid 2 WRO vrijstelling van het bestemmingsplan te verlenen en is de strijd met het geldende bestemmingsplan niet opgeheven. Artikel 44 lid 1 onder c Woningwet bepaalt dat de reguliere bouwvergunning geweigerd moet worden indien het bouwen in strijd is met het bestemmingsplan. Verweerder had derhalve in het onderhavige geval de reguliere bouwvergunning moeten weigeren.

Overigens merkt de rechtbank op dat het aspect van de eigendom van de bruggen slechts een rol kan spelen bij de vrijstellingsverlening. Hieromtrent overweegt de rechtbank dat verweerder door middel van de overgelegde notariële akte genoegzaam heeft aangetoond dat de gemeente eigenaar is van de bruggen.

Gelet op voorgaande overwegingen is de rechtbank van oordeel dat het beroep van eisers gegrond is en de bestreden beslissing voor vernietiging in aanmerking komt.

De rechtbank draagt verweerder op een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

Gelet op het vorenstaande en op artikel 8:74 lid 1 Awb wordt bepaald dat de gemeente Smallingerland het door eisers betaalde griffierecht van € 143,00 vergoedt.

Op grond van artikel 8:75 lid 1 Awb veroordeelt de rechtbank verweerder in de proceskosten. Overeenkomstig het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht worden de proceskosten van eisers vastgesteld op € 644,00 ter zake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (beroepschrift 1 punt; verschijnen ter zitting 1 punt; gewicht van de zaak: gemiddeld; waarde per punt € 322,00). De rechtbank wijst de gemeente Smallingerland aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat de gemeente Smallingerland het griffierecht van € 143,00 aan eisers vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers ten bedrage van € 644,00, aan eisers te vergoeden door de gemeente Smallingerland.

Aldus gegeven door mr. E. de Witt, rechter, en door deze in het openbaar uitgesproken op

19 juni 2008, in tegenwoordigheid van mr. P.T.M. van der Lelie als griffier.

w.g. P.T.M. van der Lelie

w.g. E. de Witt

Tegen deze uitspraak staat voor partijen hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in art. 6:13 juncto 6:24 Awb.

Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan:

de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Postbus 20019

2500 EA Den Haag

In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.