Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2008:BD4708

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
11-06-2008
Datum publicatie
18-06-2008
Zaaknummer
76255 / HA ZA 06-386
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Failissementsrecht. Artikel 53 en 54 Fw. Schuldoverneming door bank in zicht van faillissement. Bank niet te goeder trouw geacht.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet
Faillissementswet 53
Faillissementswet 54
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RI 2008, 65
JOR 2008/244
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 76255 / HA ZA 06-386

Vonnis van 11 juni 2008

in de zaak van

MR. PETER HERBERT FRANCISCUS YSPEERT,

handelend in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van [x],

voorheen handelend onder de naam Taxibedrijf [y],

gevestigd te Groningen,

eiser,

procureur mr. P.R. van den Elst,

tegen

de naamloze vennootschap

FRIESLAND BANK N.V.,

gevestigd te Leeuwarden,

gedaagde,

procureur mr. J. Stoker (eerder mr. R.J.L. Gustenhoven).

Partijen zullen hierna de curator en Friesland Bank genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties

- de conclusie van antwoord met producties

- de conclusie van repliek met producties

- de conclusie van dupliek

- akte inbreng van eerder deels weggevallen productie.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [x] heeft vanaf 1 juni 2000, als eenmanszaak, een onderneming gedreven onder de naam Taxibedrijf [y]. De onderneming met circa 40 werknemers was gevestigd in [woonplaats]. [x] heeft de onderneming van de familie [z] overgenomen.

2.2. De Friesland Bank heeft met [x] een aantal overeenkomsten van geldlening gesloten, te weten:

- een vaste geldlening d.d. 29 mei 2000 ad FL 500.000,--

- een vaste geldlening d.d. 29 mei 2000 ad FL 600.000,-- (borgstellingskrediet)

- een vaste geldlening d.d. 19 januari 2001 ad FL 300.000,--

- een krediet in rekening-courant d.d. 1 juni 2002 met een limiet ad FL 100.000,-- (per 1 oktober 2002 EUR 50.000,--)

2.3. Als zekerheid voor de verleende kredieten heeft Friesland Bank een pandrecht verkregen op de inventaris/bedrijfsuitrusting inclusief het wagenpark en de debiteuren van [x], alsmede een hypotheekrecht op de onroerende zaak van [x] aan het adres [adres] te [woonplaats].

2.4. Omdat [x] in toenemende mate zijn kredietlimiet in rekening-courant overschreed, is zijn account vanaf 2003 binnen Friesland Bank behandeld door de afdeling bijzonder beheer.

2.5. Op advies van Friesland Bank - naar aanleiding van de twijfels die zij had over de administratieve- en managementkwaliteiten van [x] - heeft [x] in 2003 het adviesbureau Think Too ingeschakeld, om hem te ondersteunen en zicht te houden op het debiteuren- en crediteurenbeheer.

2.6. Op 16 september 2003 heeft de gemeente Leek in het kader van de Algemene Bijstandswet en het Besluit Bijstandsverlening Zelfstandigen aan [x] een lening verstrekt van EUR 160.000,-- (verder: BBZ-lening), teneinde de meest acute schulden te kunnen aflossen en het rekening-courant krediet bij Friesland Bank te kunnen aanzuiveren. Ten behoeve van de gemeente is een tweede pandrecht gevestigd op diverse activa van [x], alsook een tweede hypotheekrecht op de onroerende zaak aan het adres [adres] te [woonplaats].

2.7. Op 17 februari 2004 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [x], Think Too en Friesland Bank. Blijkens een intern verslag van Friesland Bank is in dit gesprek onder meer gesproken over de conceptcijfers van 2003 en heeft [x] aangegeven in gesprek te zijn met zowel Taxi NOF als Taxibedrijf Javo over de verkoop van zijn onderneming.

2.8. Friesland Bank heeft op 23 april 2004, naar aanleiding van een gesprek twee weken eerder, aan [x] een brief gestuurd, waarin zij onder meer meldt dat [x] voor verkoop van zijn onderneming haar toestemming nodig heeft en dat zij die toestemming op dat moment nog niet wil geven. Het geven van toestemming is onder meer afhankelijk van informatie over de verkoopopbrengst, een voorstel tot aflossing van zijn schuldenpositie en financiering van de eventuele restantschuld.

2.9. Op 28 juni 2004 heeft [x] zijn onderneming verkocht aan Taxi Nuis. In de koopovereenkomst is onder meer en voor zover hier van belang het volgende overeengekomen:

"1. (…) Taxi Nuis betaalt aan Taxi [y] als goodwill voor de overname van de vervoersovereenkomsten een bedrag van EUR 189.000,--.

2. Het wagenpark in eigendom van Taxi [y] zal door Taxi Nuis worden overgenomen voor de somma van EUR 71.000,--

3. De 3 auto's op financiële lease basis worden overgenomen door Taxi Nuis voor de somma van EUR 10.000,--. (…)

4. De operationele lease contracten voor het overige wagenpark worden door Taxi Nuis overgenomen. Een voorbehoud wordt gemaakt voor de lease-auto's van TTL. (…) De nog komende BPM op deze contracten (excl. TTL) van EUR 57.000,-- (EUR 56.919,17) komt in mindering op het bedrag aan goodwill van EUR 189.000,--. (…)

(…)

6. De inventaris wordt door Taxi Nuis overgenomen tegen boekwaarde per 1 juli 2004 door Taxi Nuis (…). De overnamesom voor de inventaris is bepaald op EUR 12.000,--.

(…)

8. De heer G. van Duinen krijgt van Taxi Nuis een arbeidsovereenkomst van bepaalde duur en wel voor de periode van 1 juli 2004 tot en met 31 december 2004. Het salaris bedraagt tot EUR 22.500,-- bruto over deze periode en is te betalen in 6 gelijke termijn van EUR 3.750,-- bruto per maand.

9. Gedurende een periode van 3 maanden huurt Taxi Nuis het huidige pand aan de [adres] te [woonplaats]. De huurprijs bedraagt EUR 1.666,-- per maand (…)

(…)

12. De totale koopsom zal met valuta 1 juli 2004 zijn bijgeschreven op de rekening van Taxi [y] bij de Friesland Bank.

(…)

14. Onderdeel van deze overeenkomst zijn: resultaat 2003, resultaat 1e kwartaal 2004, resultaat april/mei, overzicht wagenpark, personeelsoverzicht (deze zijn reeds in uw bezit), overzicht financiële afwikkeling (bijlage), overzicht inventaris ex balans 2003 en overzicht wagenpark ex balans 2003."

2.10. Op 3 augustus 2004 heeft de rechtbank Groningen op eigen verzoek van [x] bij vonnis het faillissement uitgesproken van [x] met benoeming van mr. Yspeert tot curator.

2.11. De curator heeft Friesland Bank bij brieven van 8 september 2004 en 10 november 2004, onder meer op grond van onbevoegde verrekening, gesommeerd (een deel van) de verkoopopbrengst van Taxi [y] te storten op de faillissementsrekening.

2.12. Friesland Bank heeft bij brieven van 17 september 2004 en 22 maart 2005 gereageerd en weigert aan het verzoek van de curator te voldoen.

3. Het geschil

3.1. De curator vordert samengevat - om, bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, Friesland Bank te veroordelen tot betaling van EUR 225.000,--, vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf 8 september 2004 tot de dag van algehele voldoening, met inbegrip van de buitengerechtelijke incassokosten ad EUR 4.000,-, en met veroordeling van Friesland Bank in de kosten van de procedure.

3.2. Friesland Bank voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Aan de orde is of de curator zich terecht beroept op artikel 54 Faillissementswet (verder: Fw), oftewel of Friesland Bank bevoegd was tot verrekening. De curator verwijt Friesland Bank dat zij een opdracht tot creditering van de rekening-courant verhouding heeft aanvaard in het zicht van het faillissement van [x]. Deze opdracht tot creditering is volgens de curator een schuldoverneming in de zin van artikel 54 Fw. Omdat de bank wist, dan wel had behoren te weten dat [x] ten tijde van de schuldoverneming in een zodanige toestand verkeerde dat zijn faillissement, dan wel surseance van betaling te verwachten was, heeft zij niet te goeder trouw gehandeld en komt de volledige koopsom de failliete boedel toe, zo betoogt de curator.

4.2. Friesland Bank heeft primair tot haar verweer aangevoerd dat de betaling van de koopsom geen schuldoverneming is in de zin van artikel 54 Fw, maar een rechtstreekse betaling aan haar. In dat kader verwijst zij naar het arrest van het Gerechtshof Arnhem van 21 maart 2006 (JOR 2006/140). Alle bij de koopovereenkomst betrokken partijen wisten dat de meeste activa van [x] aan Friesland Bank in zekerheid waren gegeven, en dat Friesland Bank daarom wenste dat de volledige koopsom aan haar zou worden betaald, alvorens die zekerheden vrij te geven. Zowel de koper als de verkoper hebben daarmee ingestemd. De koper, Taxi Nuis, wilde daarom ook aan Friesland Bank betalen en niet aan [x], en partijen hebben dat aldus zo ook in de koopovereenkomst vastgelegd, zo stelt Friesland Bank. Friesland Bank betwist niet dat de volledige koopsom is aangewend tot aflossing van (een deel van) de schulden van [x] aan Friesland Bank.

Subsidiair, voor zover wel sprake zou zijn van schuldoverneming, betoogt Friesland Bank dat zij bij het crediteren van de rekening-courant van [x] te goeder trouw is geweest. Friesland Bank wilde, uit hoofde van de verstrekte kredieten, op de hoogte blijven van de financiële ontwikkelingen binnen Taxibedrijf [y] en had daartoe ook contact met [x], maar zij heeft nooit volledig inzage gehad in de schuldenpositie van [x] en is niet actief betrokken geweest bij de verkoop van de onderneming aan Taxi Nuis, zo stelt zij. Het feit dat [x] bij bijzonder beheer was ondergebracht betekende niet dat elke betalingsopdracht uitvoerig werd onderzocht.

4.3. De rechtbank stelt voorop dat, wil de vordering van de curator kans van slagen hebben, a) aannemelijk zal moeten worden dat Friesland Bank - als zijnde zowel schuldenaar (de bank heeft zich door creditering van de bankrekening van [x] tot zijn debiteur gemaakt) als schuldeiser van [x] - bij de betaling van de koopsom op de bij haar aangehouden rekening haar schuld met (een deel van) haar vorderingen op [x] heeft verrekend, zoals bedoeld in artikel 53 Fw, en b) dat zij daartoe niet bevoegd was, omdat zij op het moment van overneming niet te goeder trouw was, zoals bedoeld in artikel 54 Fw. Daarvan is sprake als de bank ten tijde van de creditering van de bankrekening van [x] wist (of behoorde te weten) dat het faillissement van [x] was te verwachten. Op de curator ligt ter zake de bewijslast.

4.4. Vaststaat dat de betaling van de koopsom door Taxi Nuis heeft plaatsgevonden vóór het faillissement op de bankrekening van [x] bij Friesland Bank. Hoofdregel - volgens de (strikte) leer van de Hoge Raad, en onder meer bevestigd in het arrest ING/Gunning q.q. (JOR 2005/19) - is dat indien het debetsaldo van de bankrekening van de schuldenaar is verminderd (in casu door betaling van de koopsom van Taxi Nuis), dit valt aan te merken als overneming van schuld in de zin van artikel 54 Fw. Wil het verweer van Friesland Bank dat in afwijking van de hoofdregel is gekozen voor een rechtstreekse betaling aan haar slagen, dan moet komen vast te staan dat voor die betaling toestemming was van [x], nu deze immers in de relatie tot Taxi Nuis gerechtigd was tot de koopsom. Is dat het geval, dan heeft Friesland Bank de betaling niet meer ontvangen als schuldeiser van [x], maar als schuldeiser van Taxi Nuis. In dit verband is het niet voldoende dat [x] ermee instemt dat de betaling plaatsvindt door middel van overboeking van het verschuldigde bedrag op zijn bankrekening. De stelplicht en bewijslast ligt ter zake bij Friesland Bank.

4.5. Anders dan Friesland Bank stelt, leidt de rechtbank uit hetgeen partijen ter zake zijn overeengekomen niet af dat Taxi Nuis rechtstreeks aan Friesland bank heeft betaald en heeft willen betalen. Immers, overeengekomen is: "De totale koopsom zal met valuta 1 juli 2004 zijn bijgeschreven op de rekening van Taxi [y] bij de Friesland Bank." Friesland Bank heeft voorts geen, dan wel onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld die tot de conclusie leiden dat partijen, in afwijking van deze tekst, een andere bedoeling hadden. Ook anderszins is de rechtbank niet gebleken van toestemming van [x] voor rechtstreekse betaling aan Friesland Bank. Daar waar Friesland Bank stelt dat zij alleen in de verkoop heeft toegestemd onder de uitdrukkelijke voorwaarde dat de verkoopopbrengst rechtstreeks aan haar zou worden betaald, en [x] daar volgens haar mee in zou hebben gestemd, lag het naar het oordeel van de rechtbank op haar weg dit verweer en deze afspraak nader te concretiseren en onderbouwen, en dat heeft zij nagelaten. Het enkele feit dat Friesland Bank haar zekerheidsrechten (deels) heeft prijsgegeven impliceert nog geen toestemming. Aan bewijslevering komt de rechtbank niet toe nu Friesland Bank op dit punt niet aan haar stelplicht heeft voldaan.

Nu bovendien tussen partijen niet in geschil is dat [x] voorafgaand aan de overdracht (schriftelijke) toestemming behoefde van Friesland Bank en laatstgenoemde aldus invloed kon uitoefenen op de inhoud van die overeenkomst, moet het ervoor worden gehouden dat Friesland Bank instemde met betaling door Taxi Nuis op de bankrekening van [x], in plaats van op een andere rekening bij de bank dan de rekening van [x] bij de Friesland Bank, althans had het op de weg van Friesland Bank - als professionele partij - gelegen de wijze van betaling zo uit te voeren dat er geen onduidelijkheid over zou kunnen bestaan. Het primaire verweer van Friesland Bank houdt geen stand, en de rechtbank concludeert dan ook dat er, gelet op het voorgaande, sprake is schuldoverneming in de zin van artikel 53 Fw.

4.6. Vervolgens komt aan de orde de vraag of Friesland Bank te goeder trouw was op het moment van verrekening. Voldoende daarvoor is in ieder geval dat Friesland Bank op het ogenblik van verrekening wist dat [x] in een zodanige toestand verkeerde dat zijn faillissement, dan wel zijn surseance van betaling, was te verwachten. De curator voert daartoe onder meer het volgende aan. [x] viel sinds het voorjaar van 2003 onder de afdeling bijzonder beheer van Friesland Bank. Dit betekent dat Friesland Bank nauw toezicht hield op de financiële positie van [x] en zich daarover regelmatig door of vanwege [x] liet informeren. Omdat [x] zijn onderneming in privé dreef, als eenmanszaak, moet de afdeling bijzonder beheer zijn volledige financiële situatie hebben beoordeeld. Bovendien, zo stelt de curator, werd Friesland Bank door Think Too regelmatig op de hoogte gehouden van het reilen en zeilen binnen Taxi [y] en werd alle financiële informatie rechtstreeks door Think Too aan Friesland Bank verstuurd.

4.7. Friesland Bank stelt dat zij geen wetenschap had van de (volledige) financiële situatie van [x] en diens faillissement niet heeft (kunnen) zien aankomen. [x] viel onder de minst stringente vorm van bijzonder beheer die Friesland Bank kent, en dat betekent dus dat geen uitvoerig onderzoek plaatsvond bij iedere betalingsopdracht van [x]. Bovendien financierde [x] vanaf eind 2003, mede dankzij de BBZ-lening, binnen de overeengekomen kredietlimiet. Het feit dat [x] toch onder bijzonder beheer bleef, had vooral te maken met de gezondheidstoestand van [x] en diens ondernemerskwaliteiten, aldus Friesland Bank. Ook heeft Friesland Bank nimmer gegevens ontvangen omtrent de privé (schuld)positie van [x], maar zijn de kredieten enkel op basis van de activa en inkomsten van Taxi [y] verstrekt. Overigens was de (financiële) administratie van [x] niet op orde, zoals door de curator ook is erkend. Think Too is door Friesland Bank bij [x] voorgedragen, juist vanuit het perspectief de onderneming te willen continueren. Friesland Bank stelt tot slot dat zij van Think Too slechts eenmaal, te weten in juni 2004, een liquiditeitsbegroting heeft ontvangen.

4.8. De rechtbank stelt vast dat de portefeuille van [x] in ieder geval gedurende een jaar voorafgaand aan zijn faillissement door de afdeling bijzonder beheer van Friesland Bank werd beheerd. De (register)accountant van [x], de heer Van der Velde, heeft verklaard dat er in dit kader vanaf april 2003 bijna maandelijks vergaderingen zijn geweest, waarbij meestal, naast hemzelf ook [x], Friesland Bank en Think Too aanwezig waren. In deze vergaderingen zijn onder meer de aanvraag van een BBZ-lening en de verkoop aan Taxibedrijf Javo besproken. Tijdens de vergadering op 20 mei 2005 bleek dat [x] in privé geen extra vermogen had om in de onderneming te investeren, en ter zake van de vergadering van 13 mei 2004 zijn aan Friesland Bank concepten van een resultatenoverzicht en commerciële balans overgelegd, waaruit zij kon afleiden dat [x] op dat moment een negatief vermogen had van afgerond EUR 229.000,--. Als Friesland Bank in de koopovereenkomst met Taxi Nuis is gekend, dan had zij kunnen weten dat een faillissementsdreiging voor [x] zeer reëel was, aldus Van der Velde.

4.9. Tegenover deze verklaring van een registeraccountant, die geen partij is in onderhavig geschil en uit hoofde van zijn functie ter zake deskundig mag worden geacht, en die bij conclusie van repliek tezamen met betreffende gespreksverslagen en financiële stukken is overgelegd, stelt Friesland Bank slechts de kale betwisting dat zij niet bij de aanvraag van de BBZ-lening betrokken was, en dat het haar niet bekend was dat [x] in privé in het geheel geen vermogen had. Naar het oordeel van de rechtbank had het op de weg van Friesland Bank gelegen om haar betwisting nader te onderbouwen met bijvoorbeeld verklaringen van de betrokkenen die namens haar aanwezig waren bij de betreffende vergaderingen, maar zulks heeft zij nagelaten. Bovendien constateert Friesland Bank in haar brief van 30 maart 2004 zélf al dat de financiële situatie van [x] zeer zorgelijk is, dat het nog steeds niet mogelijk blijkt om de onderneming voldoende rendabel te exploiteren, en stelt zij dat bij verkoop van de onderneming de verkoopprijs minimaal voldoende zal moeten zijn om zijn schuldenpositie bij Friesland Bank en overige partijen geheel te voldoen. Onder deze omstandigheden staat het voor de rechtbank genoegzaam vast dat Friesland Bank in ieder geval zeven weken vóór het faillissement van [x] op de hoogte was van diens aanzienlijk negatieve eigen vermogen en een dreigend faillissement.

4.10. Ter zake van de wetenschap van Friesland Bank ten tijde van de verrekening overweegt de rechtbank het volgende. Friesland Bank heeft niet weersproken dat zij is gekend in de koopovereenkomst met Taxi Nuis. Blijkens het door Friesland Bank overgelegde afschrift van de koopovereenkomst maakten van de overeenkomst onder meer deel uit: de resultaten over 2003, over het eerste kwartaal van 2004 en over de maanden april en mei van 2004. Daarnaast heeft Friesland Bank, zoals zij zelf heeft erkend, nog in juni 2004 een liquiditeitsbegroting van Think Too ontvangen. Uit deze stukken blijkt dat [x] er op 1 juli 2004 niet (opeens) financieel veel beter voorstond dan drie maanden eerder.

Gelet op het vorenoverwogene komt de rechtbank tot de volgende slotsom. Friesland Bank wist in mei 2004 wat de waarde van de onderneming van [x] was en hoe het (negatieve) eigen vermogen van [x] was opgebouwd. Friesland Bank had ten tijde van de verrekening - nog geen twee maanden later - wetenschap van de verkoopopbrengst van de onderneming, van de resultaten die na het eerste kwartaal in 2004 waren behaald en van de indiensttreding van [x] per 1 juli 2004 bij Taxi Nuis tegen een salaris van EUR 3.750,-- bruto per maand, en wist daarmee, althans had dat kunnen weten dat, ook al zouden alle debiteuren van [x] hun verplichtingen nakomen, [x] na verkoop van de onderneming bij lange na niet al zijn schuldeisers zou kunnen voldoen en in staat van faillissement zou raken. Het verweer van Friesland Bank dat [x] jegens haar heeft aangegeven dat hij (als ondernemer) economisch actief zou blijven, vindt geen steun in voornoemde feiten waarvan Friesland Bank wetenschap had, zodat zij daar naar het oordeel van de rechtbank niet de gerechtvaardigde verwachting aan mocht ontlenen dat [x] (op korte termijn) de problemen met zijn schuldeisers zou kunnen oplossen. Haar verweer faalt in zoverre. De rechtbank is, concluderend, van oordeel dat Friesland Bank met de kennis die zij droeg ten tijde van de schuldoverneming niet te goeder trouw heeft gehandeld en dat zij aldus niet bevoegd was tot het verrekenen van de opbrengst van de verkoop van Taxi [y] aan Taxi Nuis met (een deel van) haar vorderingen op [x].

4.11. Het voorgaande heeft tot gevolg dat de gehele opbrengst van de verkoop ten goede komt aan de failliete boedel. Tussen partijen is niet in geschil dat het pandrecht van Friesland Bank op de inventaris en het wagenpark door de onderliggende verkoop is komen te vervallen. Friesland Bank heeft niet voldoende onderbouwd dat zij, op basis van afspraken die zij met [x] heeft gemaakt, gerechtigd is tot de verkoopopbrengst. Friesland Bank ontkomt zodoende niet aan het feit dat met het vervallen van genoemd pandrecht ook haar recht van voorrang en positie van separatist die zij daaraan ontleende, zonder - zoals mogelijk was geweest - tegelijk een pandrecht te doen vestigen op de opbrengst van de verkoop, is komen te vervallen. De rechtbank zal daarom de vordering tot betaling aan de curator van het bedrag van EUR 225.000,-- toewijzen.

4.12. Ter zake van de gevorderde buitengerechtelijke kosten en handelsrente overweegt de rechtbank ten slotte als volgt. De curator heeft een bedrag van EUR 4.000,-- aan buitengerechtelijke (incasso-)kosten gevorderd. De rechtbank hanteert het uitgangspunt dat dergelijke kosten alleen voor vergoeding in aanmerking komen, indien zij betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een (niet aanvaard) schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. De curator heeft weliswaar gesteld dat de gevorderde kosten geen betrekking hebben op verrichtingen waarvoor de proceskostenveroordeling een vergoeding pleegt in te sluiten, maar uit de gegeven omschrijving van deze werkzaamheden dient het tegendeel te worden afgeleid. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke (incasso-)kosten moet daarom worden afgewezen.

4.13 De vordering tot vergoeding van de wettelijke handelsrente wordt afgewezen, omdat artikel 6:119a Burgerlijk Wetboek (verder: BW) alleen ziet op de situatie dat betaling van het op grond van de overeenkomst verschuldigde niet tijdig plaatsvindt en niet - zoals in het onderhavige geval - indien sprake is van een verplichting uit hoofde van een verbintenis op grond van de wet. Wel voor vergoeding komt in aanmerking de wettelijke rente volgens de - aan artikel 6:119a BW nevengeschikte - regeling van artikel 6:119 BW. Omdat voorafgaande aan de dagvaarding door de curator geen betaling van de (volledige) hoofdsom van EUR 225.000,-- is gevorderd, wordt de wettelijke rente toegewezen vanaf de dag van dagvaarding.

4.14. Friesland Bank zal als de in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de curator worden begroot op:

- dagvaarding EUR 71,32

- salaris procureur 4.000,00 (2,0 punt × tarief EUR 2.000,00)

Totaal EUR 4.071,32

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. veroordeelt Friesland Bank om aan de curator te betalen een bedrag van EUR 225.000,00 (tweehonderdvijfentwintigduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over het nog niet betaalde deel van het bedrag van EUR 225.000,00 vanaf 1 mei 2006 tot de dag van volledige betaling,

5.2. veroordeelt Friesland Bank in de proceskosten, aan de zijde van de curator tot op heden begroot op EUR 4.071,32,

5.3. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.4. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. Th.G. Lautenbach en in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2008.?