Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2008:BD4116

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
16-06-2008
Datum publicatie
17-06-2008
Zaaknummer
AWB 08/158
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Proceskostenveroordeling. Daadwerkelijk gemaakte kosten van rechtsbijstand. 'No cure no pay'.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

Procedurenummer: AWB 08/158

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 juni 2008 als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in het geding tussen

vennootschap onder firma Taxi- en Autobedrijf Bosgraaf,

gevestigd te Kollum,

eiseres,

gemachtigde: mr. C.M.J.E.P. Meerts, belastingadviseur en rechtsbijstandverlener te Beegden,

en

de korpsbeheerder van de politie Fryslân,

verweerder,

gemachtigde: mr. L.E. Berends , werkzaam bij verweerder.

Procesverloop

Bij brief van 10 januari 2008 heeft verweerder eiseres mededeling gedaan van zijn besluit op bezwaar betreffende de toepassing van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob).

Tegen dit besluit heeft eiseres beroep aangetekend.

De zaak is behandeld ter zitting van de rechtbank, gehouden op 24 april 2008. Eiseres en haar gemachtigde zijn, met kennisgeving, niet verschenen. Verweerder is ter zitting vertegenwoordigd door genoemde gemachtigde.

Motivering

Feiten

1.1 De gemachtigde van eiseres (hierna: Meerts) houdt zich onder meer bezig met het voeren van procedures tegen verkeersboetes. Meerts verleent rechtsbijstand op basis van het principe 'no cure no pay'.

1.2 Eiseres heeft Meerts gevraagd om namens haar een opgelegde verkeersboete in rechte te bestrijden. In dit kader heeft Meerts met een beroep op de Wob aan verweerder gevraagd om openbaarmaking van diverse stukken. Bij besluit van 20 november 2007 heeft verweerder de gevraagde stukken deels wel en deels niet verstrekt aan Meerts. Tegen dit besluit heeft Meerts namens eiseres bezwaar gemaakt.

1.3 Bij besluit van 10 januari 2008 heeft verweerder het bezwaar gegrond verklaard en besloten de eerder geweigerde stukken alsnog te verstrekken. Verweerder heeft voorts besloten om geen vergoeding voor de gemaakte kosten van rechtsbijstand in de bezwaarprocedure te verstrekken.

Geschil

2.1 In geschil is of eiseres voor het inschakelen van haar gemachtigde in de onderhavige Wob-zaak kosten heeft moeten maken, waarvoor een proceskostenvergoeding betaald zou moeten worden.

2.2 Verweerder stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van kosten die een belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken. Pas indien de verkeersboete door de Officier van Justitie wordt ingetrokken wordt een eventuele factuur met de verleende proceskostenveroordeling verrekend. Intrekking of vernietiging van de boete is in dit geval een onzekere toekomstige gebeurtenis.

2.3 Meerts stelt zich op het standpunt dat de cliënt wel betaalt voor rechtsbijstand, maar dat het bedrag en het moment van betaling worden afgestemd op het resultaat van de procedure. Uit het feit dat de proceskostenvergoeding toekomt aan de rechtshulpverlener kan niet worden afgeleid dat deze zijn diensten gratis aanbiedt.

Beoordeling van het geschil

3.1 Ingevolge artikel 7:15, tweede lid van de Awb worden de kosten die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken door het bestuursorgaan uitsluitende vergoed op verzoek van de belanghebbende voorzover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder a van het Besluit proceskosten bestuursrecht, kan een vergoeding van de kosten als bedoeld in artikel 7:15, tweede lid, van de Awb uitsluitend betrekking hebben op de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Volgens vaste jurisprudentie gaat het hierbij om daadwerkelijk gemaakte kosten.

3.2 Ten aanzien van een 'no cure no pay'-overeenkomst merkt de rechtbank op dat een dergelijke overeenkomst met zich meebrengt dat, indien de procedure wordt gewonnen, er proceskosten zullen worden gemaakt. Uit de zich bij de gedingstukken bevindende passages van de website van Meerts kan afgeleid worden hij het 'no cure no pay' principe toepast bij het voeren van procedures tegen een door de Officier van Justitie opgelegde verkeersboete in die zin dat hij bij een gewonnen procedure kosten in rekening brengt bij de cliënt en dat die kosten worden verrekend met de verleende proceskostenvergoeding. Leidt de in gang gezette procedure niet tot succes, dan hoeft de cliënt niet te betalen.

3.3 Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat ook voor de procedure in het kader van de Wob het 'no cure no pay' principe wordt gehanteerd. Uit de informatie van de website kan afgeleid worden dat het opvragen van stukken deel uitmaakt van de dienstverlening door Meerts, maar niet dat Meerts hiervoor (afzonderlijk) kosten in rekening brengt dan wel dat ook de hiervoor gemaakte kosten worden verrekend met een eventuele proceskostenvergoeding. Evenmin is op andere wijze komen vast te staan dat eiseres voor het bezwaar in de Wob-zaak kosten voor rechtsbijstand heeft moeten maken. Gelet hierop is naar het oordeel van de rechtbank niet voldaan aan het 'kosten'-vereiste als noodzakelijke voorwaarde voor het vergoeden van proceskosten.

3.4 Gelet op het vorenstaande komt de rechtbank tot de conclusie dat het beroep van eiseres ongegrond moet worden verklaard. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank:

Verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. C.H. de Groot, rechter, en door deze in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2008, in tegenwoordigheid van P.R.M. Poiesz als griffier.

w.g. P.R.M. Poiesz

w.g. C.H. de Groot

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat voor partijen hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in art. 6:13 juncto 6:24 Awb.

Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan:

de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Postbus 20019

2500 EA Den Haag

In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.