Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2008:BD3362

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
05-06-2008
Datum publicatie
09-06-2008
Zaaknummer
17/880043-08 VEV
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Handel in cocaïne en speed

Wetsverwijzingen
Opiumwet 2
Opiumwet 10
Wetboek van Strafrecht 56
Wetboek van Strafrecht 57
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector straf

parketnummer 17/880043-08

verkort vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 5 juni 2008 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1969 te [geboorteplaats],

wonende te [adres],

thans gedetineerd in P.I. HvB Ter Apel, Ter Apelervenen 10 te Ter Apel.

De rechtbank heeft gelet op het ter terechtzitting gehouden onderzoek van 22 mei 2008.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. H.C.L. Crozier, advocaat te Sneek.

Telastelegging

Aan dit vonnis is een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van de dagvaarding gehecht, waaruit de inhoud van de telastelegging geacht moet worden hier te zijn overgenomen.

In de telastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

Vordering officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd:

- veroordeling voor het onder 1 en 2 telastegelegde;

- oplegging van een gevangenisstraf van 24 maanden waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar;

- oplegging van de bijzondere voorwaarde van reclasseringstoezicht, ook indien dat inhoudt het volgen van de COVA training.

Bewijsoverweging

De raadsman heeft ten aanzien van het onder 2 telastegelegde het verweer gevoerd dat de aangetroffen hoeveelheid cocaïne minder is dan 15 gram. Volgens de raadsman is sprake van ongeveer 10 gram cocaïne, omdat blijkens de rapportage een hoeveelheid van 4.91 gram, mannitol betrof.

De rechtbank overweegt als volgt.

Blijkens de bij het proces-verbaal bevindende kennisgeving van inbeslagneming is er in totaal 15,3 gram cocaïne inbeslaggenomen. Daarnaast is er een hoeveelheid mannitol aangetroffen. De aangetroffen hoeveelheden zijn voorzien van een SVO nummer, welke overeenkomt met het kenmerk zoals genoemd in de NFI rapportage. Daaruit blijkt ook dat er zakjes zijn getest die mannitol bevatten. Het resterende door het NFI geteste materiaal bevat echter wel cocaïne. Dit betreft de eerder genoemde hoeveelheid van ongeveer 15 gram.

Het verweer wordt verworpen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1 en 2 telastegelegde bewezen, met dien verstande dat:

1.

hij op verschillende data en tijdstippen in de periode van 1 maart 2007 tot en met 3 februari 2008 te Kollumerzwaag, in de gemeente Kollumerland Ca, meermalen, telkens opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en verstrekt en vervoerd, telkens een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en telkens een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine (speed), zijnde cocaïne en amfetamine (speed) telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2.

hij op 4 februari 2008, te Kollumerzwaag, in de gemeente Kollumerland Ca, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 15 gram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I.

De verdachte zal van het meer of anders telastegelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Kwalificatie

Het bewezene levert op de misdrijven:

1,

ten aanzien van het bewezenverklaarde verkopen en afleveren:

De voortgezette handeling van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd,

en

ten aanzien van het bewezenverklaarde verstrekken en vervoeren:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

2.

Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod.

Strafbaarheid verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

De rechtbank neemt bij de bepaling van de hierna te vermelden strafsoort en strafmaat in aanmerking:

- de aard en de ernst van de gepleegde feiten;

- de omstandigheden waaronder deze zijn begaan;

- de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken en deze naar voren komt uit het uittreksel uit het algemeen documentatieregister en het voorlichtingsrapport;

- de vordering van de officier van justitie;

- het pleidooi van de raadsman.

Verdachte heeft zich gedurende een jaar schuldig gemaakt aan het handelen in cocaïne en speed. Bij zijn aanhouding was verdachte in het bezit van ongeveer 15 gram cocaïne.

In de woning van verdachte kwamen elk weekend 5 tot 10 gebruikers bijeen. In deze kring kon vrijelijk over de drugs worden beschikt, al dan niet na inleg van geld door de aanwezige afnemers.

Door het beschikbaar stellen van de ruimte en het versnijden van de hoeveelheid ingekochte drugs bekostigde verdachte zijn eigen drugsgebruik.

Verdachte heeft door zijn handelwijze een bijdrage geleverd aan het in stand houden van het illegaal circuit van verboden verdovende middelen en heeft een risico veroorzaakt voor de geestelijke en lichamelijke gezondheid van zijn afnemers. De rechtbank hanteert voor dergelijke feiten landelijke oriëntatiepunten. Deze adviseren in een zaak als de onderhavige een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 18 maanden. In verdachtes nadeel werkt dat hij de drugs mede aan jeugdigen beschikbaar heeft gesteld. De rechtbank ziet hierin een strafverzwarende omstandigheid.

Verdachte heeft een blanco strafblad. Hij kwam tot zijn handelen na het mislukken van zijn huwelijk en het verlies van zijn werk. Verdachte raakte aldoende in een neerwaartse spiraal.

De reclassering heeft een voorlichtingsrapport uitgebracht. Ter voorkoming van recidive wordt verplicht reclasseringscontact alsmede het volgen van een ambulante, cognitieve vaardigheidstraining nodig geacht. De rechtbank verenigt zich met deze conclusies en het bijbehorend advies. Zij kan zich dan ook vinden in de vordering van de officier van justitie en zal deze volgen.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 56, 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT, RECHTDOENDE:

Verklaart het onder 1 en 2 telastegelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar in voege als voormeld en verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte te dier zake tot:

Een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden.

Bepaalt, dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 8 maanden niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op twee jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of gedurende die proeftijd de hierna te vermelden bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde, dat de veroordeelde:

- zich bij het ingaan van de proeftijd meldt bij reclassering Nederland;

- ervoor zorgt dat hij gedurende de proeftijd bereikbaar is voor deze reclasseringsinstelling;

- zich gedurende de proeftijd gedraagt naar de voorschriften en aanwijzingen hem te geven door of namens genoemde reclasseringsinstelling, hetgeen mede kan inhouden het volgen van de Training Cognitieve Vaardigheden.

Draagt genoemde reclasseringsinstelling op de veroordeelde bij de naleving van de voorwaarden hulp en steun te verlenen.

Beveelt, dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is telastegelegd dan het bewezenverklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door mr. G. Bracht, voorzitter, mr. J.Y.B. Jansen en mr. H. van der Werff, rechters, bijgestaan door A. van Dijk, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 5 juni 2008.