Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2008:BD3158

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
03-06-2008
Datum publicatie
05-06-2008
Zaaknummer
AWB 07/1948
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Aanlegplaats veerboot Terschelling; onvoldoende gemotiveerd wat doelmatig gebruik van de haven is en waarom aan concurrent wel ligplaatsvergunning is verleend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

Procedurenummer: AWB 07/1948

uitspraak van 3 juni 2008 van de meervoudige kamer als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in het geding tussen

de besloten vennootschap Eigen Veerdienst Terschelling b.v.,

gevestigd te Formerum (Terschelling),

eiseres,

gemachtigden: mr. F.J. Leeflang, advocaat te Amsterdam,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Terschelling,

verweerder,

gemachtigde: mr. E. Hardenberg advocaat te Groningen.

Procesverloop

Bij brief van 24 juli 2007 heeft verweerder eiseres (hierna: EVT) mededeling gedaan van zijn besluit op bezwaar betreffende de afwijzing van een aanvraag om een aanlegplaats in de haven van Terschelling.

Tegen dit besluit heeft EVT beroep aangetekend.

Op grond van artikel 8:26 lid 1 Awb is de Terschellinger Stoomboot Maatschappij b.v., een dochteronderneming van Rederij G. Doeksen en Zonen b.v. (hierna: TSM) door de rechtbank in de gelegenheid gesteld als partij aan het geding deel te nemen.

De zaak is behandeld ter zitting van de rechtbank, gehouden op 8 april 2008. Eiseres is ter zitting vertegenwoordigd door mr. K. Lagrouw en mr. A. Sahin, kantoorgenoten van genoemde gemachtigde. Namens verweerder zijn bovengenoemde gemachtigde en mr. P.P.R. Hoekstra verschenen, vergezeld door P. de Bos, werkzaam bij verweerders gemeente. Namens TSM zijn verschenen [naam], directeur en mr. J.A. van der Kolk, advocaat te Rotterdam.

Motivering

Feiten

1.1 TSM heeft op basis van een convenant met de gemeente Terschelling en de Staat der Nederlanden (de minister van Verkeer en Waterstaat, hierna: V&W) uit 1987 het exclusieve recht om de veerverbindingen Harlingen-Vlieland en Harlingen-Terschelling te onderhouden. De veerdiensten worden uitgevoerd met de veerboten de "Midsland" en de "Friesland", en met de "Koegelwieck", de snelle veerboot voor passagiersvervoer. Verder is TSM nog eigenaar van de sleepboot "De Holland". TSM maakt op Terschelling gebruik van de wal en havenfaciliteiten, die eigendom zijn van de Staat.

1.2 Inmiddels is er een openbare dienstcontract gesloten tussen TSM en de minister van V&W en de gemeente Terschelling. Dit contract is op 19 december 2007 door deze partijen ondertekend. Het openbare dienst contract voorziet onder meer in een zogenaamde "medegebruikregeling" op grond waarvan derden gebruik mogen maken van de ten behoeve van de bootdienst door TSM gebruikte bruggen/aanleginrichtingen en haventerreinen.

1.3 EVT is voornemens om ook een veerdienst te gaan uitvoeren tussen Harlingen en Terschelling. EVT grijpt verschillende mogelijkheden aan om haar plannen te kunnen realiseren. Onder meer heeft EVT aan de minister van V&W gevraagd gebruik te mogen maken van de in het openbare dienstcontract opgenomen "medegebruikregeling". Daarnaast heeft EVT ligplaatsvergunningen aangevraagd voor het innemen van ligplaats op verschillende plekken in de haven van Terschelling.

1.4 Bij aanvraag van 30 januari 2006, aangepast op 26 april 2006, heeft EVT aan verweerder verzocht haar een ligplaatsvergunning te verlenen voor de locatie (hierna: plek 2), zoals aangegeven op een bij de aanvraag gevoegde kaart. Het betreft hier een locatie gesitueerd aan het westelijk deel van de haven, ook wel aangeduid als de kop van de haven. De locatie is eerder in gebruik geweest bij het loodswezen en heeft als ligplaats voor de "Holland" gefungeerd.

1.5 Bij besluit van 22 mei 2006 heeft verweerder de aanvraag van EVT voor een ligplaatsvergunning op plek 2 afgewezen. EVT heeft op 3 juli 2006 bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Het bezwaar is bij het thans bestreden besluit overeenkomstig een advies van de Commissie van advies voor de bezwaar- en beroepschriften ongegrond verklaard.

Standpunten van partijen en omvang van het geschil

2.1 EVT stelt zich op het standpunt dat het bestreden besluit in strijd is met Europees recht doordat de economische machtspositie van TSM in stand wordt gehouden. Verder stelt EVT dat de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde motivering onvoldoende draagkrachtig is, dat geen zorgvuldige belangenafweging heeft plaatsgevonden en dat het besluit in strijd is met het evenredigheidsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel. Verder voert EVT aan dat verweerder de aanvraag van EVT niet zonder vooringenomenheid heeft beoordeeld. EVT heeft met aanvullende stukken en ter zitting naar voren gebracht dat inmiddels voor de hier in geding zijnde plek 2 op 28 januari 2008 ligplaatsvergunning is verleend aan TSM ten behoeve van de nieuwe snelboot "Tiger". Deze vergunning is verleend op een op 12 juli 2007 ingediende aanvraag door TSM. Volgens EVT blijkt ook hieruit dat doelmatig gebruik zich niet verzet tegen vergunningverlening en dat geen zorgvuldige belangenafweging heeft plaatsgevonden.

2.2 Volgens verweerder is niet gebleken dat de weigering een ligplaatsvergunning te verstrekken voor de onderhavige locatie in strijd komt met Nederlands of Europees Mededingingsrecht. Verweerder heeft de aanvraag met verwijzing naar de bepalingen uit de Havenverordening Terschelling 2006 (hierna: Havenverordening 2006) afgewezen. Volgens verweerder verzet een doelmatig gebruik van de haven zich (op dit moment) tegen vergunningverlening. Verweerder wijst op de beperkte ruimte in de haven en op diverse veranderingen die op stapel staan. De rijkshaven zal worden overgedragen aan de gemeente en er wordt gewerkt aan voorstellen tot herinrichting van de haven met mogelijk ook gevolgen voor het haventerrein en de aan de haven grenzende Willem Barentszkade. Verweerder verwijst naar de Structuurvisie Havengebied Terschelling (hierna: de structuurvisie). Verweerder is er voorstander van dat partijen die een veerverbinding (gaan) onderhouden met het vaste land, gebruik maken van de reeds aanwezige aanleginrichting. Verweerder vindt dat op dit moment pas op de plaats gemaakt moet worden.

In het verweerschrift betoogt verweerder dat plek 2 niet geschikt is voor het door EVT beoogde gebruik ten behoeve van een veerdienst met een eigen aanleginrichting. Hierdoor zal namelijk op het haventerrein een nieuwe verkeersstroom (ten behoeve) van komende een gaande passagiers ontstaan, naast de al bestaande verkeersstromen. Verweerder acht dit een ongewenste situatie. Verweerder wenst de verkeerstromen op het haventerrein te concentreren op de plaats die daarvoor thans is ingericht en die aansluit bij de bestaande faciliteiten in de haven.

2.3 De rechtbank dient te beoordelen of verweerders besluit om de gevraagde ligplaatsvergunning voor plek 2 te weigeren in rechte in stand kan blijven op de grond dat doelmatig gebruik van de haven aan de vergunningverlening in de weg staat.

Beoordeling van het geschil

3.1 De rechtbank overweegt allereerst dat het onderhavige geval de weigering betreft

vergunning te verlenen aan EVT voor het innemen van een ligplaats met een schip op één concrete locatie in de haven van Terschelling. De vraag of en hoe aan EVT moet worden toegestaan om naast TSM een veerverbinding in stand te houden tussen Harlingen en Terschelling is hier niet aan de orde. De beoordeling van de vraag of een ligplaatsvergunning moet worden verleend vindt plaats aan de hand van de Havenverordening 2006 waarin de criteria zijn vastgelegd op grond waarvan aanvragen om vergunningverlening worden beoordeeld. Die criteria zijn voor alle aanvragers gelijk. De rechtbank ziet, anders dan EVT heeft gesteld, dan ook geen aanleiding om aan te nemen dat verweerder zich bij de voorbereiding van een beslissing op een aanvraag om de onderhavige ligplaatsvergunning had moeten buigen over de vraag of TSM op het gebied van het onderhouden van veerdiensten een economische machtspositie heeft en zo ja of daarvan in dit geval misbruik wordt gemaakt. De bestreden beslissing is op dit punt niet onzorgvuldig voorbereid.

3.2 Ingevolge artikel 2.2 lid 1 van de Havenverordening is het verboden met een schip, waaronder begrepen een woonschip, ligplaats in te nemen of zich met het schip op een ligplaats te bevinden.

Ingevolge artikel 2.2 lid 2 onder c geldt het in het eerste lid gestelde verbod niet, indien ligplaats wordt ingenomen met vergunning van het college.

Ingevolge artikel 1.3 lid 1 van de Havenverordening kan het college vergunningen en ontheffingen verlenen en daaraan beperkingen en voorschriften verbinden.

Ingevolge artikel 1.3 lid 5 onder d wordt een vergunning of ontheffing in ieder geval geweigerd indien een doelmatig gebruik van de haven zich daartegen verzet.

3.3 De toelichting op de Havenverordening vermeldt dat aan het verlenen van een vergunning door het college de behoefte ten grondslag ligt om bepaalde activiteiten in de haven onder controle te houden, om misstanden te kunnen voorkomen en tegen te gaan. Door middel van het verbod tot het innemen van ligplaats en het daaraan gekoppelde vergunningstelsel vindt ordening en regulering van het innemen van ligplaats in de haven plaats. Het gemeentelijk beleid met betrekking tot het gebruik van de haven dient in de afweging omtrent de vergunningverlening en in de voorschriften die aan een vergunning verbonden worden tot uitdrukking te komen. In de structuurvisie is een gemeentelijke visie over de toekomstige inrichting van het Havengebied en meer specifiek het Terminalgebied beschreven. De structuurvisie bevat geen beleidsregels over het innemen van een ligplaats in het Terminalgebied. Wel wordt er al rekening gehouden met een toekomstige ligplaats voor de nieuwe snelboot van TSM op de in deze zaak aan de orde zijnde plek 2.

3.4 Aan verweerder komt beoordelingsvrijheid toe bij de beantwoording van de vraag of een doelmatig gebruik van de haven zich tegen vergunningverlening verzet. De rechtbank kan de beoordeling van de aanvraag om een ligplaatsvergunning door verweerder dan ook slechts terughoudend toetsen.

3.5 Ten aanzien van de vraag of verweerder in dit geval in redelijkheid tot het oordeel heeft kunnen komen dat een doelmatig gebruik van de haven zich tegen vergunningverlening verzet overweegt de rechtbank het volgende. Uit de motivering van de bestreden beslissing blijkt dat verweerder in zijn algemeenheid, gelet op de beperkte ruimte in de haven en de toekomstige ontwikkelingen, terughoudendheid betracht bij aanvragen om een ligplaatsenvergunning en een pas op de plaats wil maken. Verder heeft verweerder benadrukt dat het ongewenst is dat meerdere aan- en afvaartlocaties voor veerdiensten ontstaan, voorzien van een eigen brug en installatie. Meer specifiek ten aanzien van de aanvraag van EVT voor een ligplaatsvergunning op plek 2 heeft verweerder nog toegelicht dat de aangevraagde ligplaats niet geschikt is, omdat alsdan nieuwe verkeersstromen (ten behoeve van komende en gaande passagiers) zullen ontstaan op het haventerrein. Ten aanzien van de gegeven motivering is de rechtbank allereerst van oordeel dat verweerder op onvoldoende wijze uitwerking heeft gegeven aan wat onder een doelmatig gebruik van de haven moet worden verstaan. Daarmee is onvoldoende toetsbaar of de onderhavige aanvraag om een aanlegplaats aan een doelmatig gebruik van de haven -zoals door verweerder aangegeven- in de weg staat en is het bestreden besluit op dit punt onvoldoende gemotiveerd. Ook overigens is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit een deugdelijke motivering ontbeert. Verweerder acht het ongewenst dat op het haventerrein nieuwe verkeersstromen zullen ontstaan. EVT heeft de ligplaatsvergunning aangevraagd in verband met het vervoer van passagiers en niet (ook) van auto's. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder niet dan wel op onvoldoende wijze een beeld gegeven van de nieuwe verkeersstromen die deze passagiersstromen zullen opleveren en evenmin gekeken naar mogelijke oplossingen voor het probleem van kruisende verkeersstromen. Ook is geen deugdelijke motivering gegeven van de stelling dat nieuwe verkeersstromen afdoen aan het doelmatig gebruik van de haven. Een en ander klemt temeer, nu verweerder kort na de weigering van een ligplaatsvergunning aan EVT, voor precies dezelfde locatie wél een ligplaatsvergunning heeft verleend aan TSM voor de nieuwe snelboot Tiger, hetgeen evenzeer nieuwe verkeers- en passagiersstromen genereert. Ook verweerders motivering dat terughoudend moet worden omgegaan met het verstrekken van nieuwe ligplaatsvergunningen in de haven, alsmede dat het ongewenst geacht wordt dat nieuwe afvaartlocaties zullen ontstaan, komt met de vergunningverlening aan TSM in een ander licht te staan en werpt de vraag op of door verweerder een consistent beleid wordt gevoerd.

3.6 De rechtbank acht het voorts van belang dat het ten tijde van de aanvraag door EVT bij verweerder bekend was dat plek 2 al genoemd was als toekomstige locatie voor de nieuwe snelboot van TSM. Op het moment waarop verweerder besliste op het bezwaar van EVT lag er al een concrete aanvraag om een ligplaatsvergunning voor plek 2 van TSM. Nu sprake was van meerdere aanvragen om ligplaatsvergunningen voor één en dezelfde locatie had verweerder de aanvragen in het kader van een zorgvuldige besluitvorming niet los van elkaar, maar in samenhang moeten beschouwen. De beslissing op de aanvraag van EVT kon immers consequenties hebben voor een beslissing op de aanvraag van TSM en omgekeerd. Bij een beoordeling in samenhang kunnen naar het oordeel van de rechtbank alle omstandigheden aan de orde komen, waaronder de uitgangspunten van verweerder beleid, de verkeersveiligheid en de verkeersstromen, de nieuwe ontwikkelingen en, in het kader van het gelijkheidsbeginsel, de (bijzondere) positie van TSM.

3.7 De rechtbank komt gelet op het vorenstaande tot het oordeel dat het beroep gegrond is en dat de bestreden beslissing wegens strijd met het motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel niet in stand kan blijven. Verweerder dient een nieuwe beslissing te nemen op het door EVT ingediende bezwaar met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

3.8 Gelet op het vorenstaande en op het bepaalde in art. 8:74 lid 1 Awb dient de gemeente Terschelling het door EVT gestorte griffierecht van € 285,= te vergoeden.

3.9 Op grond van art. 8:75 Awb veroordeelt de rechtbank verweerder in de proceskosten. Overeenkomstig het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht bedragen de proceskosten van EVT € 644,= ter zake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (beroepschrift 1 punt; verschijnen ter zitting 1 punt; gewicht van de zaak: gemiddeld; waarde per punt € 322,=). De rechtbank wijst de gemeente Terschelling aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de bestreden beslissing op bezwaar;

- bepaalt dat de gemeente Terschelling het betaalde griffierecht van € 285,= aan EVT vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van EVT ten bedrage van € 644,=, aan EVT te vergoeden door de gemeente Terschelling.

Aldus gegeven door mr. E.M. Visser, voorzitter, en door mrs. U. van Houten en C.H. de Groot, rechters, en uitgesproken in het openbaar door mr. E.M. Visser op 3 juni 2008, in tegenwoordigheid van P.R.M. Poiesz als griffier.

w.g. P.R.M. Poiesz

w.g. E.M. Visser

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat voor partijen hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in art. 6:13 juncto 6:24 Awb.

Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan:

de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Postbus 20019

2500 EA Den Haag

In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.

Afschrift verzonden op: