Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2008:BD3017

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
21-05-2008
Datum publicatie
04-06-2008
Zaaknummer
AWB 07/3037
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

schatting / Brummen / afwisseling van houding

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

Procedurenummer: AWB 07/3037

uitspraak van 21 mei 2008 van de enkelvoudige kamer op grond van artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

inzake het geding tussen

[eiseres], wonende te Sneek, eiseres,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv),

verweerder,

gemachtigde: Th. Hollander, werkzaam bij het Uwv te Leeuwarden.

Procesverloop

Bij brief van 8 november 2007 heeft verweerder eiseres mededeling gedaan van zijn (nieuwe) besluit op bezwaar betreffende de toepassing van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) (hierna: het thans bestreden besluit).

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het thans bestreden besluit.

De zaak is behandeld ter zitting van de rechtbank, gehouden op 17 april 2008. Eiseres is niet verschenen. Namens verweerder is zijn gemachtigde verschenen.

Motivering

Eiseres is laatstelijk voor 38 uren per week als productiemedewerkster werkzaam geweest in dienst van Lampe BV te Sneek. Op 22 oktober 1996 is eiseres wegens pijnklachten en psychische klachten uitgevallen van haar werk. Met ingang van 21 oktober 1997 is aan eiseres een arbeidsongeschiktheidsuitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100 %.

Bij besluit van 23 mei 2006 heeft verweerder deze uitkering met ingang van 24 juli 2006 ingetrokken onder de overweging dat de een mate van arbeidsongeschiktheid van eiseres per die datum is afgenomen tot minder dan 15 %. Verweerder heeft dit besluit gebaseerd op rapporten van verzekeringsarts E. Panhuis van 29 maart 2006 en arbeidsdeskundige L.C. Wilbrink van 16 mei 2006.

Bij besluit van 30 oktober 2006 heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 23 mei 2006 ongegrond verklaard. Verweerder heeft dit besluit gebaseerd op rapporten van bezwaarverzekeringsarts P.A.E.M. Hofmans van 13 september 2006 en bezwaararbeidsdeskundige P. de Groot van 25 oktober 2006.

Bij uitspraak van 4 juli 2007 heeft deze rechtbank het daartegen door eiseres ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit op bezwaar van 30 oktober 2006 vernietigd, omdat verweerder de arbeidskundige beoordeling naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende zorgvuldig heeft voorbereid en onvoldoende heeft gemotiveerd. De rechtbank oordeelde voorts dat op grond van de beschikbare medische gegevens geen aanleiding bestond voor twijfel aan de juistheid van de door verzekeringsarts Panhuis vastgestelde belastbaarheid.

Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het besluit van

23 mei 2006 opnieuw ongegrond verklaard. Verweerder heeft het thans bestreden besluit gebaseerd op rapporten van bezwaarverzekeringsarts G.W. Egbers van 1 oktober 2007 en bezwaararbeidsdeskundige De Groot van 7 november 2007.

In beroep heeft eiseres aangevoerd dat zij zwaarder beperkt is dan verweerder heeft aangenomen. Ter onderbouwing van deze stelling heeft zij enkele medische stukken in het geding gebracht. Voorts heeft zij aangevoerd dat zij gelet op het feit dat zij blijkens de functionele mogelijkhedenlijst (hierna: FML) beperkt is ten aanzien van het item "afwisseling van houding", niet in staat is de door verweerder geduide functies te verrichten, aangezien in deze functies onvoldoende afwisseling tussen lopen, zitten en staan mogelijk is.

De rechtbank overweegt in de eerste plaats dat in de uitspraak van deze rechtbank van

4 juli 2007 de gronden van eiseres met betrekking tot de medische grondslag van verweerders besluit van 30 oktober 2006 uitdrukkelijk en zonder voorbehoud zijn verworpen. Daarom dient, nu eiseres tegen die uitspraak geen hoger beroep heeft ingesteld, van de juistheid van die medische grondslag te worden uitgegaan. Dit betekent dat de gronden met betrekking tot de medische grondslag thans niet meer ter beoordeling staan. Dit kan uitzondering lijden indien er sinds de uitspraak van de rechtbank van 4 juli 2007 nieuwe medische gegevens naar voren zijn gekomen die een ander licht werpen op de gezondheidstoestand van eiseres, zoals in die uitspraak beoordeeld. De rechtbank verwijst in dit kader bijvoorbeeld naar een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (hierna: CRvB) van 1 maart 2005 (LJN: AT0711).

Naar het oordeel van de rechtbank is in dit geval van nieuwe medische gegevens in de hiervoor bedoelde zin geen sprake. De door eiseres overgelegde brief van reumatoloog G.A.W. Bruyn van 5 september 2006 is ook reeds overgelegd in de eerdere beroepsprocedure en in dat kader door de rechtbank betrokken in haar beoordeling. De door eiseres overgelegde brief van internist J. Blom van 26 september 2007 en het geneesmiddelenoverzicht van de huisarts dateren weliswaar van na de uitspraak van de rechtbank van 4 juli 2007, maar werpen geen ander licht op de gezondheidstoestand van eiseres op 24 juli 2006. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding voor het benoemen van een medisch deskundige, zoals door eiseres is verzocht.

Uitgangspunt bij deze behandeling is daarom de door de verzekeringsarts Panhuis op 30 maart 2006 opgestelde FML. Hierin is de belastbaarheid van eiseres per 24 juli 2006 vastgelegd. Panhuis heeft in de FML aangegeven dat eiseres beperkt is ten aanzien van de items "lopen" (item 4.18; maximaal ongeveer een kwartier achtereen), "lopen tijdens het werk" (item 4.19; maximaal ongeveer 4 uren per werkdag), "zitten" (item 5.1; maximaal ongeveer een uur achtereen), "zitten tijdens het werk" (item 5.2; maximaal ongeveer 6-8 uur per werkdag), "staan" (item 5.3; maximaal ongeveer een half uur achtereen) en "staan tijdens het werk" (item 5.4; maximaal ongeveer 4 uren per werkdag). Voorts heeft Panhuis in de FML een beperking opgenomen ten aanzien van het item "afwisseling van houding" (item 5.9). Daarbij heeft hij de toelichting gegeven dat regelmatig afwisseling van houding vereist is.

De rechtbank heeft verweerder voor aanvang van het onderzoek ter zitting schriftelijk vragen gesteld over de uitleg en de bedoeling van de in de FML opgenomen beperking ten aanzien van het item "afwisseling van houding". Verweerder heeft deze vragen beantwoord onder verwijzing naar een rapport van bezwaarverzekeringsarts Egbers van 2 april 2008. Egbers stelt zich op het standpunt dat de beperking op het item "afwisseling van houding" en de daarbij gegeven toelichting op verschillende manieren geïnterpreteerd kan worden. Strikt genomen houdt deze beperking in dat zitten en staan elkaar moeten afwisselen, maar er is ook ruimte voor de interpretatie dat staan met lopen kan worden afgewisseld. Uit het rapport van Egbers kan voorts worden afgeleid dat de afwisseling naar zijn mening niet verder behoeft te gaan dan de afwisseling die reeds vereist is op grond van de beperkingen ten aanzien van de overige items in de FML. Ter zitting heeft verweerder bevestigd dat dit zijn standpunt is.

De rechtbank is van oordeel dat het opnemen van een beperking ten aanzien van het item "afwisseling van houding" twee betekenissen kan hebben. In de eerste plaats kan met deze beperking worden aangegeven dat verdergaande afwisselingen van houding vereist zijn dan de afwisselingen van houding die reeds vereist zijn op grond van de beperkingen die zijn gesteld ten aanzien van de overige voormelde items (vergelijk de uitspraak van de CRvB van 16 mei 2007, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder LJN: BA6085). In de tweede plaats kan met deze beperking worden aangegeven dat in de te duiden functies bepaalde specifieke houdingen voor moeten komen waartussen afwisseling mogelijk is (vergelijk de uitspraak van de CRvB van 12 december 2007, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder LJN: BC1544). Bij de laatstgenoemde betekenis kan de beperking bijvoorbeeld inhouden dat in een functie zowel zitten, staan als lopen moet voorkomen of dat in een functie zowel statische als dynamische houdingen moeten voorkomen. Indien aan de beperking ten aanzien van het item "afwisseling van houding" geen van de beide voormelde betekenissen zou worden gegeven, zou de beperking overbodig zijn.

Aan bedoeld item komt derhalve zelfstandige betekenis toe. Uit verweerders standpunt, zoals hiervoor weergegeven, blijkt zulks evenwel niet althans onvoldoende.

Gelet op het voorgaande heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank functies geduid op basis van een onjuiste uitleg van de betekenis het item "afwisseling van houding". Dit leidt tot de slotsom dat het beroep gegrond is en het bestreden besluit dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. In zijn nieuw te nemen besluit dient verweerder aan te geven welke betekenis in het geval van eiseres aan dit item dient te worden gegeven en op basis daarvan (indien mogelijk) functies te duiden.

Gelet op het vorenstaande en het bepaalde in artikel 8:74, eerste lid, van de Awb dient het Uwv het door eiseres gestorte griffierecht van € 39,00 te vergoeden.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling, omdat niet is gebleken van kosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat het Uwv het betaalde griffierecht van € 39,00 aan eiseres vergoedt.

Aldus gegeven door mr. E.M. Visser, rechter, en door deze in het openbaar uitgesproken op 21 mei 2008, in tegenwoordigheid van mr. F.F. van Emst als griffier.

w.g. F.F. van Emst

w.g. E.M. Visser

Tegen deze uitspraak staat voor partijen het rechtsmiddel hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:13 in samenhang met artikel 6:24 van de Awb.

Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan:

de Centrale Raad van Beroep

Postbus 16002

3500 DA Utrecht

In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.