Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2008:BD3012

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
02-06-2008
Datum publicatie
03-06-2008
Zaaknummer
AWB 07/3174
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

aanvraag toevoeging / artikel 7 van het Besluit rechtsbijstand- en toevoegingscriteria / verzoek kwijtschelding / ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

Procedurenummer: AWB 07/3174

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 juni 2008 op grond van afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in het geding tussen

[eiser],

wonende te Groningen,

eiser,

gemachtigde: mr. M.R.M. Schaap, advocaat te Groningen,

en

de raad voor rechtsbijstand Leeuwarden,

verweerder,

gemachtigde: J. Hamer, werkzaam bij verweerder.

Procesverloop

Bij brief van 27 november 2007 heeft verweerder eiser mededeling gedaan van zijn besluit op bezwaar betreffende de toepassing van de Wet op de rechtsbijstand (Wrb).

Tegen dit besluit heeft eiser beroep ingesteld.

De zaak is behandeld ter zitting van de rechtbank, gehouden op 19 mei 2008. Eiser en zijn gemachtigde zijn niet verschenen. Namens verweerder is zijn gemachtigde verschenen.

Motivering

Op 5 juli 2007 heeft de gemachtigde van eiser een aanvraag om een toevoeging, als bedoeld in de Wrb, ingediend ten behoeve van het verlenen van rechtsbijstand in verband met een verzoek als bedoeld in artikel 577, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (WvSv) tot kwijtschelding van de aan eiser bij arrest van 16 april 2007 opgelegde verplichting tot betaling van een bedrag van € 13.930,05 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Bij besluit van 16 juli 2007 heeft verweerder de toevoegingsaanvraag afgewezen onder verwijzing naar artikel 12, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wrb en artikel 7 van het Besluit rechtsbijstand- en toevoegingscriteria (hierna: Brt).

Bij het bestreden besluit heeft verweerder eisers bezwaar tegen het besluit van 16 juli 2007 ongegrond verklaard. Het bestreden besluit berust op de overweging dat de toevoeging is aangevraagd ten behoeve van een procedure die ziet op het kwijtschelden van een schuld, waarvoor ingevolge artikel 7 van het Brt geen rechtsbijstand wordt verleend.

In beroep heeft de gemachtigde van eiser aangevoerd dat de toevoeging niet slechts is aangevraagd in verband met een verzoek tot kwijtschelding van een schuld. Voorts stelt hij zich op het standpunt dat een procedure ex artikel 577b van het WvSv een ingewikkelde materie betreft waarvoor - mede gelet op de beperkte juridische kennis van eiser - rechtsbijstand noodzakelijk is.

Ter zitting heeft verweerder desgevraagd uitdrukkelijk verklaard dat de afwijzing van de toevoegingsaanvraag uitsluitend berust op artikel 7 van het Brt.

De rechtbank overweegt het volgende.

Ingevolge artikel 7 van het Brt wordt voor rechtsbijstand terzake van het treffen van een afbetalingsregeling, het aanvragen van het eigen faillissement of het kwijtschelden van een schuld geen toevoeging verleend.

Uit de wetsgeschiedenis (nota van toelichting, Staatsblad 1994, 32, p. 7) en het systeem van het Brt kan worden afgeleid dat artikel 7 van het Brt is geschreven met het oog op civielrechtelijke zaken en dat dit artikel dus geen betrekking heeft op de strafvorderlijke procedure van artikel 577b, tweede lid, van het WvSv.

Verweerder heeft ter zitting aangevoerd dat de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel in 1994 nog niet was geregeld, zodat daarmee in het Brt geen rekening kon worden gehouden. De rechtbank stelt vast dat deze stelling onjuist is. Artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, waarin de mogelijkheid tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel is geregeld, en artikel 577b, tweede lid, van het WvSv, waarin onder meer de mogelijkheid tot kwijtschelding van het te ontnemen bedrag is geregeld, zijn beide in werking getreden op 1 mei 1983 en dus ruim voor de inwerkingtreding van het Brt op

1 januari 1994.

Uit het voorgaande volgt dat verweerder de afwijzing van de toevoegingsaanvraag niet kon baseren op artikel 7 van het Brt. Dit brengt de rechtbank tot de conclusie dat het beroep gegrond is en het bestreden besluit dient te worden vernietigd. Hierna zal de rechtbank onderzoeken of de rechtgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen blijven.

Ingevolge artikel 12, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wrb wordt geen rechtsbijstand verleend indien het een belang betreft waarvan de behartiging redelijkerwijze aan de aanvrager zelf kan worden overgelaten, zo nodig met bijstand van een andere persoon of instelling van wie onderscheidenlijk waarvan de werkzaamheden niet vallen binnen de werkingssfeer van deze wet.

De rechtbank is van oordeel dat in dit geval geen sprake is van een belang dat een toevoeging rechtvaardigt. Hoewel artikel 7 van het Brt, zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen, niet op dit geval van toepassing is, ziet de rechtbank aanleiding dit artikel naar analogie toe te passen. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat de onderhavige toevoegingsaanvraag betrekking heeft op (het doen van een verzoek tot) het kwijtschelden van een schuld. Uit de wetsgeschiedenis van het Brt (nota van toelichting, Staatsblad 1994, 32, p. 4 en 7) kan worden afgeleid dat voor rechtsbijstand terzake van het kwijtschelden van een schuld in civiele zaken geen toevoeging wordt verleend vanwege de eenvoud van dergelijke zaken of vanwege het feit dat voor de oplossing daarvan een andere dan juridische deskundigheid is vereist. De rechtbank is van oordeel dat voor rechtsbijstand terzake van het kwijtschelden van een schuld in een procedure als bedoeld in artikel 577b, tweede lid, van het WvSv hetzelfde geldt.

Het feit dat eiser zich in een procedure als bedoeld in artikel 577b, tweede lid, van het WvSv kan laten bijstaan door een advocaat, zoals volgt uit artikel 577b, vijfde lid, van het WvSv in samenhang met artikel 23, derde lid, van het WvSv, betekent niet dat die procedure een belang betreft waarvan de behartiging redelijkerwijze niet aan eiser zelf kan worden overgelaten. Het betreft immers een bevoegdheid tot het inschakelen van een advocaat en geen verplichting.

Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb.

Met toepassing van artikel 8:75 van de Awb veroordeelt de rechtbank verweerder in de proceskosten. Overeenkomstig het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht bedragen de proceskosten van eiser terzake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand € 322,00 (beroepschrift één punt; gewicht van de zaak: gemiddeld; waarde per punt € 322,00). De rechtbank wijst de raad voor rechtsbijstand Leeuwarden aan als de rechtspersoon die deze kosten vergoed. Ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb dient het bedrag van de kosten te worden betaald aan de griffier van de rechtbank.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

- bepaalt dat de raad voor rechtsbijstand Leeuwarden het betaalde griffierecht van € 39,00 aan eiser vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van

€ 322,00, aan de griffier van de rechtbank te vergoeden door de raad voor rechtsbijstand Leeuwarden.

Aldus gegeven door mr. U. van Houten, rechter, en door deze in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2008, in tegenwoordigheid van mr. F.F. van Emst als griffier.

w.g. F.F. van Emst

w.g. U. van Houten

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat voor partijen hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:13 in samenhang met artikel 6:24 van de Awb.

Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan:

de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Postbus 20019

2500 EA Den Haag

In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.

Afschrift aangetekend verzonden op: