Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2008:BD2884

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
30-05-2008
Datum publicatie
30-05-2008
Zaaknummer
08/722, 08/723
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Disciplinair ontslag politieambtenaar. Gedrag jegens vrouwen in diensttijd. Geschiktheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

Procedurenummers: AWB 08/722, 08/723

uitspraak van de voorzieningenrechter van 30 mei 2008 op grond van de artikelen 8:84 en 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in het geding tussen

[naam],

wonende te [plaats],

verzoeker,

gemachtigde: A. Nijboer, juridisch medewerkster bij Politievakorganisatie ACP te Leusden,

en

de korpsbeheerder van de politie Fryslân,

verweerder,

gemachtigde: mr. J.T. Zwart.

Procesverloop

Bij brief van 18 maart 2008 heeft verweerder verzoeker mededeling gedaan van zijn besluit op bezwaar betreffende de toepassing van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp).

Namens verzoeker is tegen dit besluit op 15 april 2008 beroep ingesteld bij de rechtbank

(reg.nr. 08/722). Tevens heeft verzoeker zich bij brief van 15 april 2008 tot de voorzieningenrechter gewend met het verzoek om op grond van artikel 8:81 lid 1 Awb een voorlopige voorziening te treffen (reg.nr. 08/723).

De zaak is behandeld ter zitting van de voorzieningenrechter op 16 mei 2008, waarbij verzoeker en diens gemachtigde, alsmede de gemachtigde van verweerder zijn verschenen.

Motivering

Op grond van artikel 8:81 Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het verzoek overweegt de voorzieningenrechter dat niet is gebleken van beletselen om verzoeker te kunnen ontvangen. Voorts is genoegzaam aangetoond dat verzoeker een spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorlopige voorziening.

Indien, zoals in het onderhavige geval, het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening wordt gedaan terwijl beroep bij de rechtbank is ingesteld, kan de voorzieningenrechter ingevolge artikel 8:86 lid 1 van de Awb onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak, indien hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is dit het geval. De voorzieningenrechter zal daarom onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

De voorzieningenrechter baseert zich bij zijn oordeelsvorming op onderstaande feiten en omstandigheden.

Bij besluit van 30 oktober 2007 heeft de plaatsvervangend korpsbeheerder van de regiopolitie Fryslân, conform zijn voornemen, aan verzoeker disciplinair ontslag verleend met toepassing van artikel 77, eerste lid, aanhef en onder j van het Barp en subsidiair, voor zover nodig, ontslag verleend vanwege onbekwaamheid of ongeschiktheid op grond van artikel 94, eerste lid, aanhef en onder g van het Barp, met ingang van de dag na ontvangst door verzoeker van dat besluit. Volgens verweerder is uit onderzoek door het Bureau Interne Veiligheid gebleken dat verzoeker zich schuldig heeft gemaakt aan ernstig plichtsverzuim in die zin dat hij zich zeer onprofessioneel en ongewenst heeft gedragen jegens vrouwen tijdens de uitoefening van zijn functie.

Verzoeker was ten tijde van zijn ontslag ongeveer 27 jaar werkzaam bij de politie, laatstelijk sinds 1 juni 2004 als hoofdagent bij het Team Heerenveen.

De volgende gedragingen worden verzoeker in dit verband aangerekend. Verzoeker wordt verweten dat hij een werkneemster van de Woningcorporatie Arquin, mw. [naam], op

30 mei 2005 voor privédoeleinden heeft benaderd en dat hij haar op 31 mei en 5 juni 2005 via zijn emailadres van de politie persoonlijk heeft benaderd, terwijl zij reeds te kennen had gegeven daar niet van gediend te zijn. Daarnaast heeft het onderzoek volgens verweerder uitgewezen dat verzoeker op 6 december 2005 een medewerkster van het CWI, mw. [naam], voor privédoeleinden heeft benaderd en dat hij haar op 7 december 2005 vanaf zijn werkplek heeft gebeld, terwijl ook zij reeds te kennen had gegeven daar niet van gediend te zijn. Voorts zou verzoeker op 24 maart 2006 een bezoek hebben gebracht aan [naam] op haar werk, zonder dat daar een dienstbelang voor aanwezig was en waarbij hij wederom heeft getracht om haar voor privédoeleinden te benaderen. Daarnaast wordt verzoeker verweten dat hij politiegegevens op een onjuiste manier heeft gebruikt en dat hij omtrent de voorvallen onjuiste en misleidende verklaringen heeft afgelegd. Volgens verweerder moeten deze gedragingen als ernstig plichtsverzuim worden aangemerkt.

Op 29 februari 2008 heeft de Noordelijke Adviesraad Politie, Kamer Rechtspositionele Bezwaarschriften Politieregio's Groningen, Fryslân en Drenthe (hierna: NARP) aan verweerder het advies uitgebracht om het door eiser gemaakte bezwaar tegen het ontslagbesluit van 30 oktober 2007 gegrond te verklaren en de straf te wijzigen in een voorwaardelijk ontslag. De NARP is van mening dat het disciplinair ontslag niet in redelijke verhouding staat tot de ernst van het plichtsverzuim. Daarbij heeft de NARP onder meer in aanmerking genomen dat de verweten gedragingen wel aannemelijk zijn maar een incidenteel karakter hebben. Voorts is erop gewezen dat verzoeker veel spijt heeft van zijn gedrag, dat de impact van het ontslag voor verzoeker erg groot is en dat verzoeker gedurende zijn lange dienstverband alleen maar goede beoordelingen heeft gehad. Ook het (subsidiaire) ongeschiktheidsontslag kan volgens de NARP geen stand houden omdat verzoeker nooit de kans heeft gekregen om zijn gedrag te verbeteren.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder in afwijking van het advies van de NARP de bezwaren van verzoeker tegen zijn ontslag van de hand gewezen. Verweerder heeft daartoe in de eerste plaats uiteengezet waarom naar zijn mening de NARP de ernst van de aan verzoeker verweten gedragingen niet voldoende heeft onderkend. Met betrekking tot het ongeschiktheidsontslag heeft verweerder opgemerkt dat verzoeker de kans heeft gehad om zich te verbeteren omdat hij was gewaarschuwd. Bovendien doet zich hier de uitzondering voor dat een verbeterkans geen zin zou hebben gehad, aldus verweerder.

Verzoeker stelt zich op het standpunt dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven omdat het ontslag een onevenredig zware sanctie is en ook omdat het hieraan ten grondslag gelegen onderzoek niet zorgvuldig is geweest. Verzoeker erkent dat hij jegens [naam] onjuist heeft gehandeld en heeft daar ook spijt van, maar hij ontkent dat hij [naam] onheus heeft bejegend. De inloggegevens bewijzen volgens verzoeker niet dat hij degene is geweest die op

7 december 2005 met [naam] heeft gebeld en in X-pol haar gegevens heeft opgezocht. Dit kan ook een collega zijn geweest. Verzoeker is voorts van mening dat verweerder naar aanleiding van de klacht van [naam] de klachtenprocedure had moeten volgen in plaats van een intern onderzoek te beginnen. Verzoeker acht dit onzorgvuldig, net als de tunnelvisie waarmee het onderzoek van het BIV volgens verzoeker doorspekt is. Het is voor verzoeker onbegrijpelijk waarom aan de verklaringen van [naam] en haar collega [naam] meer waarde wordt gehecht dan aan de getuigenverklaringen van de heer en mevrouw [naam], mevrouw [naam] en verzoeker zelf. Daarbij wijst verzoeker erop dat collega [naam], die verzoeker bij het bezoek aan [naam] op 24 maart 2006 heeft vergezeld, de lezing van verzoeker omtrent dat bezoek heeft bevestigd. Tenslotte merkt verzoeker op dat zijn leidinggevende hem wel eens een waarschuwing heeft gegeven maar aangezien die waarschuwing niet op concrete voorvallen was gebaseerd, kan hieraan volgens verzoeker niet de waarde worden gehecht die verweerder daaraan hecht.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

Op grond van artikel 76, eerste lid, van het Barp kan de ambtenaar die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt, disciplinair worden gestraft. Volgens het tweede lid omvat plichtsverzuim zowel het overtreden van een voorschrift als het doen of nalaten van iets dat een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen. Ingevolge artikel 77, eerste lid, aanhef en onder j, van het Barp kan de straf van ontslag worden opgelegd.

In aanmerking genomen dat een straf als hier aan de orde een discretionaire bevoegdheid van verweerder betreft, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om verzoeker te volgen in zijn stelling dat de klachtenprocedure had moeten worden gevolgd. Een strafontslag als hier aan de orde berust op het voor ambtenaren op grond van hun rechtspositiereglement geldende tuchtrecht, dat geheel betrokken is op en zijn werking uitsluitend heeft binnen de bijzondere arbeidsverhouding tussen de ambtenaar en het overheidslichaam waarbij deze in dienst is. In dit verband behoort het tot de taken en bevoegdheden van het betrokken bestuursorgaan om zich in gevallen van vermoedelijk plichtsverzuim een eigen oordeel te vormen over het doen of nalaten van zijn ambtenaar. De omstandigheid dat de aan de ambtenaar verweten gedraging mogelijkerwijs tevens klachtwaardig is, doet aan de eigen verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan niet af. Tuchtrecht en klachtrecht vormen van elkaar te onderscheiden kaders, elk met een eigen invalshoek. De voorzieningenrechter heeft ook overigens geen concrete aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat het disciplinair onderzoek door het BIV op onzorgvuldige of vooringenomen wijze heeft plaatsgevonden. Deze grond van verzoeker treft derhalve geen doel.

Met betrekking tot het aan het bestreden besluit ten grondslag liggende als plichtsverzuim aangemerkte gedrag overweegt de voorzieningenrechter het volgende. Verweerder heeft eiser de zwaarste straf opgelegd, te weten ontslag. Dit impliceert dat sprake moet zijn geweest van zeer ernstig plichtsverzuim.

Naar vaste jurisprudentie gelden in tuchtrechtelijke zaken als deze niet de strikte bewijsregels die in het strafrecht van toepassing zijn, maar is voor de constatering van plichtsverzuim dat tot disciplinaire bestraffing aanleiding heeft gegeven wel noodzakelijk dat op basis van deugdelijk vastgestelde gegevens het bestuursorgaan de overtuiging heeft verkregen dat de betrokkene zich aan de hem verweten gedragingen heeft schuldig gemaakt.

Verzoeker heeft erkend dat hij [naam] heeft benaderd op de wijze als hiervoor samengevat weergegeven, zodat de voorzieningenrechter dat voorval als vaststaand zal aannemen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekers bejegening van [naam] moet worden aangemerkt als plichtsverzuim. Verzoeker heeft immers de goede naam van de politie in diskrediet gebracht door in het kader van de uitoefening van zijn functie als politieambtenaar toenadering tot haar te zoeken, ook nadat zij reeds te kennen had gegeven daar niet van gediend te zijn. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is dit plichtsverzuim echter niet zodanig dat de zwaarst mogelijke sanctie, namelijk ontslag, gerechtvaardigd is. De voorzieningenrechter kan de gemachtigde van verzoeker in dit verband volgen in haar betoog ter zitting dat uit de reactie van mevrouw [naam] niet kan worden afgeleid dat zij de toenaderingspogingen van verzoeker als bijzonder kwalijk of grievend heeft ervaren. Zulks neemt niet weg dat deze toenaderingspogingen van verzoeker zeer onprofessioneel zijn.

Met betrekking tot het aan verzoeker verweten gedrag jegens [naam] overweegt de voorzieningenrechter dat de inloggegevens en de toegangsgegevens, in combinatie met de verklaringen van [naam], aannemelijk maken dat verzoeker haar op 7 december 2005 heeft gebeld vanaf zijn werkplek. De ontkenning door verzoeker dat hij haar die bewuste dag heeft gebeld en daartoe gebruik heeft gemaakt van de gegevens uit X-pol acht de voorzieningenrechter niet geloofwaardig, zodat deze ontkenning als een onjuiste verklaring en derhalve als plichtsverzuim moet worden aangemerkt. Verzoeker heeft in dit verband gesteld dat hij op het bewuste tijdstip van het telefoongesprek niet op zijn werkplek was maar op locatie bij de familie [naam] in Heerenveen. Die uitleg acht de voorzieningenrechter echter niet overtuigend omdat een dergelijk bezoek geenszins uitsluit dat verzoeker ten tijde van het telefoongesprek op zijn werkplek was (kort voor of na dat bezoek). Anders dan verweerder is de voorzieningenrechter echter van oordeel dat de inhoud van het telefoongesprek met [naam] niet is komen vast te staan, waarbij de voorzieningenrechter in aanmerking neemt dat omtrent die inhoud uitsluitend de verklaring van [naam] voorhanden is. De collega [naam] heeft het gesprek niet zelf gevolgd en is voor wat betreft de inhoud van het gesprek in hoofdzaak afgegaan op de verklaringen van [naam] daaromtrent. De inloggegevens maken voorts aannemelijk dat verzoeker gebruik heeft gemaakt van X-pol voor het achterhalen van de persoonlijke gegevens van [naam] ten behoeve van het telefoongesprek. Nu de inhoud van het telefoongesprek met [naam] niet is komen vast te staan, is evenmin komen vast te staan dat geen dienstbelang gemoeid was met dat gesprek en kan dus ook niet voorshands worden aangenomen dat verzoeker X-pol heeft geraadpleegd uitsluitend voor persoonlijke doeleinden. Er bestaat met andere woorden onvoldoende grond om de raadpleging van X-pol voor de gegevens van [naam] als plichtsverzuim aan te merken, hetgeen niet wegneemt dat verzoekers ontkenning van die raadpleging wel als plichtsverzuim moet worden aangemerkt.

Verzoeker heeft voorts niet ontkend dat hij [naam] op 24 maart 2006 op haar werk bij het CWI te Heerenveen heeft bezocht met zijn collega [naam]. Uit de verklaringen van [naam] omtrent dat bezoek blijkt echter niet dat verzoeker [naam] daarbij onheus heeft bejegend dan wel toenadering voor privédoeleinden heeft gezocht. Dit laatste is niet komen vast te staan nu daaromtrent uitsluitend de verklaring van [naam] voorhanden is. Wel acht de voorzieningenrechter uit de stukken genoegzaam gebleken dat geen dienstbelang gemoeid was met het desbetreffende bezoek, zodat in zoverre wel sprake is van plichtsverzuim.

Resumerend heeft verzoeker zich, naast het incident met [naam], ook met betrekking tot de kwestie [naam] schuldig gemaakt aan plichtsverzuim, bestaande uit de ontkenning van het telefoongesprek met [naam], de ontkenning van de raadpleging van X-pol voor haar gegevens, alsmede het bezoek aan haar op 24 maart 2006 zonder dat daarvoor een dienstbelang aanwezig was.

Gelet op het hiervoor geconstateerde plichtsverzuim is verweerder bevoegd om verzoeker disciplinair te straffen.

Namens verzoeker is aangevoerd dat de aan hem opgelegde sanctie, te weten strafontslag, onder de gegeven omstandigheden, niet evenredig is aan de ernst van het plichtsverzuim kan worden geacht, mede gelet op het lange dienstverband van verzoeker, de zeer ingrijpende gevolgen die het ontslag voor verzoeker heeft en de goede beoordelingen die hij voor het overige gedurende zijn loopbaan bij de politie heeft gehad. Verzoeker meent dan ook dat verweerder in redelijkheid geen gebruik had mogen maken van zijn bevoegdheid om hem te ontslaan. Ten aanzien van de evenredigheid van het gegeven ontslag overweegt de voorzieningenrechter in de eerste plaats dat verweerder deels van een onjuist aantal verwijtbare gedragingen is uitgegaan. Uit het voorgaande blijkt immers dat de inhoud van het telefoongesprek met [naam] niet is komen vast te staan, dat niet is komen vast te staan dat verzoeker [naam] onheus heeft bejegend tijdens het bezoek op 24 maart 2006 en dat niet is komen vast te staan dat verzoeker X-pol op 7 december 2005 voor wat betreft de raadpleging van [naam]s gegevens, uitsluitend heeft gebruikt voor privédoeleinden.

Voorop staat dat gelet op het vertrouwen dat gesteld moet kunnen worden in de integriteit van politieambtenaren hoge eisen aan hun functioneren moeten worden gesteld. De voorzieningenrechter is evenwel van oordeel dat het plichtsverzuim van verzoeker waarvan in deze zaak sprake is, niet als zodanig ernstig moet worden beschouwd dat een strafontslag als reactie daarop passend is te achten. De voorzieningenrechter is dan ook van oordeel dat tussen de opgelegde straf van ontslag en het hierboven vastgestelde plichtsverzuim geen evenredigheid bestaat en dat verweerder met een minder zware bestraffing had dienen te volstaan. De door de NARP voorgestelde omzetting in een voorwaardelijk strafontslag komt de voorzieningenrechter in dit verband niet onredelijk voor.

Met betrekking tot het subsidiaire ontslag wegens ongeschiktheid is de voorzieningenrechter van oordeel dat ook die ontslaggrond niet berust op een deugdelijke motivering. De aan verzoeker gegeven waarschuwingen acht de voorzieningenrechter in dit verband te weinig concreet omdat deze niet tot concrete en toetsbare voorvallen kunnen worden herleid. Voorts heeft verzoeker nooit een officiële (en in zijn personeelsdossier neergelegde) berisping gehad en zijn er nooit andere verwijten jegens hem gemaakt dan die betreffende [naam] en [naam]. Voorshands kan daarom niet worden gezegd dat een verbeterkans niet zinvol zou zijn of dat verzoeker niet in staat zou zijn om zijn gedrag te veranderen. Verweerder heeft voorts niet bestreden dat verzoeker voorheen altijd goede beoordelingen heeft gehad. Voor de conclusie dat verzoeker ongeschikt is voor het door hem beklede ambt, anders dan wegens ziels- of lichaamsgebreken, bedoeld in artikel 94, eerste lid, onder g, van het Barp, bestaat derhalve onvoldoende grond.

Het voorgaande betekent dat het bestreden besluit niet berust op een deugdelijke motivering als bedoeld in artikel 7:12 lid 1 van de Awb. Bijgevolg zal de voorzieningenrechter het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen, zodat verweerder met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen, opnieuw op het bezwaar van verzoeker zal hebben te beslissen.

De vernietiging van het bestreden besluit laat het primaire besluit echter onverlet, zodat aanleiding bestaat om dat besluit te schorsen tot twee weken na de bekendmaking van de nieuwe beslissing op bezwaar, met dien verstande dat indien binnen die termijn een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening wordt ingediend, de schorsing doorloopt totdat de voorzieningenrechter op dat verzoek heeft beslist.

Gelet op het vorenstaande en op het bepaalde in de artikelen 8:74 lid 1 en 8:82 lid 4 van de Awb dient de politieregio Fryslân de door verzoeker betaalde griffierechten voor het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening van in totaal € 290,= aan hem te vergoeden.

Met toepassing van de artikelen 8:75 en 8:84 lid 4 van de Awb veroordeelt de voorzieningenrechter verweerder in de proceskosten. Overeenkomstig het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht bedragen de proceskosten van verzoeker € 644,= ter zake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (beroepschrift/verzoekschrift

1 punt; verschijnen ter zitting 1 punt; gewicht van de zaak: gemiddeld; samenhangende zaken, waarde per punt € 322,=). De voorzieningenrechter wijst de politieregio Fryslân aan als de rechtspersoon die deze kosten aan verzoeker moet vergoeden.

Mitsdien beslist de voorzieningenrechter als volgt.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit van 18 maart 2008;

- schorst het primaire besluit van 30 oktober 2007 tot twee weken na de bekendmaking van de nieuwe beslissing op bezwaar, met dien verstande dat indien binnen die termijn een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening wordt ingediend, de schorsing doorloopt totdat de voorzieningenrechter op dat verzoek heeft beslist;

- bepaalt dat de politieregio Fryslân het betaalde griffierecht van in totaal € 290,= aan verzoeker vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker ten bedrage van € 644,=, aan verzoeker te vergoeden door de politieregio Fryslân.

Aldus gegeven door mr. E. de Witt, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 30 mei 2008, in tegenwoordigheid van mr. A.J.T. Harkema als griffier.

w.g. A.J.T. Harkema

w.g. E. de Witt

Rechtsmiddel:

Tegen de uitspraak in het verzoek om een voorlopige voorziening met registratienummer 08/723 kan geen rechtsmiddel worden aangewend.

Tegen de uitspraak in de hoofdzaak met registratienummer 08/722 staat voor partijen hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in art. 6:13 juncto 6:24 Awb.

Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan:

de Centrale Raad van Beroep

Postbus 16002

3500 DA Utrecht

In het hoger beroepschrift vermeldt u dan waarom u de uitspraak niet juist vindt.

Afschrift verzonden op:

fn 11