Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2008:BD2374

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
08-05-2008
Datum publicatie
23-05-2008
Zaaknummer
AWB 07/1434
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WWB; samenwonen; watergebruik 0 m3; eigen verklaringen. Intrekking; terugvordering; hoofdelijke aansprakelijkheid. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

Procedurenummer: AWB 07/1434

uitspraak van 8 mei 2008 van de enkelvoudige kamer op grond van artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

inzake het geding tussen

[naam] (eiseres) en [naam] (eiser),

beiden wonende te Drachten,

eisers,

gemachtigde: mr. D. van der Wal, advocaat te Buitenpost,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Smallingerland,

verweerder.

Procesverloop

Bij brief van 10 mei 2007 heeft verweerder eisers mededeling gedaan van zijn besluit op bezwaar betreffende de toepassing van de Wet werk en bijstand (WWB).

Tegen dit besluit is namens eisers beroep aangetekend.

De zaak is behandeld ter zitting van de rechtbank, gehouden op 4 januari 2008. Eisers hebben zich daarbij doen vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Verweerder is niet verschenen.

Motivering

Eisers ontvangen ieder bijstand in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan van verweerders gemeente, berekend naar de norm voor een alleenstaande (met een toeslag).

In verband met een geschat waterverbruik van 0 m³ van mei 2003 tot oktober 2006 in de woning van eiseres op het adres [adres] te Drachten, heeft de sociale recherche onderzoek ingesteld naar (herhaald) samenwonen door eisers. Het onderzoek heeft tot de conclusie geleid dat eisers sinds mei 2003 in de woning van eiser op het adres [adres] te Drachten een gezamenlijke huishouding voeren, terwijl daarvan geen mededeling is gedaan aan verweerder. Blijkens het desbetreffende rapport van de sociale recherche van 25 oktober 2006 is die conclusie met name gebaseerd op de verklaringen van eisers zoals afgelegd tijdens verhoren op 20 en 25 oktober 2006, ondersteund door onder meer het genoemde waterverbruik.

Naar aanleiding van voormeld rapport heeft verweerder bij onderscheiden besluiten van

2 en 21 november 2006 het recht op bijstand van eiseres respectievelijk eiser vanaf 1 juni 2003 ingetrokken en bij afzonderlijk besluit van 21 november 2006 aan eisers bijstand toegekend per 1 juni 2003 naar de norm die geldt voor gehuwden.

Tevens heeft verweerder bij afzonderlijke besluiten van 22 januari 2007 en 21 februari 2007 de teveel aan eiseres respectievelijk eiser verstrekte bijstand over de periode van 1 juni 2003 tot 1 oktober 2006 (het verschil tussen bijstand naar de norm voor een alleenstaande en 50 % bijstand naar de norm voor gehuwden) van ieder van hen teruggevorderd. Voor eiseres is dat bedrag berekend op (bruto) € 14.796,97 en voor eiser op (bruto) € 15.484,28. Tevens is daarbij de over de jaren 2004, 2005 en 2006 verleende langdurigheidstoeslag van eisers teruggevorderd, voor zowel eiseres als eiser berekend op (netto) € 982,=. Eisers zijn voor de terugvordering hoofdelijk aansprakelijk gehouden.

Namens eisers is bezwaar gemaakt tegen deze besluiten.

Verweerder heeft de bezwaren voor advies in handen gesteld van de commissie bezwaarschriften WWB (hierna te noemen: de commissie). Na betrokkenen te hebben gehoord heeft de commissie op 30 april 2007 het advies uitgebracht aan verweerder om de bezwaren ongegrond te verklaren. De commissie heeft in haar advies met name gewezen op de verklaringen van eisers zoals afgelegd tijdens de verhoren van de sociale recherche. De commissie heeft geen aanleiding gezien die verklaringen voor onjuist te houden. Met betrekking tot de hoogte van de terugvordering heeft de commissie onder meer opgemerkt dat ten voordele van eiseres een onjuist (lager) bedrag is teruggevorderd door verweerder. Teneinde eiseres niet als gevolg van haar bezwaar in een nadeliger positie te brengen (reformatio in peius), heeft de commissie zulks toelaatbaar geacht. Tenslotte merkt de commissie op dat er geen bijzondere omstandigheden zijn die maken dat de intrekking zou moeten worden herzien.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder overeenkomstig het advies van de commissie de bezwaren van eisers ongegrond verklaard en zijn primaire besluiten gehandhaafd.

In het beroepschrift is namens eisers in de eerste plaats aangevoerd dat verweerder niet bevoegd was om tot de herziening en terugvordering over te gaan omdat eisers de inlichtingenplicht niet hebben geschonden. Volgens eisers was hun situatie sinds 2003 bekend en had verweerder zich daarbij neergelegd. De bestreden besluiten zijn daarom volgens eisers in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. In dit verband is onder meer gewezen op een eerdere uitspraak van deze rechtbank van 7 november 2002 inzake een beroep van eiseres. Opgemerkt is voorts dat eiseres moeilijk alleen kan zijn en dat zij heeft te kampen met diabetes, alcoholmisbruik en sociale problemen. In verband daarmee zorgen eisers voor elkaar maar het is niet zo dat eiseres haar hoofdverblijf had bij eiser. Eiseres verbleef ook wel op andere adressen en meestal in haar eigen woning aan het [adres]. Verweerder had zijn besluiten op deze situatie dienen af te stemmen, gezien het bepaalde in artikel 18 van de WWB. Met betrekking tot de langdurigheidstoeslag is aangevoerd dat verweerder deze ten onrechte in zijn geheel heeft teruggevorderd omdat eisers in ieder geval recht hebben op een langdurigheidstoeslag berekend naar de norm voor gehuwden. Tenslotte is opgemerkt dat verweerder nog geen besluit op het bezwaar van eiser heeft genomen met betrekking tot de terugvorderingbeslissing omdat die niet wordt genoemd in het bestreden besluit. Eisers concluderen dat het bestreden besluit geen stand kan houden.

De rechtbank overweegt als volgt.

Ten aanzien van de intrekkingen

Ingevolge artikel 3 lid 3 van de WWB en artikel 3 lid 3 van de Algemene bijstandswet (Abw), zoals dat gold tot 1 januari 2004, is sprake van een gezamenlijke huishouding indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

In de artikelen 17 lid 1 van de WWB en 65 lid 1 van de Abw, zoals dat gold tot 1 januari 2004 is bepaald dat de belanghebbende op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling doet aan het college van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn recht op bijstand.

Tussen partijen is niet in geschil dat sprake is van wederzijdse zorg, zoals bedoeld in het hiervoor aangehaalde artikel 3 lid 3 van de Abw en de WWB. Partijen worden verdeeld gehouden door het antwoord op de vraag of eiseres al dan niet haar hoofdverblijf bij eiser had in zijn woning aan het Kleinzand 25 te Drachten in de periode in geding.

De rechtbank is met verweerder van oordeel dat geen grond bestaat om eisers niet te houden aan hun verklaringen zoals zij die hebben afgelegd tijdens de verhoren op 20 en 25 oktober 2006 ten overstaan van de sociale recherche. Volgens vaste jurisprudentie mag in het algemeen worden uitgegaan van de juistheid van de tegenover de sociaal rechercheur afgelegde verklaring, tenzij sprake is van zodanig bijzondere omstandigheden dat op dit algemene uitgangspunt een uitzondering moet worden gemaakt. Van dergelijke bijzondere omstandigheden is de rechtbank niet gebleken, waarbij de rechtbank in aanmerking neemt dat de desbetreffende op ambtseed/belofte opgemaakte processenverbaal aan eisers zijn voorgelezen en eisers die daarna hebben ondertekend.

Eiseres verklaarde onder meer:

"Ik heb geen wasmachine in huis. Ik doe mijn was bij Wijbren (..) Wijbren wil niet officieel samenwonen omdat hij dan maar € 70,= meer zou krijgen. Dat is de reden dat wij niet officieel gaan samenwonen (..) Ik heb wel een sleutel van Wijbren zijn woning. In mijn woning staan bijna geen spullen meer. Er staat nog wel een koelkast maar daar zit niets in. De boodschappen halen wij gezamenlijk. Deze komen dan bij Wijbren in de koelkast. Wij eten daar altijd omdat er in mijn woning niets is (..). Wijbren kijkt veel televisie ik kijk niet altijd mee. Ik ben dan boven bezig met bedden opmaken en stofzuigen. Ik doe dus eigenlijk de complete huishouding. Wijbren hoeft niet alles te doen. (..) Je kunt dus rustig zeggen dat wij een gezamenlijke huishouding voeren. Wijbren wil dat dus niet melden aan de sociale dienst dat wij samenwonen omdat hij anders minder geld krijgt."

Eiser verklaarde onder meer:

"U zegt mij dat u mij op 20 december 2001 ook heeft gehoord over de samenwoning met Corrie Visser. Dat kan ik mij nog wel herinneren. Er is toen ook een samenwoning aangetoond maar Corrie is toen weer geheel op haar zelf gaan wonen en heeft toen ook weer een uitkering aangevraagd. U vraagt mij nu hoe het toen verder is verlopen. Ik kan u daar het volgende over zeggen. Er is in de situatie niets veranderd. Ik woon in mijn eigen huis en Corrie woont ook bij mij in de woning. Je kan wel zeggen dat vanaf begin 2003 alles weer bij het oude was. Ze verblijft dag en nacht bij mij (..) Je kan wel zeggen dat wij samenwonen maar niet officieel (..)".

Deze verklaringen bieden naar het oordeel van de rechtbank, mede gelet op de waarnemingen omtrent de woning van eiseres en een geschat waterverbruik van 0 m³ van mei 2003 tot oktober 2006 in de woning van eiseres aan het [adres], voldoende grond om aan te nemen dat eiseres haar hoofdverblijf had bij eiser in de hier bedoelde periode. Dat eiseres naar eigen zeggen ook wel bij anderen verbleef, maakt dit niet anders nu het zwaartepunt van haar verblijf klaarblijkelijk bij eiser lag. Dit heeft als gevolg dat eisers over de hier bedoelde periode geen recht op bijstand hadden naar de norm voor een alleenstaande. Door van de gezamenlijke huishouding in het betrokken tijdvak geen melding te maken, hebben eisers voorts de op hen rustende inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 65, eerste lid, van de Abw en artikel 17 van de WWB geschonden. In de gedingstukken heeft de rechtbank geen steun kunnen vinden voor de stelling van eisers dat de gezamenlijke huishouding reeds in 2003 bij verweerder bekend was en hij daarin heeft berust. Die stelling volgt de rechtbank daarom niet. Naar het oordeel van de rechtbank ziet de gezamenlijke huishouding vanaf mei 2003 als bedoeld in de onderhavige procedure op een andere situatie dan de situatie vóór mei 2003. Van strijd met het rechtszekerheid- en vertrouwensbeginsel is dan ook geen sprake.

Verweerder was gelet op het voorgaande op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd om over te gaan tot intrekking van het recht op bijstand over de hier in geding zijnde periode. Niet kan worden gezegd dat verweerder van die bevoegdheid in redelijkheid geen gebruik heeft kunnen maken.

Ten aanzien van de terugvordering van eiseres

Uit het voorgaande volgt dat is voldaan aan de voorwaarden voor terugvordering, zodat verweerder op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd was om de gemaakte kosten van de ten onrechte verleende bijstand van eiseres terug te vorderen. De rechtbank heeft in hetgeen namens eiseres is aangevoerd geen aanleiding kunnen vinden om te twijfelen aan verweerders berekening van de hoogte van het van haar teruggevorderde bedrag.

Ook is de rechtbank niet gebleken dat de specifieke omstandigheden van eiseres zodanig zijn dat verweerder in redelijkheid geen gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid om de teveel verstrekte bijstand van haar terug te vorderen. Namens eiseres zijn in dit verband weliswaar medische stukken overgelegd maar de rechtbank kan daaruit niet afleiden dat de onderhavige besluitvorming tot een sociale of medische noodsituatie zal leiden.

Nu gelet op het voorgaande vaststaat dat eisers ten tijde in geding met elkaar een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd en verlening van gezinsbijstand - niettemin - achterwege is gebleven omdat zij de op hen rustende inlichtingenverplichting niet zijn nagekomen, is voorts voldaan aan de voorwaarden van artikel 59, tweede lid, van de WWB. Verweerder heeft eiseres (en eiser) derhalve hoofdelijk aansprakelijk kunnen houden.

De rechtbank overweegt voorts dat artikel 36 lid 6 van de WWB bepaalt dat de artikelen

54 en paragraaf 6.4 en 6.5 van overeenkomstige toepassing zijn op de langdurigheidstoeslag. Gelet op het voorgaande was verweerder eveneens bevoegd om de aan eiseres verstrekte langdurigheidstoeslag van haar terug te vorderen nu deze was verleend naar de norm voor een alleenstaande. Net als eiseres is het de rechtbank in dit verband opgevallen dat verweerder voor wat betreft deze toeslag geen verrekening heeft gemaakt met de toeslag die aan gehuwden kan worden verstrekt. De rechtbank ziet hierin echter geen aanleiding het bestreden besluit te vernietigen nu eiseres desgewenst voor de langdurigheidstoeslag voor gehuwden een nieuwe aanvraag kan indienen.

Ten aanzien van de terugvordering van eiser

De rechtbank stelt met eiser vast dat het bestreden besluit niet ziet op het bezwaar van eiser tegen het aan hem gerichte terugvorderingbesluit van 21 februari 2007. Immers in het bestreden besluit wordt het terugvorderingbesluit van 21 februari 2007 niet genoemd. Weliswaar wordt in het bestreden besluit verwezen naar het advies van de commissie van

30 april 2007, maar daarin wordt niet inhoudelijk ingegaan op eisers bezwaren tegen de terugvordering. Evenmin is een inhoudelijke reactie terug te vinden in de 'rapportage bezwaarschrift' waarnaar de commissie in haar advies heeft verwezen. Dit betekent dat verweerder nog een beslissing op het desbetreffende bezwaar zal dienen te nemen zodat de rechtbank thans niet op dat terugvorderingbesluit kan ingaan.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het beroep ongegrond zal worden verklaard. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. M.S. van der Kuijl, rechter, en door deze in het openbaar uitgesproken op 8 mei 2008, in tegenwoordigheid van mr. A.J.T. Harkema als griffier.

w.g. A.J.T. Harkema

w.g. M.S. van der Kuijl

Tegen deze uitspraak staat voor partijen het rechtsmiddel hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in art. 6:13 juncto 6:24 Awb.

Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan:

de Centrale Raad van Beroep

Postbus 16002

3500 DA Utrecht

In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.