Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2008:BD2229

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
22-05-2008
Datum publicatie
22-05-2008
Zaaknummer
17/840206-07 VEV
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vernieling zomerhuisje, levensgevaar voor anderen, aanmerkelijk onvoorzichtig schip besturen, veroordeling.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 171
Scheepvaartverkeerswet 31
Scheepvaartverkeerswet 4
Binnenvaartpolitiereglement 5.01
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector straf

parketnummer 17/840206-07 VEV

ter berechting gevoegd parketnummer 17/521375-07

verkort vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 22 mei 2008 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [adres]

De rechtbank heeft gelet op het ter terechtzitting gehouden onderzoek van 8 mei 2008.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. Blussé van Oud-Alblas, advocaat te Rotterdam.

Telastelegging

Aan dit vonnis is een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van de dagvaarding gehecht, waaruit de inhoud van de telastelegging geacht moet worden hier te zijn overgenomen.

In de telastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

Vordering officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd:

- veroordeling voor het onder 1., 2., 3., 4. en 5. telastegelegde;

- oplegging van een werkstraf van 200 uur subsidiair 100 dagen hechtenis voor feit 1.;

- oplegging van een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden met een proeftijd van 2 jaar voor feit 1.;

- oplegging van een geldboete ter hoogte van 750 euro voor feit 2.;

- oplegging van een geldboete ter hoogte van 500 euro voor feit 3.;

- oplegging van een geldboete ter hoogte van 750 euro voor feit 4.;

- oplegging van een geldboete ter hoogte van 140 euro voor feit 5.

Partiële vrijspraak

De rechtbank zal verdachte bij het onder 1. telastegelegde vrijspreken van het veroorzaken van gemeen gevaar voor goederen. Met de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat niet gesteld kan worden dat door het vernielen van de recreatiewoning, gemeen gevaar is ontstaan voor de zomerdijk en het afgemeerde zeiljacht. Verdachte passeerde immers voorafgaand aan de vernieling van de recreatiewoning de zomerdijk en het afgemeerde zeiljacht.

Bewijsoverweging

Ten aanzien van het onder 1. telastegelegde voert de raadsvrouw aan dat verdachte hiervan moet worden vrijgesproken, omdat verdachte niet in slaap is gevallen, maar een onverklaarbaar moment van absence heeft gehad terwijl hij als schipper met een schip voer. De eerdere verklaringen van verdachte kunnen niet tot bewijs gebruikt worden, omdat er op basis van slechts één verklaring geen veroordeling kan volgen.

Tevens voert de raadsvrouw aan dat er geen sprake is van aanmerkelijke schuld aan de kant van de verdachte. Tot slot voert de raadsvrouw aan dat geen levensgevaar is ontstaan, nu geen van de slachtoffers lichamelijk lestel heeft opgelopen.

De rechtbank overweegt als volgt.

De stelling dat de eerdere verklaringen van verdachte niet voor het bewijs gebruikt kunnen worden, snijdt geen hout. Voor het bewijs van het telastegelegde feit zijn diverse bewijsmiddelen aanwezig zodat de in artikel 341 lid 4 van het Wetboek van Strafvordering bedoelde situatie zich hier niet voordoet.

Verdachte verklaart in slaap te zijn gevallen voor de aanvaring en wakker te zijn geschrokken kort voor het moment waarop het schip aan wal liep (proces-verbaal nummer 2007023476-2). Ter terechtzitting verklaart verdachte dat hij in de periode van 24 juli 2007 te 14.20 uur tot en met 26 juli 2007 te 12.15, zijnde de dag voor de aanvaring, onvoldoende rust in acht heeft genomen. Tevens verklaart verdachte dat hij in de nacht van 27 juli 2007 ongeveer 3 uur aaneengesloten heeft geslapen en daarvoor op 26 juli 2007 van 12.45 uur tot 14.45 uur te hebben geslapen (proces-verbaal nummer 2007023476-2).

De rechtbank is, gelet op de bovenstaande verklaring van verdachte ten overstaan van de politie en het feit dat hij voor de aanvaring onvoldoende de rusttijden in acht heeft genomen, van oordeel dat verdachte voor de aanvaring in slaap is gevallen terwijl hij als schipper met een schip voer en dat dit schip hierdoor uit de koers is geraakt en tegen een recreatiewoning is aangevaren.

Verdachte handelde in het kader van zijn beroep of bedrijf. Van een beroepsschipper mag worden verwacht dat hij maatregelen neemt om er ervoor te zorgen dat hij niet in slaap valt terwijl hij een schip bestuurt. Daarbij komt dat verdachte, zoals uit bovenstaande blijkt, onvoldoende rust genomen heeft op de dag voor en de dag van de aanvaring en in de nacht van de aanvaring na enkele uren slaap alleen in de stuurhut achterbleef om het schip te besturen. Om de bovenstaande redenen is de rechtbank van oordeel dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gehandeld.

De stelling van de raadsvrouw dat geen levensgevaar voor personen is ontstaan omdat geen van de slachtoffers lichamelijk letsel heeft opgelopen, acht de rechtbank onjuist. Voor het ontstaan van levensgevaar is niet vereist dat er letsel is opgelopen.

Ten aanzien van het onder 5. telastegelegde voert de raadsvrouw aan dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is, nu er slechts één proces-verbaal als bewijsmiddel aanwezig is.

De rechtbank overweegt als volgt.

Naast het proces-verbaal van een bijzonder opsporingsambtenaar, dient als bewijs voor het onder 5. telastegelegde de erkenning van verdachte dat hij op 17 oktober 2007 als schipper met een schip, te weten de [scheepsnaam], heeft gevaren op het Prinses Margrietkanaal. De rechtbank is van oordeel dat om bovenstaande reden voldoende wettig bewijs aanwezig is voor het onder 5. telastegelegde.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1., 2., 3., 4. en 5. telastegelegde bewezen, met dien verstande dat:

1.

hij op 27 juli 2007 (omstreeks 04.20 uur) te Grou, in de gemeente Boarnsterhim, als schipper van een schip (een motorvrachtschip, genaamd: "[scheepsnaam]"), daarmede heeft gevaren op het voor de scheepvaart openstaande, openbare vaarwater, het Prinses Margrietkanaal, komende uit de richting van Stroobos en gaande in de richting van Lemmer, en daarbij aanmerkelijk onvoorzichtig dat schip heeft bestuurd, immers is hij, verdachte, zijnde op dat moment de schipper en als enige in de stuurhut aanwezig, in slaap gevallen, waardoor dat schip niet langer door hem, verdachte, werd bestuurd en tengevolge waarvan dat schip naar bakboord is

uitgeweken en vervolgens tegen de wal van een landtong is gevaren, waardoor een op die landtong staand gebouw, te weten een recreatiewoning, werd vernield, terwijl daardoor levensgevaar voor anderen, te weten voor de op dat moment in die recreatiewoning aanwezige personen die daar lagen te slapen, is ontstaan.

2.

hij in de periode van 16 juli 2007 tot en met 27 juli 2007, op de binnenwateren van het bevaarbare traject gelegen tussen de gemeente Utrecht en de gemeente Delfzijl, als gezagvoerend schipper, in strijd heeft gehandeld met zijn verplichting tot naleving van de tot hem krachtens artikel 5, eerste lid, onderdeel c van de Wet Vaartijden en Bemanningssterkte Binnenvaart gestelde regels, door met een schip, te weten een motorvrachtschip, genaamd [scheepsnaam]", welk schip werd geëxploiteerd in de exploitatiewijze A-2, op die binnenwateren te varen, terwijl de vaart van dat schip

a. in de periode van 16 juli 2007 te 04.15 uur tot en met 18 juli 2007 te

03.20 uur, niet gedurende zes aaneengesloten uren werd onderbroken, doch

door twee gescheiden perioden van respectievelijk drie uur en een kwartier (09.20 uur -

12.35 uur op 16 juli) en drie uur en twintig minuten (09.15 uur - 12.35 uur op 17 juli)

b. in de periode van 20 juli 2007 te 11.15 uur tot en met 21 juli 2007 te 12.10 uur, niet

gedurende zes aaneengesloten uren werd onderbroken, doch gedurende maximaal vier uur

en vijf minuten (06.50 uur - 10.55 uur op 21 juli)

c. op 23 juli 2007 te 01.55 uur tot en met 23.35 uur niet gedurende zes aaneengesloten uren

werd onderbroken, doch in het geheel niet werd onderbroken;

d. in de periode van 24 juli 2007 te 14.20 uur tot en met 26 juli 2007 te 12.15 uur, niet

gedurende zes aaneengesloten uren werd onderbroken, doch gedurende maximaal drie uur

en vijf minuten (09.10 uur - 12.15 uur op 25 juli);

3.

hij in de periode van 28 augustus 2007 tot en met 7 september 2007, op de binnenwateren van het bevaarbare traject gelegen tussen de gemeente Utrecht en de gemeente Delfzijl als

gezagvoerend schipper van een schip, een motorvrachtschip, genaamd "[scheepsnaam]", op binnenwateren heeft gevaren, terwijl het aan boord van dat schip aanwezige vaartijdenboek niet overeenkomstig de daarin gestelde aanwijzingen door die schipper werd bijgehouden en door die schipper in dat vaartijdenboek aantekeningen zijn aangebracht, immers heeft hij, verdachte, als exploitatiewijze van dat schip A-2 ingevuld, terwijl de tachograaf

exploitatiewijze A-1 aangaf en was hij, verdachte, gehouden om, bij exploitaitiewijze A-2, in dat vaartijdenboek te vermelden dat er drie bemanningsleden, te weten twee schippers en een volmatroos, aan boord waren, terwijl op 31 augustus 2007 en 1 september 2007 niet duidelijk blijkt welke bemanningsleden aan boord waren of van boord gegaan waren, immers werden op 31 augustus 2007 en 1 september 2007, door middel van aanhalingstekens, twee bemanningsleden in het vaartijdenboek vermeld, en aldus heeft gehandeld in strijd met zijn verplichting tot naleving van de tot hem krachtens artikel 5, eerste lid, onderdeel f van de Wet Vaartijden en Bemanningssterkte Binnenvaart gestelde regels.

4.

hij in de periode van 28 augustus 2007 tot en met 7 september 2007, op de binnenwateren van het bevaarbare traject gelegen tussen de gemeente Utrecht en de gemeente Delfzijl als

gezagvoerend schipper, in strijd heeft gehandeld met zijn verplichting tot naleving van de tot hem krachtens artikel 5, eerste lid, onderdeel c van de Wet Vaartijden en Bemanningssterkte Binnenvaart gestelde regels, door met een schip, te weten een motorvrachtschip, genaamd "[scheepsnaam]", welk schip werd geëxploiteerd in de exploitatiewijze A-2, op die binnenwateren te varen, terwijl de vaart van dat schip:

a. op 28 augustus 2007 niet gedurende zes aaneengesloten uren werd

onderbroken, doch gedurende maximaal vier aaneengesloten uren;

b. op 29 augustus 2007 niet gedurende zes aaneengesloten uren werd

onderbroken, doch gedurende maximaal vijf aaneengesloten uren;

c. in de periode van 30 augustus 2007 te 11.30 uur tot en met 31 augustus 2007

te 13.00 uur niet gedurende zes aaneengesloten uren werd onderbroken, doch

in het geheel niet werd onderbroken;

d. in de periode van 31 augustus 2007 te 18.45 uur tot en met 1 september 2007

te 18.45 uur niet gedurende zes aaneengesloten uren werd onderbroken, doch

gedurende twee uren en een kwartier;

e. in de periode van 3 september 2007 te 02.15 uur tot en met 4 september 2007

te 03.15 uur niet gedurende zes aaneengesloten uren werd onderbroken, doch

in het geheel niet werd onderbroken;

f. in de periode van 4 september 2007 te 14.00 uur tot en met 5 september 2007

te 23.15 uur niet gedurende zes aaneengesloten uren werd onderbroken, doch

door twee gescheiden perioden van respectievelijk vier uren en een kwartier (00.00 uur -

04.15 uur) en twee uren en een kwartier (14.15 uur-16.30 uur);

g. in de periode van 6 september 2007 te 05.15 uur tot en met 7 september 2007

te 10.15 uur, niet gedurende zes aaneengesloten uren werd onderbroken, doch

door twee gescheiden perioden van respectievelijk vier uur en een kwartier (21.45 uur -

02.00 uur) en drie uren en een kwartier (04.45 uur - 08.30 uur).

5.

hij op 17 oktober 2007 in de gemeenten Skarsterlân en Wymbritseradiel en Sneek en Boarnsterhim, op het traject tussen de brug bij Spannenburg en de sluis bij Terherne, als schipper van een schip, te weten een motorvrachtschip, genaamd: "[scheepsnaam]", groot ongeveer 2414 ton, met een diepgang van meer dan 1,50 meter, zijnde een binnenvaartmotorvaartuig, daarmede heeft gevaren op het in het Rijk gelegen voor de scheepvaart openstaande openbare vaarwater, het Prinses Margrietkanaal, welk water in beheer was bij de Provincie Fryslân en welk water was vermeld op een bij het besluit van Gedeputeerde Staten van die

provincie (van 19 maart 2002, kenmerk 47.8953) behorende en in het Provinciale

Blad van Fryslân (2002, nr. 12) kenbaar gemaakte publicatie, zijnde een bekendmaking als bedoeld in artikel 5.01, tweede lid van het Binnenvaartpolitiereglement, met een snelheid van ongeveer 9,9 kilometer per uur.

De verdachte zal van het meer of anders telastegelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Kwalificatie

Het bewezene levert op het misdrijf:

1. Aan zijn schuld de vernieling van een gebouw te wijten zijn, terwijl daardoor levensgevaar voor anderen ontstaat.

en de overtredingen:

2. Handelen in strijd met een verplichting voortvloeiend uit artikel 16 van de Wet vaartijden en bemanningssterkte binnenvaart, viermaal gepleegd.

3. Handelen in strijd met een verplichting voortvloeiend uit artikel 16 van de Wet vaartijden en bemanningssterkte binnenvaart, tweemaal gepleegd.

4. Handelen in strijd met een verplichting voortvloeiend uit artikel 16 van de Wet vaartijden en bemanningssterkte binnenvaart, zevenmaal gepleegd.

5. Overtreding van een regel gesteld krachtens artikel 4 van de Scheepvaartverkeerswet.

Strafbaarheid verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

De rechtbank neemt bij de bepaling van de hierna te vermelden strafsoort en strafmaat in aanmerking:

- de aard en de ernst van de gepleegde feiten;

- de omstandigheden waaronder deze zijn begaan;

- de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken en deze naar voren komt uit het uittreksel uit het algemeen documentatieregister en het voorlichtingsrapport;

- de vordering van de officier van justitie;

- het pleidooi van de raadsvrouw.

De verdachte heeft als schipper van een groot motorvrachtschip (met een lengte van 105 m en een laadvermogen van ruim 2400 ton) een stranding veroorzaakt. Het schip is -midden in de nacht- uit zijn koers geraakt en is op een landtong, grenzend aan het doorgaande vaarwater, gevaren. Het schip is vervolgens in botsing gekomen met een op de landtong gebouwd zomerhuisje, waarin op dat moment vier personen aanwezig waren. Door louter toeval is niemand gewond geraakt of gedood. Het zomerhuisje is geheel verwoest. Ook een deel van de zomerdijk is vernield. Een ter plaatse afgemeerd zeiljacht is op een haar na gemist.

Verdachte heeft niet de oplettendheid en voorzichtigheid in acht genomen die van een (scheeps)verkeersdeelnemer mag worden verwacht. Juist het besturen van een dergelijk groot gevaarte op de Nederlandse binnenwateren vereist een continue, nimmer aflatende alertheid. Verder is komen vast te staan dat verdachte in de etmalen voorafgaande aan het ongeval de vereiste vaar- en stilligtijden niet in acht heeft genomen.

Verdachte lijkt tot op de dag van heden meer oog te hebben voor zijn eigen belangen dan voor die van de benadeelden. De rechtbank zal voorts rekening houden met het feit dat verdachte eerder met justitie in aanraking is geweest voor te snel varen.

Op grond van het vorenoverwogene acht de rechtbank, gelet op de ernst van het feit, te weten een vernieling van een gebouw waarbij levensgevaar voor anderen is ontstaan, de mate van schuld en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, een werkstraf van na te melden duur passend en geboden. De rechtbank zal de officier van justitie echter niet volgen in zijn eis een werkstraf van 200 uren op te leggen. De aard van het beroep van verdachte brengt met zich mee dat hij, naast zijn werkzaamheden als schipper, extra belast wordt door op een vaste plaats aan de wal een werkstraf te moeten verrichten. Enige matiging van de duur van het onvoorwaardelijk deel van de werkstraf is naar het oordeel van de rechtbank op zijn plaats. Omdat verdachte zich vrijwel dagelijks op de vaarwegen bevindt en -al dan niet daartoe gedreven door financiële motieven- kan komen tot nieuwe gevaarzettende situaties als een vaarsnelheidsovertreding, zal de rechtbank een deel van de werkstraf voorwaardelijk opleggen. Dit om hem nog eens extra te doordringen van de verantwoordelijkheid die hij als beroepsschipper heeft. Voor een voorwaardelijke gevangenisstraf ziet de rechtbank geen aanleiding.

Voor iedere bewezenverklaarde overtreding dient de rechtbank op grond van het bepaalde in artikel 62 van het Wetboek van Strafrecht, een afzonderlijke straf op te leggen. Nu het onder 2. bewezenverklaarde ziet op vier afzonderlijke overtredingen, het onder 3. bewezenverklaarde op twee afzonderlijke overtredingen, het onder 4. bewezenverklaarde op zeven afzonderlijke overtredingen en het onder 5. bewezenverklaarde op één overtreding, zal de rechtbank de door de officier van justitie geëiste bedragen verdelen over de feiten, met een afronding in het voordeel van verdachte.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c(ou), 22d, 23(oud), 24(oud), 24c(oud), 62 en 171 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 5, 16 en 17 van de Wet vaartijden en bemanningssterkte binnenvaart, de artikelen 10 en 27 van het Besluit vaartijden en bemanningssterkte binnenvaart, de artikelen 4 en 31 van de Scheepvaartverkeerswet, artikel 5.01 van het Binnenvaartpolitiereglement en artikel 7a van het Vaststellingsbesluit Binnenvaartpolitiereglement.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT, RECHTDOENDE:

Verklaart het onder 1., 2., 3., 4. en 5. telastegelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar in voege als voormeld en verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte ter zake het misdrijf tot:

Een werkstraf, bestaande uit het verrichten van 200 uren onbetaalde arbeid.

Bepaalt, dat van deze werkstraf een gedeelte, groot 100 uren, niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op twee jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde het onvoorwaardelijk opgelegde deel van de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 50 dagen zal worden toegepast.

Beveelt voorts dat, indien het mocht komen tot de tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk opgelegde deel van de werkstraf, vervangende hechtenis voor de duur van 50 dagen zal worden toegepast, indien de veroordeelde dat deel van de werkstraf niet naar behoren verricht.

Veroordeelt verdachte ter zake de overtredingen tot:

Feit 2.:

Viermaal betaling van een geldboete, elk ten bedrage van € 136,00 (zegge: honderdzesendertig euro), bij gebreke van betaling en van verhaal telkens te vervangen door 2 dagen hechtenis.

Feit 3.:

Tweemaal betaling van een geldboete, elk ten bedrage van € 250,00 (zegge: tweehonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en van verhaal telkens te vervangen door 5 dagen hechtenis.

Feit 4.:

Zevenmaal betaling van een geldboete, elk ten bedrage van €136,00 (zegge: honderdzesendertig euro), bij gebreke van betaling en van verhaal telkens te vervangen door 2 dagen hechtenis.

Feit 5.:

Betaling van een geldboete ten bedrage van € 140,00 (zegge: honderdveertig euro), bij gebreke van betaling en van verhaal te vervangen door 2 dagen hechtenis.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is telastegelegd dan het bewezenverklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.H.M. Dölle, voorzitter, mr. J.Y.B. Jansen en mr. M. Brinksma, rechters, bijgestaan door mr. B. Veelders, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 22 mei 2008.

De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.