Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2008:BD1726

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
07-05-2008
Datum publicatie
16-05-2008
Zaaknummer
AWB 07/673
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Boete vernietigd. Niet aannemelijk dat eiseres een onverantwoorde keuze heeft gemaakt voor haar adviseur. Evenmin aannemelijk dat eiseres onvoldoende zorg heeft betracht bij de samenwerking met haar adviseurs en de controle op de door hen uitgevoerde werkzaamheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2008/1212
FutD 2008-1089 met annotatie van Fiscaal up to Date
V-N 2008/43.9 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht, belastingkamer

procedurenummer: AWB 07/673

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 mei 2008 als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in het geding tussen

[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Noord/kantoor Groningen, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres over het tijdvak 1 januari 2001 tot en met 31 december 2004 een naheffingsaanslag (aanslagnummer [nummer]) omzetbelasting opgelegd, alsmede bij beschikking een boete van € 3.717,--.

Verweerder heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 16 februari 2007 de naheffingsaanslag en de boetebeschikking gehandhaafd.

Eiseres heeft daartegen bij brief van 12 maart 2007, ontvangen bij de rechtbank op 15 maart 2007, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 maart 2008 te Leeuwarden.

Eiseres is daar in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde J.H. Ensing. Namens verweerder is verschenen A.J. Post.

Motivering

Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

1.1 Eiser dreef in het de jaren 2001 tot en met 2004 een onderneming in de vorm van een eenmanszaak. De activiteiten bestonden uit het exploiteren van een winkel in woonaccessoires.

1.2 Eiseres verzorgde zelf de (in- en verkoop)administratie van haar onderneming. Sinds het jaar 2004 verzorgde Administratiekantoor J.H. Ensing B.V. in de persoon van J.H. Ensing de aangiften omzetbelasting. Voordien werden deze aangiften door een andere belastingadviseur verzorgd.

1.3 Verweerder heeft op 7 november 2006 een boekenonderzoek ingesteld naar de aanvaardbaarheid van de aangiften omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 2001 tot en met 30 juni 2006. Van dit onderzoek heeft hij op 8 november 2006 een rapport opgemaakt. In dit rapport staat vermeld dat de adviseur jaarlijks een herrekening maakt van de door eiseres verschuldigde omzetbelasting. Tijdens het onderzoek is verweerder evenwel gebleken dat de uit deze herrekening naar voren gekomen verschillen met de op aangifte voldane omzetbelasting niet zijn gesuppleerd. Deze verschillen bedroegen over periode 1 januari 2001 tot en met 31 december 2004 in totaal € 8.633,--. Verweerder heeft dit bedrag van eiseres nageheven.

1.4 Bij brief van 17 november 2006 heeft verweerder eiser op de hoogte gesteld van zijn voornemen om bij de naheffingsaanslag met toepassing van de in het Besluit van 18 december 2001, nr. DGB2001/1694 (het Besluit) vervatte richtlijnen voor wat betreft de correcties ten aanzien van de jaren 2001 en 2002 een vergrijpboete van 50% op te leggen en voor wat betreft de correctie ten aanzien van het jaar 2003 eiser te beboeten met een vergrijpboete van 25%.

1.5 Overeenkomstig zijn voornemen heeft verweerder voor de jaren 2001, 2002 en 2003 de aan eiser aangekondigde vergrijpboetes opgelegd. Daarnaast heeft verweerder voor wat betreft het jaar 2004 aan eiser eveneens een vergrijpboete opgelegd van 25%, zodat de bij de beschikking opgelegde boete in totaal € 3.717,-- bedraagt.

Geschil

2.1 In geschil is uitsluitend het antwoord op de vraag of verweerder eiseres terecht heeft beboet voor het niet (tijdig) betalen van de volledige omzetbelasting die op aangifte moest worden voldaan.

2.2 Eiseres heeft aangevoerd dat, nu zij zelf fiscale kennis ontbeerde, zij een belastingadviseur heeft ingeschakeld. Eiseres heeft gesteld deze door haar ingeschakelde adviseur haar er niet van in kennis heeft gesteld dat te weinig omzetbelasting was afgedragen. Zelf kon zij vanwege haar gebrek aan fiscale kennis uit de jaarstukken niet aflezen dat zij nog suppletie-aangiften had moeten indienen. Verder heeft eiseres zich op het standpunt gesteld dat verweerder de in het Besluit vervatte richtlijnen onjuist heeft toegepast.

2.3 Verweerder heeft zich primair op het standpunt gesteld dat het aan eiseres' (voorwaardelijk) opzet is te wijten dat zij de over de jaren 2001 tot en met 2004 nog verschuldigde omzetbelasting niet tijdig heeft gesuppleerd. Eiseres heeft kennelijk een onverantwoorde keuze gemaakt ten aanzien van de door haar ingeschakelde adviseur. Daarnaast ontslaat de omstandigheid dat eiseres de jaarstukken en aangiften door een adviseur liet verzorgen, haar niet van de zorgplicht om de jaarstukken en de aangiften te controleren, althans deze niet blindeloos te accepteren.

Beoordeling van het geschil

3.1 Indien het aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige is te wijten dat belasting welke op aangifte moet worden voldaan niet, gedeeltelijk niet, dan wel niet binnen de in de belastingwet gestelde termijn is betaald, vormt dit, ingevolge artikel 67f van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, een vergrijp ter zake waarvan de inspecteur hem een boete kan opleggen van ten hoogste 100 percent van het bedrag van de belasting dat niet of niet tijdig is betaald, voor zover dat bedrag als gevolg van de opzet of de grove schuld van de belastingplichtige niet of niet tijdig is betaald.

3.2 Uit de vaststaande feiten volgt dat eiseres de aangiften omzetbelasting voor het grootste (eerste) gedeelte van het onderhavige tijdvak heeft laten verzorgen door haar voormalige adviseur en voor een klein (het laatste) gedeelte door haar huidige adviseur. Deze adviseurs hebben - naar vaststaat - in de jaren 2001 tot en met 2004 te weinig omzetbelasting op aangifte voldaan, terwijl deze te weinig voldane omzetbelasting na de door de desbetreffende adviseur gemaakte herrekening niet is gesuppleerd. Verweerder heeft - naar de rechtbank hem begrijpt - ter zitting gesteld dat eiseres een onverantwoorde keuze heeft gemaakt voor wat betreft het inschakelen van haar voormalige adviseur. Deze adviseur is - naar verweerders gemachtigde ter zitting heeft gesteld - immers tekortgeschoten in de aan hem opgedragen werkzaamheden ten aanzien van het verzorgen van de aangiften omzetbelasting. Eiseres' onverantwoorde keuze voor deze adviseur rechtvaardigt volgens verweerder het vermoeden dat bij eiseres zelf (voorwaardelijk) opzet aanwezig is geweest. De rechtbank kan dit standpunt van verweerder niet volgen, nu gesteld noch aannemelijk is geworden dat eiseres van te voren kon inschatten dat deze adviseur te weinig omzetbelasting zou aangeven en dat hij - volgens verweerders veronderstelling - de jaarstukken niet met eiseres zou bespreken. Bovendien heeft verweerders gemachtigde ter zitting desgevraagd verklaard niet te weten wie eiseres' voormalige adviseur was. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder niet aannemelijk heeft gemaakt dat eiseres een onverantwoorde keuze heeft gemaakt voor de door haar ingeschakelde voormalige belastingadviseur.

3.3 Verweerder heeft ter zitting verder gesteld dat - naar de rechtbank hem begrijpt - eiseres onvoldoende zorg heeft betracht bij de samenwerking met haar adviseurs en de controle op de door hen uitgevoerde werkzaamheden. Verweerder heeft hiertoe aangevoerd dat een bespreking van de jaarrekeningen achterwege is gebleven en dat eiseres haar plicht heeft verzaakt om de jaarstukken en de aangiften te controleren. Zij zou deze volgens verweerder blindelings hebben ondertekend. Verweerder acht op grond van deze omstandigheden het vermoeden gerechtvaardigd dat bij eiseres (voorwaardelijk) opzet aanwezig was ten aanzien van de te weinig voldane omzetbelasting. De rechtbank verwerpt dit standpunt, omdat verweerder de door hem geschetste gang van zaken geenszins aannemelijk gemaakt. De rechtbank houdt het er derhalve voor dat tussen eiseres en haar adviseur(s) wel een bespreking van de jaarrekeningen heeft plaatsgevonden. Dat eiseres naar aanleiding van deze bespreking begreep of had moeten begrijpen dat zij nog omzetbelasting was verschuldigd, acht de rechtbank, gezien eiseres' gebrek aan fiscale kennis, niet aannemelijk. De rechtbank wijst verweerder er hierbij op dat eiseres als onderneemster niet over zodanige fiscale kennis behoefte te beschikken dat zij zelf alle consequenties voor de belastingheffing uit haar jaarstukken kon opmaken dan wel dat zij in staat was om dienaangaande relevante vragen te stellen aan haar adviseur. Zoals eiseres ter zitting heeft verklaard, heeft zij haar gebrek aan fiscale kennis juist getracht te ondervangen door het inschakelen van een belastingadviseur.

3.4 De rechtbank is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat verweerder niet aannemelijk heeft gemaakt dat het aan eiseres' (voorwaardelijk) opzet is te wijten dat de over de jaren 2001 tot en met 2004 verschuldigde omzetbelasting niet (tijdig) is voldaan. De rechtbank acht evenmin aannemelijk dat eiseres ter zake grove schuld kan worden verweten. Zoals hiervoor onder punt 3.2 is overwogen acht de rechtbank niet aannemelijk dat eiseres een onverantwoordelijke keuze heeft gemaakt ten aanzien van de door haar ingeschakelde adviseur en houdt de rechtbank het, zoals hiervoor onder punt 3.3 is overwogen, ervoor dat eiseres met haar adviseur de jaarrekeningen heeft besproken. Dat eiseres de hieruit voortvloeiende fiscale gevolgen niet overzag of kon overzien, wijst naar het oordeel van de rechtbank niet op grove onachtzaamheid, temeer niet nu eiseres haar gebrek aan fiscale kennis juist heeft getracht te ondervangen door het inschakelen van een belastingadviseur.

3.5 Nu niet aannemelijk is dat het aan opzet of grove schuld van eiseres is te wijten dat de over de jaren 2001 tot en met 2004 verschuldigde omzetbelasting niet (tijdig) is voldaan, bestaat er geen grond voor het opleggen van een vergrijpboete. De rechtbank zal de bestreden uitspraak alsmede de boetebeschikking derhalve vernietigen.

Proceskosten

De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 644,-- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322,-- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vernietigt de boetebeschikking;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 644,--, en wijst de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) aan dit bedrag aan eiseres te voldoen;

- gelast dat de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) het door eiseres betaalde griffierecht van € 143,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 7 mei 2008 door mr. dr. P. van der Wal, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M. Hiemstra, griffier.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum:

- hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 1704, 8901 CA Leeuwarden.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.