Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2008:BD0535

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
23-04-2008
Datum publicatie
25-04-2008
Zaaknummer
82367 / HA ZA 07-346
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Burenrecht. Strekking artikel 5:50 BW. Geschil omtrent dakramen in naastgelegen pand. Verjaring van vordering tot opheffing van de bestaande situatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 82367 / HA ZA 07-346

Vonnis van 23 april 2008

in de zaak van

1. [a],

wonende te Leeuwarden,

2. [b],

wonende te Leeuwarden,

eisers in conventie,

verweerders in reconventie,

procureur mr. W. Sleijfer,

tegen

[c],

wonende te Leeuwarden,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

procureur mr. R.H. Hulshof.

Partijen zullen hierna [a] en [c] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie

- de conclusie van antwoord in reconventie

- het proces-verbaal van comparitie van 3 december 2007.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Op 1 september 1998 is [c] eigenaar geworden van de onroerende zaak - aan de [adres], kadastraal bekend gemeente Leeuwarden sectie A nummer 2504.

2.2. Het pand aan de [adres] was tot 29 maart 2000 geheel in eigendom bij [d]. Vervolgens is het pand aan vijf kopers verkocht, aan ieder voor een onverdeeld één vijfde aandeel.

2.3. Op 21 augustus 2003 is [a] op 25 augustus 2003 eigenaar geworden van het appartementsrecht, plaatselijk bekend de [adres] te Leeuwarden. [b] (eiser sub 2) bewoont samen met [a] de woonruimte.

2.4. Het pand van [c] grenst aan het pand van [a].

2.5. Op 20 september 2007 is aan [c] een bouwvergunning voor het realiseren van kamerverhuur verleend. [a] heeft bezwaar gemaakt tegen deze vergunning. Zijn bezwaar is door het College van Burgemeester en Wethouders ongegrond verklaard. Bij uitspraak d.d. 3 september 2007 heeft de bestuursrechter in de rechtbank Leeuwarden het door [a] ingestelde beroep tegen het besluit op bezwaar ongegrond verklaard.

2.6. In het pand van [c] bevonden zich sinds ruim 50 jaren een drietal kleine dakramen. Deze dakramen bevonden zich binnen een afstand van twee meter tot de perceelsgrens. [c] heeft deze kleine dakramen eind 2002 / begin 2003 vervangen door drie grotere Velux-dakramen. Deze ramen zijn doorzichtig en kunnen geopend worden. Twee van deze ramen bieden in meer of mindere mate zicht op het dakterras van [a].

2.7. Het dakterras behorende bij de woonruimte van [a] aan de [adres] is begin 2003 door de rechtsvoorganger van [a] aangelegd.

2.8. [a] heeft [c] bij brief van 9 oktober 2006 verzocht en gesommeerd de betreffende dakramen binnen drie weken weg te nemen, dan wel te blinderen en het openen ervan onmogelijk te maken. [c] heeft geen gehoor gegeven aan deze sommatie.

2.9. [c] heeft [a] met tussenkomst van hun beider raadslieden op 11 mei 2007 gesommeerd om de onrechtmatige situatie in de vorm van het onrechtmatig aangebrachte dakterras binnen drie weken in te beëindigen. [a] heeft geen gehoor gegeven aan deze sommatie.

3. Het geschil

3.1. De vordering in conventie van [a] sterkt ertoe dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

[c] veroordeelt de dakramen in de panden [adres] aan de zijde van het pand van [a] van vaststaande en ondoorzichtige vensters te voorzien binnen tien dagen na betekening van dit vonnis op straffe van verbeurte van een dwangsom van

€ 5.000,- voor iedere dag dat [c] daarmee geheel of gedeeltelijk in gebreke blijft, en de buitengerechtelijke incassokosten ad € 904,- alsmede met veroordeling van gedaagde in de kosten van het geding.

3.2. [c] voert gemotiveerd verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan.

3.3. De vordering in reconventie van [c] strekt er samengevat toe dat de rechtbank bij vonnis:

[a] veroordeelt tot het beëindigen van de ongeoorloofde toestand door de verrichte (ver)bouwwerkzaamheden ten aanzien van het balkon / dakterras ongedaan te maken en te houden, binnen drie dagen na betekening van dit vonnis, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,- per kalenderdag, een deel van een dag daaronder begrepen, met een maximum van € 50.000,-, met veroordeling van [a] in de kosten van deze procedure te vermeerderen met wettelijke rente en nakosten.

4. Ontvankelijkheid [b]

4.1. [c] stelt zich op het standpunt dat [b] niet in haar vordering kan worden ontvangen omdat zij geen eigenaar is van het appartementsrecht, plaatselijk bekend [adres].

4.2. De rechtbank verwerpt dit standpunt omdat het burenrecht niet slechts het doel heeft de verhoudingen tussen de eigenaren van - zoals in dit geval - naast elkaar gelegen percelen te regelen maar ook de verhoudingen tussen personen die naast elkaar leven. Een van de rechten die ingevolge het burenrecht worden beschermd is het recht op privacy. [b] heeft in het onderhavige geval een belang, doordat zij medebewoonster is van het pand dat is gelegen aan de [adres] en haar privacy mede in het geding is. Derhalve kan [b] in haar vordering worden ontvangen.

5. Beoordeling in conventie

5.1. [a] stelt - zakelijk weergegeven - dat [c] ongeoorloofd de dakramen in zijn pand heeft vervangen door grotere ramen omdat deze binnen twee meter van de grenslijn van hun beider erven zijn geplaatst en uitzicht bieden op het dakterras van [a] en omdat hij, noch één van zijn rechtsvoorgangers daarvoor toestemming heeft gegeven. Hij heeft daarbij erkend dat [d], voormalig eigenaar van het pand [adres], toestemming heeft gegeven voor de vervanging van de dakramen door [c], maar [a] stelt zich op het standpunt dat deze toestemming geen werking heeft tegen rechtsopvolgers omdat deze niet is ingeschreven in de daartoe bestemde registers.

[a] erkent dat de dakramen al voordat hij zijn pand kocht waren vervangen, maar dat dit illegaal is gebeurd. Voorts stelt hij dat de vergunning voor het aanleggen van het dakterras reeds voor de plaatsing van de nieuwe ramen was afgegeven en dat het dakterras al gerealiseerd was voor hij zijn pand kocht.

[a] heeft niet betwist dat de oude dakramen al voor de Tweede Wereldoorlog in het pand van [c] zaten. Hij stelt dat slechts sprake van verjaring kan zijn ten aanzien van die oude dakramen.

[a] stelt tenslotte dat hij, ondanks een verhuizing naar Wyns, een belang bij zijn vordering heeft doordat zijn woning minder waard is geworden door de inkijk vanuit het pand van [c] op zijn dakterras.

5.2. [c] stelt dat geen sprake is van ongeoorloofde vervanging van de oude dakramen door grotere dakramen. Hij voert daartoe - zakelijk weergegeven - onder meer aan dat de dakramen reeds vervangen waren voordat het dakterras aan de zijde van [a] werd gerealiseerd.

Voorts stelt hij dat sprake is van verjaring doordat al voor de Tweede Wereldoorlog dakramen aan de zijde van het pand van [a] in zijn pand aanwezig waren.

[c] stelt bovendien dat [d], voormalig eigenaar van het pand Kelders 15, toestemming heeft gegeven voor vervanging van de dakramen in het pand van [c]. [c] brengt een verklaring van [d] in het geding, die zijn stelling bevestigt.

[c] heeft daarnaast aangevoerd dat [a] geen belang bij zijn vordering heeft omdat hij van plan is om te gaan verhuizen en al een woning in Wyns heeft gekocht. [c] stelt zich op het standpunt dat [a] derhalve misbruik van zijn bevoegdheid maakt door zich op artikel 5:50 BW te beroepen.

5.3. [a] doet een beroep op artikel 5:50 lid 1 BW, stellende dat sprake is van onrechtmatige vervanging van de dakramen. De rechtbank stelt voorop dat het doel en de strekking van artikel 5:50 BW de bescherming van de visuele privacy is. Met bescherming van de visuele privacy wordt bedoeld bescherming tegen het gevoel en de mogelijkheid om binnen de wettelijke grens van twee meter te worden bekeken of begluurd door de buren via een raam, venster, balkon of een soortgelijk werk. Een dakterras kan in dit opzicht als een soortgelijk werk in de zin van artikel 5:50 BW worden beschouwd.

5.4. [c] heeft gesteld dat de dakramen reeds waren vervangen voordat het dakterras in het naburige pand - dat thans van [a] is - werd aangelegd. Dit wordt door [a] betwist.

5.5. Uitgaande van de juistheid van de stelling van [c] geldt het volgende. Voordat sprake was van een dakterras in het pand van [a] was blijkens de inhoud van de in het geding gebrachte en niet betwiste producties sprake van een zolderverdieping en liep het dak door op de plaats waar nu een uitsparing in de vorm van een dakterras is aangelegd. De Velux-dakramen gaven op dat moment zicht op het dak van [a], dat op dat moment niet kennelijk bestemd was om als dakterras te worden gebruikt. Er was dan ook geen sprake van een inbreuk op de visuele privacy van de bewoners van dat pand. Dit betekent

- gelet op de inhoud en strekking van artikel 5:50 lid 1 BW - dat de dakramen van [c] niet ongeoorloofd zijn geplaatst.

5.6. [a] heeft ter comparitie aangevoerd dat de vergunning voor het dakterras al was afgegeven voordat de Velux-dakramen waren geplaatst. Of dit juist is kan in het midden blijven omdat er naar het oordeel van de rechtbank sprake is van verjaring van de vordering tot opheffing van de situatie met de Velux-dakramen.

Uit de gedingstukken is genoegzaam komen vast te staan dat al sinds veel langer dan 20 jaren in het dak van [c] dakramen aanwezig waren op geheel of bijna dezelfde plaatsen als de Velux-dakramen. Gebleken is bovendien dat de oude dakramen al meer dan 20 jaren niet vaststaand en doorzichtig waren; [a] heeft het tegendeel althans onvoldoende aannemelijk gemaakt of onvoldoende concreet gesteld. Daardoor is de rechtsvordering van [a] tot opheffing verjaard. Bovendien is sprake van door verkrijgende verjaring ontstane erfdienstbaarheden tot het hebben of dulden van de ramen al dan niet vaststaand met doorzichtige ruiten. Deze verjaring betekent dat de vordering van [a] moet worden afgewezen.

5.7. Het gegeven dat de Velux-dakramen verschillen van de oude ramen maakt dit niet anders. Daartoe is het volgende redengevend. De panden van [a] en [c] zijn gesitueerd in de binnenstad. Anders dan in buitenstedelijk gebied hebben buren daar binnen de grenzen van het betamelijke het een en ander van elkaars nabijheid te verdragen. Dat [c] zijn pand een andere bestemming in de vorm van appartementen dan wel kamerverhuur heeft gegeven en kennelijk voor dit doel de oude ramen zijn vervangen door de Velux-dakramen, is een recht dat hij heeft. Immers, de oude dakramen waren zodanig gedateerd dat deze hoe dan ook op enig moment toe waren aan vernieuwing, waarbij het naar het oordeel van de rechtbank redelijk is dat daarbij een verbetering wordt nagestreefd van de leefomstandigheden met het oog op de kamerverhuur in het pand van [c]. Nu herstel van de ramen naar de oude situatie er bovendien niet toe zou leiden dat in het geheel geen sprake meer zou zijn van een inbreuk op de visuele privacy - zicht was er immers ook in die situatie -, zou een dergelijke vordering ook op grond van misbruik van recht of bevoegdheid kunnen worden afgewezen.

Ten overvloede overweegt de rechtbank dat artikel 5:50 BW niet strekt tot bescherming van de auditieve privacy, zodat hetgeen [a] daaromtrent heeft aangevoerd niet tot een ander oordeel leidt.

5.8. Conclusie is dat de dakramen door [c] niet ongeoorloofd geplaatst zijn, ongeacht of zij na verlening van de bouwvergunning of na de aanleg van het dakterras zijn geplaatst. [a] komt derhalve geen beroep op artikel 5:50 BW toe zodat zijn vordering in conventie dient te worden afgewezen.

5.9. Met afwijzing van de vordering in conventie dient [a] te worden veroordeeld in de bijbehorende proceskosten, deze worden vastgesteld op:

- griffierecht: € 251,-

- salaris procureur: € 904,- ( 2 x € 452,-)

€ 1.155,-

5.10. [a] heeft verzocht [c] in te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten ten bedrage van € 904,-. [c] heeft deze vordering voldoende gemotiveerd betwist. [a] heeft hierop niet gereageerd. Nu bovendien niet vast is komen te staan dat het om kosten gaat die betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een enkele aanmaning, het enkel doen van een schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier dient de vordering ook op die grond te worden afgewezen.

6. De beoordeling in reconventie

6.1. [c] stelt in reconventie - zakelijk weergegeven - dat het dakterras van [a] zonder de daartoe noodzakelijke toestemming van de zijde van [c] is aangebracht, zodat het onrechtmatig is aangebracht.

6.2. De rechtbank begrijpt dat deze vordering in reconventie is ingesteld in het licht van de vordering van conventie en met als doel dat de dakramen in de huidige staat in stand kunnen blijven. Teneinde dat te bereiken vordert [c] herstel van het dakterras in de oude situatie, zodat geen sprake kan zijn van een inbreuk op de visuele privacy van [a].

6.3. Gelet op het feit dat de vordering in conventie is afgewezen kan [c] zijn dakramen in stand houden en heeft hij naar het oordeel van de rechtbank geen belang meer bij het instellen van de vordering in reconventie.

6.4. Op grond van het vorenoverwogene zal de vordering in reconventie worden afgewezen. [c] zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de proceskosten voor zover deze zien op de reconventie. Omdat het verweer in reconventie voortvloeit uit de vordering in conventie wordt het tarief voor het salaris van de procureur gehalveerd. De kosten aan de zijde van [a] worden vastgesteld op:

- griffierecht: € 251,-

- salaris procureur: € 452,- ( 2 x factor 0,5 x € 452,-)

€ 703,-

6.5. De vordering van [c] om [a] te veroordelen in de nakosten is niet toewijsbaar. Uit artikel 273 lid 4 Rv volgt dat nakosten slechts kunnen worden toegewezen in een bevelschrift, afgegeven door de rechter die de proceskostenveroordeling heeft uitgesproken. Artikel 273 lid 4 Rv biedt geen toereikende grondslag voor het bij voorbaat toewijzen van kosten die eerst na de uitspraak (mogelijk) ontstaan. De bepaling heeft immers betrekking op "na de uitspraak ontstane kosten". Bovendien staat het slot van deze bepaling, waarin het instellen van een gewoon rechtsmiddel tegen een beslissing omtrent de nakosten wordt uitgesloten, in de weg aan toewijzing van nakosten in de uitspraak zelf. Wanneer over de nakosten in de uitspraak zelf wordt beslist, is met die uitspraak ook de beslissing over de nakosten, tegen de in artikel 237 lid 4 Rv neergelegde bedoeling van de wetgever in, aan een hogere voorziening onderworpen (Gerechtshof Leeuwarden, 30 januari 2008, LJN BC3424).

7. De beslissing

De rechtbank:

in conventie:

wijst de vordering af;

veroordeelt [a] in de proceskosten, aan de zijde van [c] tot op heden begroot op € 1.155,00.

in reconventie:

wijst de vordering af;

veroordeelt [c] in de proceskosten, aan de zijde van [a] tot op heden begroot op

€ 703,00 .

Dit vonnis is gewezen door Th.G. Lautenbach en in het openbaar uitgesproken op 23 april 2008.?