Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2008:BC8452

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
13-03-2008
Datum publicatie
03-04-2008
Zaaknummer
AWB 08/348
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Toepassing ARAR. Plichtsverzuim. Opgelegde sanctie. Evenredigheidsbeginsel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

Procedurenummer: AWB 08/348

uitspraak van 13 maart 2008 van de voorzieningenrechter op grond van artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

inzake het geding tussen

[naam],

wonende te [woonplaats],

verzoeker,

gemachtigde: mr. D.A.A.M. Mijland, werkzaam bij Stichting Achmea Rechtsbijstand te Tilburg,

en

de Staatssecretaris van Financiën,

verweerder,

gemachtigde: mr. H. van Geffen.

Procesverloop

Bij brief van 22 januari 2008 heeft verweerder verzoeker mededeling gedaan van een besluit met betrekking tot de toepassing van Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR).

Verzoeker heeft tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend. Tevens heeft verzoeker zich bij brief van 14 februari 2008 tot de voorzieningenrechter gewend met het verzoek om op grond van art. 8:81 lid 1 Awb een voorlopige voorziening te treffen.

Het verzoek is ter zitting behandeld op 10 maart 2008. Verzoeker is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Namens verweerder is bovengenoemde gemachtigde verschenen, vergezeld van drs. J. de Vries en H. Siemens.

Motivering

Op grond van art. 8:81 lid 1 Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het verzoek overweegt de voorzieningenrechter dat niet is gebleken van beletselen om verzoeker te kunnen ontvangen. Voorts is genoegzaam aangetoond dat verzoeker een spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorlopige voorziening.

Voor zover de beoordeling van het verzoek met zich brengt dat het geschil in de hoofdzaak wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter daaromtrent een voorlopig karakter.

Aan een verzoek als het onderhavige kan in beginsel worden voldaan, indien het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter in de hoofdzaak luidt dat het bezwaar tegen het aangevallen besluit gegrond verklaard zal moeten worden.

De voorzieningenrechter baseert zich bij zijn oordeelsvorming op onderstaande feiten en omstandigheden.

Verzoeker is werkzaam bij de Belastingdienst/Noord. Een deel van zijn werkzaamheden binnen de Groepsfuntie F bestaat uit de afhandeling van klachten. Naar aanleiding van een klacht van de Nationale Ombudsman inzake de duur van de behandeling van een door een belanghebbende ingediende klacht heeft verweerder een feitenonderzoek ingesteld, waarbij is aangegeven dat het vermoeden bestaat dat verzoeker zich schuldig heeft gemaakt aan een plichtsverzuim. In het kader van het feitenonderzoek heeft op 6 augustus 2007 een gesprek met verzoeker plaatsgevonden en is op 13 augustus 2007 een onderzoek naar eisers computerbestanden verricht. Vervolgens heeft verweerder verzoeker bij brief van 6 september 2007 geconfronteerd met het feit dat in het geval van een 28-tal klachten de door verzoeker opgegeven data van afhandeling afwijken van de feitelijke data van afhandeling.

Naar aanleiding van de bevindingen van het onderzoek heeft verweerder op 22 oktober 2007 een tenlastelegging aan verzoeker doen toekomen met het vermoeden dat verzoeker zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim.

Nadat verzoeker op 25 oktober 2007 te kennen heeft gegeven geen gebruik te maken van de geboden gelegenheid om zijn verantwoording mondeling toe te lichten, heeft verweerder bij brief van 27 november 2007 het voornemen tot disciplinaire bestraffing kenbaar gemaakt. Verweerder heeft het geven van een onjuiste voorstelling van zaken richting belastingplichtigen, het management en de Nationale Ombudsman als een ernstig plichtsverzuim gekwalificeerd. Passend aan de ernst van het plichtsverzuim is naar de mening van verweerder een verplaatsing naar de regio Randmeren, kantoor Zwolle en het vaststellen van de bezoldiging van verzoeker op salarisschaal/lijn F, trede 15 voor de periode van twee jaar.

Na ontvangst van de door verzoeker op 7 december 2007 ingediende zienswijze heeft verweerder bij besluit van 22 januari 2008 aan verzoeker meegedeeld dat hij zich aan ernstig plichtsverzuim schuldig heeft gemaakt. Voorts heeft verweerder besloten de straf zoals omschreven in het voornemen te effectueren met ingang van de tweede dag na dagtekening van dit besluit. De tenuitvoerlegging van de verplaatsing wordt vastgesteld op 6 februari 2008.

De voorzieningenrechter overweegt het volgende.

Naar vaste jurisprudentie dient de bestuursrechter die moet beslissen over een besluit tot het opleggen van een disciplinaire straf, vast te stellen of de betrokken ambtenaar zich schuldig heeft gemaakt aan het plichtsverzuim ter zake waarvan het bestuursorgaan hem de straf heeft opgelegd. De overtuiging dat sprake is van plichtsverzuim zal de rechter moeten ontlenen aan deugdelijk vastgestelde gegevens die aan het bestuursorgaan ter beschikking hebben gestaan bij het nemen van het betrokken besluit. Meer in het bijzonder dient de rechter te beoordelen of het bestuursorgaan bij het bepalen van de sanctie is gebleven binnen de grenzen van het evenredigheidsbeginsel.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim. In dat kader is de voorzieningenrechter van oordeel dat genoegzaam gebleken is dat eiser het vertrouwen van het Managementteam heeft geschonden door onjuiste dan wel onvolledige informatie over zijn werkzaamheden in het kader van de klachtenafhandeling te verstrekken aan het Managementteam, de Nationale Ombudsman en een klager. Daartoe wordt het volgende overwogen.

Met betrekking tot de afhandeling van de eerder genoemde klacht is gebleken dat verzoeker niet heeft gereageerd op een brief van de Nationale ombudsman van 16 februari 2007. Vervolgens heeft verzoeker naar zijn zeggen op 12 juni 2007, 10 en 22 juli 2007 en op 27 juli 2007 de afhandelingsbrief getypt en verzonden aan de Nationale ombudsman. Evenals verweerder is de voorzieningenrechter van oordeel dat het niet geloofwaardig is dat verzoeker tot viermaal toe dezelfde brief zou hebben getypt en dat deze tot driemaal toe zou zijn verzonden, maar niet zou zijn ontvangen door de Nationale Ombudsman. Gelet hierop acht de voorzieningenrechter het dan ook begrijpelijk dat verweerder heeft geconstateerd dat verzoeker kennelijk heeft getracht het Managementteam, de Nationale Ombudsman en de klager met betrekking tot de afhandeling van deze specifieke klacht te misleiden.

Vervolgens heeft verweerder onderzoek gedaan naar de afhandeling van een 28-tal klachten door verzoeker. Zoals ter zitting is vastgesteld is verzoeker vanaf januari 2007 meerdere malen via de mail geattendeerd op het uitblijven van de afhandeling van een aantal klachten. Niet is gebleken dat verzoeker het Managementteam heeft geïnformeerd over de voortgang van de klachten. Integendeel, verzoeker lijkt in het geheel niet te hebben gereageerd op de mailberichten. In juni 2007 heeft verzoeker uiteindelijk een Excel-bestand naar de coördinator in Groningen gezonden met daarin data met betrekking tot de afhandeling van de genoemde 28 klachten. In het overzicht is per klacht een datum van afhandeling opgenomen. Uit onderzoek is verweerder gebleken dat de in het overzicht opgenomen data niet overeenkomen met de feitelijke data van afhandeling. De verklaring van verzoeker dat hij in het overzicht een geplande datum van afhandeling heeft opgenomen en er niet bij stil heeft gestaan dit te (ver-) melden, komt de voorzieningenrechter niet aannemelijk voor. Gelet op de (herhaalde) verzoeken om informatie vanuit het Managementteam met betrekking tot de stand van zaken en afhandeling van klachten wist dan wel kon verzoeker weten dat groot belang werd gesteld in correcte en volledige informatie hieromtrent. Dat verzoeker in dit kader desondanks onjuiste en onvolledige informatie heeft verstrekt acht de voorzieningenrechter dan ook laakbaar.

Het vorenoverwogene leidt tot het voorlopig oordeel dat verzoeker zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim. Niet is gebleken dat dit plichtsverzuim niet aan verzoeker zou zijn toe te rekenen. Verweerder was derhalve bevoegd tot het opleggen van een disciplinaire straf.

Verweerder heeft verzoeker wegens ernstig plichtsverzuim de straf van de verplaatsing naar de regio Randmeren, kantoor Zwolle en de vaststelling van de bezoldiging op salarisschaal/-lijn F voor de periode van 2 jaar opgelegd.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen omtrent de aan verzoeker verweten gedragingen is de voorzieningenrechter van oordeel dat weliswaar is gebleken van plichtsverzuim van verzoeker, maar de gedragingen niet van zodanige ernst zijn dat gezegd kan worden dat de opgelegde straf hieraan evenredig kan worden geacht. Met betrekking tot de verplaatsing acht de voorzieningenrechter van belang dat in artikel 1.4.10 van het Reglement Personeelsvoorschriften Belastingdienst is bepaald dat hiertoe wordt overgegaan indien een ambtenaar niet te handhaven is in zijn functie. Het is de voorzieningenrechter niet gebleken dat van een dergelijke situatie sprake is. Voorts heeft de voorzieningenrechter in ogenschouw genomen dat uit de gedingstukken niet valt op te maken dat verzoeker zich eerder schuldig heeft gemaakt aan verwijtbaar gedrag. Ook acht de voorzieningenrechter van belang dat ter zitting is bevestigd dat verzoeker, met uitzondering van de onderhavige klachtenafhandeling, gedurende een dienstverband van 40 jaar goed heeft gefunctioneerd alsmede dat hij in de functie die hij voor 50% naast de klachtenafhandeling vervulde naar tevredenheid functioneerde. De voorzieningenrechter komt dan ook tot het voorlopig oordeel dat verweerder met een minder zware bestraffing had dienen te volstaan.

De voorzieningenrechter komt gelet op het voorgaande tot het voorlopig oordeel dat het bestreden besluit niet in stand zal kunnen blijven. Dat besluit zal daarom worden geschorst.

Gelet op het bepaalde in art. 8:82 lid 4 Awb dient de Staat der Nederlanden het door verzoeker betaalde griffierecht van € 145,00 te vergoeden. Op grond van art. 8:75 juncto 8:84 lid 4 Awb veroordeelt de voorzieningenrechter verweerder in de proceskosten. Overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht bedragen de proceskosten van verzoeker € 644,00 ter zake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (verzoekschrift 1 punt; verschijnen ter zitting 1 punt; gewicht van de zaak: gemiddeld; waarde per punt € 322,00). De voorzieningenrechter wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die deze kosten aan verzoeker moet vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe en schorst het bestreden besluit tot twee weken nadat de beslissing op het bezwaarschrift op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt, met dien verstande dat, wanneer binnen die termijn opnieuw een verzoek om een voorlopige voorziening is ingediend, de schorsing doorloopt totdat de voorzieningenrechter op dat verzoek heeft beslist;

- bepaalt dat de Staat der Nederlanden het door verzoeker betaalde griffierecht van € 145,00 aan verzoeker vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker van € 644,00 aan verzoeker te vergoeden door de Staat der Nederlanden.

Aldus gegeven door mr. E.M. Visser, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 13 maart 2008, in tegenwoordigheid van mr. E. Nolles als griffier.

w.g. E. Nolles

w.g. E.M. Visser

Tegen deze uitspraak kan geen rechtsmiddel worden aangewend.