Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2008:BC7280

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
17-03-2008
Datum publicatie
20-03-2008
Zaaknummer
AWB 08/364
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Noodbevel op grond van art. 175 van de Gemeentewet. Vrees voor levensbedreigend ongeval en/of levensbedreigende situatie. Proportionaliteitsbeginsel. Andere maatregelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

Procedurenummer: AWB 08/364

uitspraak van 17 maart 2007 van de voorzieningenrechter op grond van artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

inzake het geding tussen

[naam],

wonende te [woonplaats],

verzoeker,

gemachtigde: mr. H. van Marrum, advocaat te Leeuwarden,

en

de burgemeester van de gemeente Ferwerderadiel,

verweerder,

gemachtigden: B.T. Jager en L.P. Woudstra, beiden werkzaam bij de gemeente Ferwerderadiel.

Procesverloop

Bij besluit van 11 februari 2008 -voor zover hier van belang- heeft verweerder verboden de woning en de garage op het perceel Noordermiedweg 8 te Hallum vanaf 11 februari 2008 om 09.30 uur te betreden of zich daarin te bevinden zonder voorafgaande toestemming van verweerder, hierna: het noodbevel.

Tegen dit noodbevel heeft verzoeker bezwaar gemaakt. Tevens heeft hij zich bij brief van 20 februari 2008 tot de voorzieningenrechter gewend met het verzoek om op grond van art. 8:81 lid 1 Awb een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende dat het noodbevel wordt geschorst.

Het verzoek is ter zitting behandeld op 14 maart 2008. Verzoeker is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Motivering

Op grond van art. 8:81 lid 1 Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Met betrekking tot de ontvankelijkheid van het verzoek overweegt de voorzieningenrechter dat, anders dan verweerder kennelijk meent, niet is gebleken van beletselen om verzoeker te kunnen ontvangen. Verzoeker heeft zich met zijn brief van 20 februari 2008 immers niet alleen gewend tot de voorzieningenrechter met het verzoek een voorlopige voorziening te treffen, maar hij heeft met deze brief tevens beoogd bezwaar te maken tegen het noodbevel, zodat is voldaan aan de connexiteitseis als omschreven in art. 8:81 lid 1 Awb. Dat dit bezwaarschrift kennelijk is gericht aan een individuele wethouder van verweerders gemeente en niet aan verweerder zelf, doet hier niet aan af.

Voorts is naar het oordeel van de voorzieningenrechter genoegzaam aangetoond dat verzoeker een spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorlopige voorziening. Vanwege het noodbevel, waardoor ook verzoeker de woning niet mag betreden, kan hij thans niet beschikken over zijn bezittingen die, naar verzoeker onweersproken heeft gesteld, zich bevinden in de woning. In zoverre heeft verzoeker derhalve een rechtstreeks en spoedeisend belang bij de gevraagde voorziening.

Voor zover de inhoudelijke beoordeling van het verzoek met zich brengt dat het geschil in de hoofdzaak wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter daaromtrent een voorlopig karakter.

Aan een verzoek als het onderhavige kan in beginsel worden voldaan, indien het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter in de hoofdzaak luidt dat het bezwaar tegen het noodbevel gegrond verklaard zal moeten worden.

De voorzieningenrechter baseert zich bij zijn oordeelsvorming op onderstaande feiten en omstandigheden.

Het perceel, dat circa 1,3 kilometer buiten de bebouwde kom van Hallum ligt, en de daarop opgerichte woning en garage behoren in eigendom toe aan [X] (hierna: [X]), wonende te Hurdegaryp. Omstreeks augustus 2004 heeft verzoeker zijn intrek genomen in de woning. In november 2007 heeft verzoeker de woning verlaten. Ter zitting is duidelijk geworden dat hij vervolgens op Ameland is gaan wonen en dat hij na komende paasdagen wenst terug te keren naar de woning. [X] is voornemens de woning en de garage te slopen. Hiervoor is inmiddels een sloopvergunning verleend.

Verweerder is van mening dat het betreden van de woning vanwege de bouwkundige staat en de onhygiënische toestand hiervan grote veiligheids- en gezondheidsrisico's oplevert en dat ernstige vrees voor een levensbedreigend ongeval en/of een levensbedreigende situatie bestaat. Daarnaast is verweerder van mening dat hem niets anders rest dan het uitvaardigen van het thans bestreden noodbevel, omdat de gewone maatregelen voor het beperken van vooromschreven risico's en gevaren ontoereikend zijn.

Verzoeker erkent dat de woning wellicht niet in optimale staat verkeert, maar dit rechtvaardigt volgens hem niet het uitvaardigen van een noodbevel. In dit verband wijst hij er op dat er zich gedurende de periode dat hij in de woning verblijft geen gevaarlijke situaties hebben voorgedaan. Daarnaast is verzoeker van mening dat verweerder minder verregaande maatregelen had kunnen treffen om de -in de visie van verweerder- ongewenste situatie het hoofd te bieden. Zo had verweerder bijvoorbeeld, ter verbetering van de hygiënische toestand in en rondom de woning, vuilnisbakken kunnen verstrekken. Tenslotte is verzoeker van mening dat verweerder met het uitvaardigen van het noodbevel voorbij is gegaan is aan zijn belang, het hebben van onderdak.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

Ingevolge art. 175 lid 1 van de Gemeentewet -voor zover hier van belang- is de burgemeester in geval van ernstige vrees voor het ontstaan van zware ongevallen bevoegd alle bevelen te geven die hij ter handhaving van de openbare orde of ter beperking van gevaar nodig acht. Daarbij kan van andere dan bij de Grondwet gestelde voorschriften worden afgeweken.

Uit de wetsgeschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling blijkt dat de burgemeester slechts in extreme omstandigheden, alleen bij uiterste noodzaak, gebruik mag maken van zijn bevoegdheid om noodbevelen te geven en dat deze bepaling hem geen vrijbrief verschaft om vrijelijk van deze verregaande bevoegdheid gebruik te maken. Uit de parlementaire geschiedenis kan voorts worden afgeleid dat de burgemeester bij het geven van bevelen altijd het beginsel van proportionaliteit in acht moet nemen (Tweede Kamer, vergaderjaar 1985-1986, 19 403, nr. 3, pagina's 149-150). Dit betekent dat voor het geven van een noodbevel geen plaats is indien er andere, minder verregaande, maatregelen getroffen kunnen worden.

Anders dan verweerder meent, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen sprake van zodanige extreme omstandigheden dat verweerder niet anders kon dan besluiten tot het uitvaardigen van een noodbevel.

Zo blijkt uit de aan het noodbevel ten grondslag gelegde stukken, waarvan met name de rapportage van 20 december 2007 van sociaal verpleegkundige C. de Roo, werkzaam bij de GGD Fryslân, het proces-verbaal van bevindingen van 21 december 2007 van politieagenten R. Klaver en D.Y. Henstra en het proces-verbaal van 21 december 2007 van S. Bouwman, dat de woning in slechte staat van onderhoud is en in bouwkundig opzicht allerlei gebreken vertoond. Voorts blijkt uit de stukken dat in en rondom de woning sprake is van een onhygiënische situatie: er liggen overal etensresten, lege drankflessen, etc. Bovendien is sprake van ernstige stankoverlast en overlast van ongedierte. Daarmee is evenwel -anders dan verweerder kennelijk verondersteld- nog niet gezegd dat sprake is van (ernstige vrees voor) een levensbedreigend ongeval en/of een levensbedreigende situatie. Voor een dergelijke vergaande constatering is in de stukken onvoldoende steun te vinden.

Daar komt bij dat verweerder, gelet op vooromschreven proportionaliteitsbeginsel, ook andere maatregelen had kunnen treffen ter voorkoming van eventuele ongevallen als gevolg van de bouwkundige staat van de woning en de onhygiënische situatie in en rondom de woning. Zo had verweerder [X] kunnen opdragen zodanige maatregelen te treffen dat voorkomen wordt dat anderen, zoals verzoeker, zich toegang verschaffen tot het perceel en tot de daarop opgerichte woning en garage. Ook had verweerder kunnen besluiten om de gemeentelijke reinigingsdienst(en) op te dragen de op het perceel en in de woning aanwezige afvalresten, al dan niet in samenspraak met [X], op te ruimen.

Ter zitting is namens verweerder nog aangegeven dat het noodbevel ook beoogt te voorkomen dat door een ander een huisrecht wordt gevestigd in de woning. Daargelaten dat de voorzieningenrechter zich niet aan de indruk kan onttrekken dat verweerder op dit punt eigenlijk alleen het oog heeft op verzoeker, is, gelet op de redactie van art. 175 lid 1 van de Gemeentewet en de wetsgeschiedenis van deze bepaling, het uitvaardigen van een noodbevel niet bedoeld om de vestiging van een huisrecht te voorkomen. Hiervoor kunnen andere wegen worden bewandeld, zoals het opstarten van een ontruimingsprocedure, waarop verzoekers gemachtigde ter zitting terecht heeft gewezen.

Resumerend is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder ten onrechte een noodbevel heeft uitgevaardigd. Dit betekent dat niet gezegd kan worden dat zich een situatie voordoet die alleen maar met het geven van een noodbevel, bij uiterste noodzaak, het hoofd geboden kon worden. De vraag of en zo ja, op welke wijze, verweerder bij de gebruikmaking van zijn noodbevelgevende bevoegdheid gehouden was rekening te houden met verzoekers belang behoeft daarom geen bespreking meer.

Nu verzoekers bezwaar tegen het noodbevel naar het oordeel van de voorzieningenrechter naar alle waarschijnlijk gegrond verklaard zal worden, bestaat aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Het noodbevel zal worden geschorst tot twee weken nadat de beslissing op bezwaar op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt, met dien verstande dat wanneer binnen die termijn opnieuw een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening is ingediend, de schorsing doorloopt totdat de voorzieningenrechter op dat verzoek heeft beslist.

Gelet op het vorenstaande en op het bepaalde in art. 8:74 lid 1 en art. 8:82 lid 4 Awb dient de gemeente Ferwerderadiel het door verzoeker gestorte griffierecht van € 145 te vergoeden.

Op grond van art. 8:75 juncto art. 8:84 lid 4 Awb veroordeelt de voorzieningenrechter verweerder in de proceskosten. Overeenkomstig het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht bedragen de proceskosten van verzoekster € 644 ter zake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (verzoekschrift 1 punt; verschijnen ter zitting 1 punt; gewicht van de zaak: gemiddeld; waarde per punt € 322). De voorzieningenrechter wijst de gemeente Ferwerderadiel aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;

- schorst het noodbevel tot twee weken nadat de beslissing op bezwaar op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt, met dien verstande dat wanneer binnen die termijn opnieuw een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening is ingediend, de schorsing doorloopt totdat de voorzieningenrechter op dat verzoek heeft beslist;

- bepaalt dat de gemeente Ferwerderadiel het betaalde griffierecht van € 145 aan verzoeker vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker ten bedrage van € 644, aan verzoeker te vergoeden door de gemeente Ferwerderadiel.

Aldus gegeven door mr. C.H. de Groot, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2008, in tegenwoordigheid van mr. J.R. Leegsma als griffier.

w.g. J.R. Leegsma

w.g. C.H. de Groot

Tegen deze uitspraak kan geen rechtsmiddel worden aangewend.