Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2008:BC6347

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
10-03-2008
Datum publicatie
12-03-2008
Zaaknummer
AWB 07/3010 & 07/3011
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Uitdiepen kanaal; bezwaarmakers ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard in kwestie ontheffing op grond van de Flora- en faunawet.

Wetsverwijzingen
Flora- en faunawet
Flora- en faunawet 75
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 1:2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JM 2008/52 met annotatie van Boerema

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

Procedurenummers: AWB 07/3010 & 07/3011

uitspraak van 10 maart 2008 van de voorzieningenrechter op grond van artikel 8:84 en 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

inzake het geding tussen

[verzoekers],

wonende te De Veenhoop,

verzoekers,

gemachtigde: mr. R.C.M. Kamsma, advocaat te Leeuwarden,

en

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,

verweerder,

gemachtigde: mr. E.T. Stevens, werkzaam bij de Dienst Regelingen, afdeling Recht en Rechtsbescherming te 's-Gravenhage.

Procesverloop

Bij besluit van 20 september 2007 is namens verweerder een ontheffing als bedoeld in artikel 75 van de Flora- en faunawet verleend aan de Gemeente Opsterland (hierna: de gemeente).

Verzoekers hebben tegen deze ontheffing op 3 oktober 2007 bezwaar gemaakt en aan de voorzieningenrechter van de rechtbank gevraagd een voorlopige voorziening te treffen.

Bij uitspraak van 17 oktober 2007 (zaken met registratienummers 07/2436 en 07/2437) heeft de voorzieningenrechter de bestreden ontheffing geschorst tot twee weken nadat de beslissing op bezwaar op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt met dien verstande dat wanneer binnen die termijn een nieuw verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening is ingediend de schorsing doorloopt totdat op dat verzoek is beslist.

Bij brief van 20 november 2007 heeft verweerder verzoekers mededeling gedaan van zijn besluit op bezwaar, waarbij het bezwaar van verzoekers kennelijk niet-ontvankelijk is verklaard, omdat verzoekers niet zijn aan te merken als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb.

Verzoekers hebben tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. Het beroep is bekend onder registratienummer 07/3011.

Tevens hebben verzoekers zich bij brief van 3 december 2007 tot de voorzieningenrechter gewend met het verzoek om op grond van art. 8:81 lid 1 Awb een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek is geregistreerd onder nummer 07/3010.

Het verzoek is ter zitting behandeld op 18 februari 2008. Verzoekers zijn in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Kamsma. Namens verweerder is bovengenoemde gemachtigde verschenen.

De gemeente Opsterland (hierna: de gemeente) is ter zitting vertegenwoordigd door mr. G.P. Wempe, advocaat te Drachten. Tevens zijn namens de gemeente verschenen de heren Talma en Mol. Namens de provincie Fryslân (de provincie) is ter zitting door mr. J.V. van Ophem, advocaat te Leeuwarden, het woord gevoerd.

Motivering

Op grond van art. 8:81 lid 1 Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Een spoedeisend belang aan de zijde van verzoekers bij het treffen van een voorlopige voorziening kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter bezwaarlijk worden aangenomen. Tegen de bestreden ontheffing is immers niet alleen door verzoekers bezwaar gemaakt, maar ook door de Vereniging Fryske Feriening foar Fjildbiologie (FFF). Een beslissing op het bezwaar van de FFF wordt op korte termijn niet verwacht. De schorsing van de bestreden ontheffing zal dus nog enige tijd doorlopen.

De voorzieningenrechter ziet in dit geval desondanks aanleiding om gebruik te maken van zijn bevoegdheid om op grond van art. 8:86 lid 1 Awb onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak. De gemeente heeft het belang bij een spoedige uitspraak over de belanghebbendheid van verzoekers voldoende benadrukt en ook de overige partijen achten kortsluiting gezien de omvang en inzet van het geding (ontvankelijk of niet) opportuun. De voorzieningenrechter is voorts van oordeel dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. De voorzieningenrechter zal daarom onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

De voorzieningenrechter baseert zich bij zijn oordeelsvorming op onderstaande feiten en omstandigheden.

Op 9 maart 2007 heeft de gemeente Opsterland een ontheffing aangevraagd als bedoeld in artikel 75 van de Flora- en faunawet. De aanvraag heeft betrekking op het project Friese Merenproject Traject M "Polderhoofdkanaal", kortweg het project Polderhoofdkanaal.

Het Polderhoofdkanaal is een kanaal van 7,5 kilometer lang, dat loopt van De Veenhoop in de gemeente Smallingerland via Nij Beets naar de Nieuwe Vaart in de gemeente Opsterland. Het kanaal is sinds 1967 gesloten voor de scheepvaart. De belangrijkste doelstelling van het project is het opnieuw bevaarbaar maken van het Polderhoofdkanaal voor de toeristisch-recreatieve vaart. Hierdoor wordt het Friese Merengebied verbonden met de Turfroute, een vaarroute in de richting van het zuidoosten van de provincie Fryslân. Om het project te kunnen uitvoeren moeten diverse werkzaamheden worden uitgevoerd: het restaureren van de sluizen bij De Veenhoop en de Nieuwe Vaart, het baggeren van het laatste deel van het kanaal bij De Veenhoop, het oplossen van knelpunten bij de bestaande bruggen, het creëren van aanlegplaatsen en het verstevigen van oevers.

Een ontheffing op grond van de Flora- en faunawet is noodzakelijk in verband met een aantal in het gebied aanwezige beschermde diersoorten, te weten de bittervoorn, de grote en kleine modderkruiper, de gestreepte waterroofkever en de groene glazenmaker (een libellensoort). Door de werkzaamheden en door het bevaarbaar maken en houden van het Polderhoofdkanaal zullen zowel tijdelijke als permanente effecten ten aanzien van de beschermde soorten optreden.

Op 20 september 2007 heeft verweerder een ontheffing verleend van de verbodsbepalingen als bedoeld in de artikelen 9, 11 en 13 lid 1 van de Flora- en faunawet voor zover dit betreft het vangen, bemachtigen of met het oog daarop opsporen; het beschadigen, vernielen of verstoren van holen of andere voortplantings- of vaste rust- of verblijfplaatsen; het vervoeren en onder zich hebben van de bittervoorn, de grote modderkruiper, de kleine modderkruiper en de gestreepte waterrroofkever, alsmede van de verbodsbepalingen genoemd in artikel 11 van de Flora- en faunawet voor zover dit betreft het beschadigen, vernielen of verstoren van holen of andere voortplantings- of vaste rust- of verblijfplaatsen van de groene glazenmaker.

Het plangebied waarvoor de ontheffing geldt ligt tussen de plaatsen Ulesprong en De Veenhoop, een en ander zoals aangegeven in figuur 2.1 op pagina 4 van het rapport Royal Haskoning.

Ter beoordeling staat de vraag of verzoekers als belanghebbenden in de zin van artikel 1:2 van de Awb kunnen worden aangemerkt bij de bestreden ontheffing.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat verzoekers niet kunnen opkomen voor een ideëel belang, omdat dit slechts is voorbehouden aan een rechtspersoon. Voorts is verweerder van mening dat verzoekers geen eigen, persoonlijk en objectief bepaalbaar belang hebben bij de betreffende ontheffing. Verweerder stelt met verwijzing naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS 28 juli 2004, LJN: AQ5780) voorop dat om te bepalen of iemand als belanghebbende kan worden aangemerkt de ontheffing als zodanig van belang is en niet het feit dat de ontheffing een noodzakelijke schakel is voor de gewraakte herinrichting. Verder stelt verweerder dat het goed mogelijk is dat de uitvoering van het project (nadelige) gevolgen heeft voor de leefomgeving van verzoekers. Het ligt derhalve in de rede dat zij belanghebbend zullen worden geacht met betrekking tot de voor de werkzaamheden benodigde vergunningen (bijvoorbeeld bij eventuele bouw- of aanlegvergunningen); het ligt immers in de lijn der verwachtingen dat de, onder deze vergunningen toegestane, werkzaamheden een ruimtelijke uitstraling kunnen hebben op de leefomgeving van verzoekers. Daartegenover staat volgens verweerder dat uitgesloten is dat de eventuele verontrusting of verstoring van zeer kleine en vrijwel in het geheel in het water levende dieren (de bittervoorn, de grote en kleine modderkruiper, de gestreepte waterroofkever en de groene glazenmaker) objectief gezien, enige ruimtelijke uitstraling heeft op de woon- en leefomgeving van verzoekers.

Namens de gemeente is aangevoerd dat wonen binnen het plangebied niet voldoende is om als belanghebbend te kunnen worden aangemerkt. Ook dan geldt als eis dat er wel enige relevante ruimtelijke uitstraling dient te zijn. In de onderhavige situatie is daarvan volgens de gemeente hoegenaamd geen sprake. Verzoekers hebben geen enkel zicht op de beschermde vissoorten. De gestreepte waterroofkever komt in zulke lage dichtheden voor dat deze enkel door biologen herkend zal worden. De waterroofkever leeft bovendien overwegend in het water, waardoor deze geen ruimtelijke uitstraling kan hebben. De populatie van de groene glazenmaker in het Polderhoofdkanaal is zeer klein en de zich in de omgeving bevindende populaties zijn te ver van de woning van verzoekers verwijderd om door hen beleefd te kunnen worden. Voorts stelt de gemeente zich op het standpunt dat de grenzen van het plangebied te ruim zijn getrokken. De werkzaamheden waarop de ontheffing ziet vinden alleen plaats in het Polderhoofdkanaal dan wel aan de oevers daarvan. Verzoekers wonen weliswaar dicht bij het Polderhoofdkanaal, maar uitdrukkelijk buiten het gebied waar de werkzaamheden plaatsvinden.

Namens de provincie is aangevoerd dat het niet zo is dat iedereen die zicht heeft op het gebied waarop de ontheffing betrekking heeft automatisch belanghebbende is. Volgens de provincie blijkt uit de uitspraak van de AbRS van 28 juli 2004 dat bij een ontheffing op grond van de Flora- en Faunawet als hier aan de orde dient te worden vastgesteld óf de betrokken ontheffing "enige ruimtelijke uitstraling heeft" op verzoekers. De provincie stelt in navolging van de gemeente dat daarvan in het geval van verzoekers geen sprake is. Verzoekers hebben hoogstens een indirect belang: door het blokkeren van deze ontheffing hopen zij het project Polderhoofdkanaal als zodanig te kunnen tegenhouden.

Verzoekers stellen dat zij als omwonenden niet opkomen voor een ideëel belang, maar voor hun eigen, persoonlijk en objectief bepaalbaar belang. Verzoekers hebben zicht op de beschermde fauna. Zij wonen aan het kanaal, de afstand van hun woning tot de waterkant bedraagt 6,5 meter. Niet alleen de boerderij van verzoekers ligt in het plangebied, maar daarnaast pachten zij 10.6 hectare weiland langs het kanaal. Gelet hierop heeft het verstoren van flora en fauna, waarvoor de ontheffing is verleend direct invloed op de woon- en leefomgeving van de bewoners van het gebied van de ontheffing. Gewezen wordt op een uitspraak van de AbRS van 18 mei 2005, LJN: AT5667. Verzoekers stellen dat het in dit geval gaat om het verstoren van fauna in nagenoeg het gehele Polderhoofdkanaal, door onder andere toekomstige vaarbewegingen. De beschermde soorten zullen sterven of uit het Polderhoofdkanaal vertrekken. Volgens verzoekers doet de grootte van de diersoorten er niet toe, zijn de beschermde diersoorten bovendien helemaal niet zo klein en wel degelijk gezien en overigens is het volgens verzoekers feitelijk niet zo dat "onzichtbare" dieren geen ruimtelijke uitstraling hebben. De wetenschap dat er in een bepaald gebied bepaalde diersoorten voorkomen heeft een positieve invloed op de ruimtelijke beleving. Daarbij stellen verzoekers dat de aanwezigheid van de dieren in dit gebied staat voor een bepaald ecologisch systeem en dat de beschermde diersoorten aangemerkt kunnen worden als ambassadeurs van een bijzonder biotoop.

De voorzieningenrechter overweegt het volgende.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Om te beoordelen of verzoekers als belanghebbenden kunnen worden aangemerkt moet bezien moet worden of de bestreden ontheffing een besluit betreft waarvan het redelijkerwijs te verwachten gevolg is dat het invloed zal hebben op de woon/leefomgeving van degene die in de nabijheid woont/leeft van de plaats waarop het besluit betrekking heeft. Vereist is verder een bijzonder individueel persoonlijk belang, dus een mate van betrokkenheid die uitstijgt boven die van anderen die ten opzichte van het besluit een vergelijkbare positie innemen.

De boerderij van verzoekers bevindt zich in het gebied waarvoor de ontheffing geldt. Namens de gemeente is gesteld dat de grenzen van het plangebied ruim zijn getrokken, maar dit neemt niet weg dat verzoekers direct aan het Polderhoofdkanaal wonen. Blijkens het verhandelde ter zitting hebben zij vanuit hun tuin zicht op het kanaal, de boerderij staat op ongeveer 6,5 meter van de oever. De gronden rondom de boerderij en gelegen aan het kanaal zijn -met uitzondering van een smalle strook oever- deels hun eigendom en worden deels gepacht van het Fryske Gea. De ontheffing is bovendien verleend ten behoeve van het gehele project Polderhoofdkanaal en ziet niet alleen op het uitvoeren van diverse infrastructurele werkzaamheden, maar ook op de effecten die intreden door het opnieuw bevaarbaar maken van het kanaal. Hieruit volgt naar het oordeel van de voorzieningenrechter dat het gebied waarop de ontheffing betrekking heeft deel uitmaakt van de directe woon- en leefomgeving van verzoekers. De voorzieningenrechter is voorts van oordeel dat het verstoren van de fauna waarvoor ontheffing is verleend, invloed heeft op de directe woon- en leefomgeving van verzoekers. De voorzieningenrechter weegt daarbij mee dat het hier gaat om meerdere beschermde diersoorten die deel uitmaken van een bijzonder biotoop. De verstoring van deze diersoorten kan van invloed zijn op de ruimtelijke kwaliteit van het gebied waarin zij voorkomen en daarmee op de directe leefomgeving van verzoekers. Hun belangen zijn daarom rechtstreeks betrokken bij dit besluit, ook al gaat het volgens verweerder slechts om kleine diersoorten waarvan de verwijdering nagenoeg geen ruimtelijke uitstraling zal hebben.

De voorzieningenrechter komt gelet op het vorenstaande tot de conclusie dat verweerder het bezwaar van verzoekers ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard.

De voorzieningenrechter verklaart het beroep van verzoekers in de hoofdzaak met registratienummer 07/3011 daarom gegrond en vernietigt de bestreden beslissing van 20 november 2007. Verweerder dient een nieuwe beslissing te nemen op de bezwaren van verzoekers. De voorzieningenrechter ziet voorts aanleiding om met toepassing van het bepaalde in art. 8:72 lid 5 van de Awb te bepalen dat de ontheffing van 20 september 2007 wordt geschorst totdat er opnieuw op de bezwaren van verzoekers is beslist, met dien verstande dat wanneer binnen die termijn een nieuw verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening is ingediend de schorsing doorloopt totdat op dat verzoek is beslist.

Gelet op de gegeven beslissing in de hoofdzaak is er geen aanleiding meer om een voorlopige voorziening te treffen in de zaak met registratienummer 07/3010, zodat het verzoek hiertoe wordt afgewezen.

Gelet op het vorenstaande en op het bepaalde in art. 8:82 lid 4 Awb dient de Staat der Nederlanden de door verzoekers gestorte griffierechten van 2 x € 143,= te vergoeden.

Op grond van art. 8:75 juncto art. 8:84 lid 4 Awb veroordeelt de voorzieningenrechter verweerder in de proceskosten. Overeenkomstig het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht bedragen de proceskosten van verzoekers € 966,= ter zake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (verzoekschrift 1 punt; beroepschrift 1 punt; verschijnen ter zitting 1 punt; gewicht van de zaak: gemiddeld; waarde per punt € 322,=). De voorzieningenrechter wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep in de hoofdzaak met registratienummer 07/3011 gegrond;

- vernietigt de bestreden beslissing op bezwaar van 20 november 2007;

- bepaalt dat verweerder opnieuw dient te beslissen op het door verzoekers ingediende

bezwaarschrift van 3 oktober 2007;

- schorst de ontheffing van 20 september 2007 waartegen het bezwaar is gericht tot twee weken nadat de beslissing op bezwaar op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt, met dien verstande dat wanneer binnen die termijn een nieuw verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening is ingediend de schorsing doorloopt totdat op dat verzoek is beslist;

- bepaalt dat de Staat der Nederlanden de betaalde griffierechten van in totaal € 286,= aan verzoekers vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekers ten bedrage van € 966,=, aan verzoekers te vergoeden door de Staat der Nederlanden;

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening in de zaak met registratienummer 07/3010 af.

Aldus gegeven door mr. C.H. de Groot, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 10 maart 2008, in tegenwoordigheid van mr. P.R.M. Poiesz als griffier.

w.g. P.R.M. Poiesz

w.g. C.H. de Groot

Tegen de uitspraak in het verzoek om een voorlopige voorziening met registratienummer 07/3010 kan geen rechtsmiddel worden aangewend.

Tegen de uitspraak in de hoofdzaak met registratienummer 07/3011 staat voor partijen hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in art. 6:13 juncto 6:24 Awb.

Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan:

de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Postbus 20019

2500 EA Den Haag

In het beroepschrift vermeldt u dan waarom u de uitspraak niet juist vindt.