Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2008:BC6342

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
10-03-2008
Datum publicatie
12-03-2008
Zaaknummer
AWB 08/406
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Kapvergunning ten behoeve van realisering ontsluitingsweg en hotel. Natuurwaarden. Deskundigenrapporten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Horeca 2008/1986

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

Procedurenummer: AWB 08/406

uitspraak van 10 maart 2008 van de voorzieningenrechter op grond van artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

inzake het geding tussen

de vereniging Vogelbeschermingswacht "Sneek en omstreken",

gevestigd te Sneek,

verzoekster,

gemachtigde: mr. M.T. Hoen, advocaat te Assen,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Sneek,

verweerder,

gemachtigde: K. de Vries, werkzaam bij verweerders gemeente.

Procesverloop

Bij brief van 30 oktober 2007 heeft verweerder verzoekster mededeling gedaan van zijn besluit betreffende de verlening van een kapvergunning op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening Sneek (hierna: APV).

Verzoekster heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

Bij brief van 27 februari 2008 heeft verweerder aan verzoekers kenbaar gemaakt dat op 3 maart 2008 zal worden gestart met de kapwerkzaamheden. Verzoekster heeft zich bij brief van 3 maart 2008 tot de voorzieningenrechter gewend met het verzoek om op grond van art. 8:81 lid 1 Awb een voorlopige voorziening te treffen.

Bij brief van 3 maart 2008 heeft verweerder verzoekster mededeling gedaan van zijn op 29 februari 2008 genomen beslissing op bezwaar, waarbij verzoeksters bezwaar tegen (onder andere) de verleende kapvergunning ongegrond is verklaard.

Verzoekster heeft tegen de beslissing op bezwaar op 4 maart 2008 beroep ingesteld bij de rechtbank (reg.nr. 08/422). Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening wordt nu geacht te zijn gericht tegen de genomen beslissing op bezwaar.

Het verzoek is ter zitting behandeld op 5 maart 2008. Verzoekster is ter zitting vertegenwoordigd door mr. M. Hoen, voornoemd, en [naam] en [naam], respectievelijk bestuurslid en algemeen lid van de Vogelbeschermingswacht Sneek e.o.. Namens verweerder zijn bovengenoemde gemachtigde en mevrouw Grijpstra verschenen.

Motivering

Op grond van art. 8:81 Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het verzoek overweegt de voorzieningenrechter dat niet is gebleken van beletselen om verzoekster te kunnen ontvangen. Voorts is genoegzaam aangetoond dat verzoekster een spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorlopige voorziening.

Voor zover de beoordeling van het verzoek met zich brengt dat het geschil in de hoofdzaak wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter daaromtrent een voorlopig karakter.

Aan een verzoek als het onderhavige kan in beginsel worden voldaan, indien het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter in de hoofdzaak luidt dat het beroep tegen het aangevallen besluit gegrond verklaard zal moeten worden.

De voorzieningenrechter baseert zich bij zijn oordeelsvorming op onderstaande feiten en omstandigheden.

Verweerder heeft de kapvergunning verleend met het oog op de realisering van de bouw van een hotel bij het Burgemeester Rasterhoffpark te Sneek, alsmede ten behoeve van de aanleg van een ontsluitingsweg naar het betreffende hotelperceel. Voor de bouwplannen heeft verweerder op 30 oktober 2007 een bouwvergunning en een vrijstelling als bedoeld in art. 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening verleend aan Van der Valk Hotel Sneek Beheer B.V. (hierna: Van der Valk).

De kapvergunning is verleend voor het rooien van meerdere bospercelen met een totale omvang van 2500 m² (ten behoeve van de aanleg van een ontsluitingsweg) en voor het rooien van 9 essen, 3 populieren en 24 knotwilgen (ten behoeve van de aanleg van parkeerplaatsen bij het hotel). De te rooien bospercelen en solitaire bomen zijn aangegeven op een zich bij de gedingstukken bevindende kaart.

Bij de bestreden beslissing op bezwaar heeft verweerder de door verzoekster ingediende bezwaren tegen zowel de verleende kapvergunning als tegen de verleende bouwvergunning en vrijstelling ongegrond verklaard.

Het onderhavige verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ziet alleen op de na bezwaar gehandhaafde kapvergunning en niet op de bouwvergunning en vrijstelling.

Ingevolge art. 4.5.2, eerste lid, van de APV is het verboden zonder vergunning van het college houtopstand te vellen of te doen vellen.

Art. 4.5.3a bepaalt dat de vergunning in ieder geval kan worden geweigerd op grond van:

a. de natuurwaarde van de houtopstand;

b. de landschappelijke waarde van de houtopstand;

(....)

De voorzieningenrechter dient te beoordelen of verweerder bij afweging van de bij de kapverordening betrokken belangen deze in redelijkheid heeft kunnen verlenen. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (bijvoorbeeld de uitspraak van 28 januari 2008, LJN: BC3574) blijkt dat de bepalingen uit de APV het toetsingskader vormen voor de toetsing van aanvragen om een kapvergunning en dat eventuele procedures over de bouwvergunning en vrijstelling hiervan in beginsel losstaan.

In de APV van de gemeente Sneek is ook geen koppeling gemaakt tussen de bouwvergunning/vrijstelling en de kapvergunning en is bijvoorbeeld niet de voorwaarde gesteld dat van een kapvergunning ten behoeve van een specifiek bouwplan alleen gebruik gemaakt kan worden als er een onherroepelijke bouwvergunning/vrijstelling ligt. In de kapvergunning zelf is nog wel de voorwaarde opgenomen dat de kapwerkzaamheden achterwege blijven wanneer op basis van een verleende vrijstelling of een bouwvergunning nog niet met de feitelijke aanleg- of bouwactiviteiten kan worden gestart. Uit de stukken blijkt echter dat er behalve de reeds verleende vrijstelling en bouwvergunning eerste fase, inmiddels ook op 26 februari 2008 een bouwvergunning tweede fase is verleend op grond waarvan in beginsel met de feitelijke bouwactiviteiten gestart kan worden.

Verweerder heeft in het kader van de door hem uitgevoerde belangenafweging de landschappelijke waarde van de houtopstand onderkend, maar desondanks meer gewicht gehecht aan de wenselijkheid van de realisatie van het hotel en de ontsluitingsweg. Verweerder heeft bij zijn afweging betrokken dat een natuurtoets is uitgevoerd en dat hieruit blijkt dat natuurbelangen niet nadrukkelijk in de weg staan aan de realisering van het bouwplan en de ontsluitingsweg.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder het belang van de realisering van de bouwplannen van Van der Valk bij zijn beoordeling heeft kunnen betrekken. Voorts heeft verweerder zich naar het oordeel van de voorzieningenrechter op het standpunt kunnen stellen dat de in het kader van de uitvoering van het bouwplan uitgebrachte rapporten geen aanleiding geven om te oordelen dat natuurwaarden in de weg staan aan de realisering van de bouwplannen. De voorzieningenrechter wijst met name op de conclusies uit het rapport Altenburg en Wymenga uit 2003, waarin een ecologische beoordeling is gemaakt ten behoeve van de herinrichting van het Rasterhoffpark en de conclusies uit het rapport van Tauw uit 2005 waarin een natuurtoets is uitgevoerd ten aanzien van de bouwplannen van Van der Valk. In dit verband weegt de voorzieningenrechter mee dat verzoekster haar standpunt dat natuurwaarden in het geding zijn niet heeft onderbouwd aan de hand van een of meerdere deskundigenrapporten. Hiervoor heeft zij naar het oordeel van de voorzieningenrechter al wel voldoende tijd en gelegenheid gehad, zowel in de fase waarin een zienswijze kon worden gegeven als in de bezwaarfase.

Ook voor het overige is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder in redelijkheid de onderhavige kapvergunning heeft kunnen verlenen. Hierbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat niet gebleken is dat de te rooien bomen bijzondere natuurwaarden vertegenwoordigen, dat de knotwilgen worden verplaatst en dat via aanvullende maatregelen tot nieuwe aanplant wordt gekomen, waardoor de beplanting die teniet gaat elders wordt gecompenseerd.

Nu er op voorhand geen overwegende twijfel is aan de juridische houdbaarheid van de bestreden kapvergunning, is er geen aanleiding om de verleende vergunning bij wijze van een voorlopige voorziening te schorsen. De uitvoering van de bestreden beslissing heeft weliswaar onomkeerbare gevolgen, maar in dit geval moet naar het oordeel van de voorzieningenrechter meer gewicht worden toegekend aan verweerders belang bij onmiddellijke uitvoering van de kapvergunning. Verweerder heeft er op gewezen dat de werkzaamheden conform de verleende vergunning vóór 15 maart aanstaande moeten worden uitgevoerd en dat opschorting van de werkzaamheden gedurende het broedseizoen -dat duurt tot 15 juni 2008- tot ongewenste vertraging aanleiding zal geven. In dit verband is ook gewezen op de belangen van Van der Valk die medio mei/juni een aanvang met de bouw wil nemen en de mogelijkheid die zich thans voordoet om de werkzaamheden uit te voeren in combinatie met de werkzaamheden langs het A7-tracé bij Sneek, op korte afstand van de hotellocatie. Verzoeksters stelling dat het broedseizoen feitelijk al is begonnen is naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen reden om de kapvergunning te schorsen. Verweerder dient er op toe te zien dat de uitvoering van de werkzaamheden niet in strijd komt met de Flora- en faunawet. Dit betreft echter de uitvoering van de werkzaamheden en niet de rechtmatigheid van de kapvergunning.

Verzoeksters standpunt dat de noodzaak om de vergunde kapwerkzaamheden nu uit te voeren ontbreekt, omdat een nieuw bouwplan is ingediend, waarvoor beduidend minder bomen hoeven te worden gekapt, kan de voorzieningenrechter niet volgen. Uit de ter zitting getoonde tekeningen en kaarten blijkt niet dat de gewijzigde bouwvergunning consequenties zou hebben voor de verleende kapvergunning, in die zin dat dan minder bomen gekapt hoeven te worden.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen komt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat de verleende kapvergunning naar voorlopig oordeel niet onrechtmatig is en dat er geen aanleiding is voor het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek hiertoe wordt dan ook afgewezen.

De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Aldus gegeven door mr. E. de Witt, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 10 maart 2008, in tegenwoordigheid van mr. P.R.M. Poiesz als griffier.

w.g. P.R.M. Poiesz

w.g. E. de Witt

Tegen deze uitspraak kan geen rechtsmiddel worden aangewend.