Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2008:BC6258

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
29-02-2008
Datum publicatie
11-03-2008
Zaaknummer
AWB 06/2094
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 8:73 Algemene wet bestuursrecht. Artikel 6:162 Burgerlijk wetboek. Schadevergoeding in verband met een rechtens onjuist overheidsbesluit. Schending zorgvuldigheidsnorm. Relativiteitsvereiste. Correctie Langemeijer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

Procedurenummer: AWB 06/2094

uitspraak van 29 februari 2008 van de meervoudige kamer op grond van artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

inzake het geding tussen

[naam],

wonende te [woonplaats],

eiser,

gemachtigde: mr. G.J. Scholten, advocaat te Utrecht,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ameland,

verweerder,

gemachtigden: mr. M. Bauman en mr. J.V. van Ophem, beiden advocaat te Leeuwarden.

Procesverloop

Bij brief van 1 augustus 2006 heeft verweerder eiser mededeling gedaan van zijn besluit op bezwaar over een verzoek om schadevergoeding (hierna ook: het bestreden besluit).

Tegen dit besluit heeft eiser beroep aangetekend.

De zaak is behandeld ter zitting van de rechtbank, meervoudige kamer, gehouden op 13 november 2007. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en door G. Kor en B. Huisman, werkzaam respectievelijk voorheen werkzaam bij Ernst & Young Accountants. Verweerder is verschenen bij zijn gemachtigden, bijgestaan door drs. W.J.G. van de Lagemaat, werkzaam bij Borrie & Co Accountants B.V. Daarnaast is namens verweerder verschenen R. Korvemaker, werkzaam bij de gemeente Ameland.

Motivering

Bij besluit van 14 april 1992 heeft verweerder aan de vennootschap onder firma "Taxi Centrale Ameland" te Nes binnenplanse vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het oprichten van een kantoor, taxicentrale, kassa, pomp, wasstraat, stallingruimte en luifel (hierna: het bouwplan) op het perceel Achterdijken 80 te Nes (hierna: het perceel). Het tegen dit besluit ingediende bezwaarschrift heeft verweerder bij besluit van 1 september 1992 ongegrond verklaard.

Eiser, die in de nabijheid van het perceel een benzineverkooppunt heeft geëxploiteerd, heeft tegen het besluit van 1 september 1992 beroep ingesteld. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) heeft bij uitspraak van 1 maart 1996 het besluit van 1 september 1992 vernietigd. Daartoe heeft de AbRS – samengevat weergegeven – overwogen dat de aanvraag had moeten worden afgewezen, omdat realisering van het bouwplan zou leiden tot met het bestemmingsplan strijdig gebruik van de grond en het bestemmingsplan voorts niet voorziet in de mogelijkheid van vrijstelling ten behoeve van de exploitatie van het benzinestation.

Naar aanleiding van deze uitspraak heeft eiser verweerder verzocht de schade te vergoeden die hij ten gevolge van het besluit van 14 april 1992 heeft geleden.

Bij besluit van 28 oktober 1997 heeft verweerder zijn besluit van 14 april 1992 ingetrokken en heeft hij voor het bouwplan vrijstelling als bedoeld in artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) en bouwvergunning verleend. Daarnaast heeft verweerder eisers verzoek om schadevergoeding afgewezen, omdat een causaal verband tussen het vernietigde besluit van 14 april 1992 en de eventuele inkomstenderving van eiser niet is aangetoond.

Het tegen dit besluit ingediende bezwaar heeft verweerder bij besluit van 12 maart 2002 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 11 juli 2003 (met kenmerk 02/270) heeft de rechtbank het besluit van 12 maart 2002 vernietigd, voor zover daarbij het bezwaarschrift tegen de afwijzing van eisers verzoek om schadevergoeding ongegrond is verklaard. De AbRS heeft bij uitspraak van 15 december 2004 (met kenmerk 200305561/1) die uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder alsnog beslist op het bezwaarschrift van eiser tegen de afwijzing van zijn verzoek om schadevergoeding. Verweerder heeft daarbij besloten het bezwaar ongegrond te verklaard. Daartoe is in de eerste plaats overwogen dat het onrechtmatig handelen van de gemeente, bestaande uit het nemen van het besluit van 14 april 1992, niet leidt tot een verplichting tot vergoeding van de door eiser gestelde schade. Blijkens de wetgeschiedenis en jurisprudentie dient, aldus verweerder, zoveel mogelijk aansluiting te worden gezocht bij het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht en op grond van dat recht, in het bijzonder artikel 6:163 van het Burgerlijk Wetboek (BW), bestaat geen verplichting tot schadevergoeding wanneer de geschonden norm niet strekt tot bescherming tegen de schade die de benadeelde heeft geleden. De hier relevante regels van ruimtelijke ordening beogen, aldus verweerder, louter ruimtelijke belangen te beschermen en strekken niet ter bescherming van een ondernemer tegen schade door de komst van een concurrent in zijn afzetgebied. Daarnaast is verweerder van mening dat eiser uit andere hoofde ook geen aanspraak maakt op een schadevergoeding, nu het onrechtmatige handelen van de gemeente daarvoor geen titel oplevert. In dit verband heeft verweerder overwogen dat de schade, zijnde winstderving, niet van zodanig omvang is, dat deze onevenredig moet worden genoemd in die zin dat deze in redelijkheid niet door eiser behoort te worden gedragen, c.q. niet in redelijkheid niet voor zijn rekening zou behoren te blijven. Daarbij wijst verweerder erop dat blijkens het rapport van Borrie & Co Accountants eiser in de periode van 14 april 1992 tot en met 28 oktober 1997 circa € 55.093,00 aan schade heeft geleden.

Eiser acht het onzorgvuldig dat verweerder pas bijna twee jaar na de uitspraak van de AbRS opnieuw heeft beslist op zijn bewaarschrift. Daarnaast kon verweerder naar de mening van eiser het verzoek niet meer afwijzen op de grond dat niet voldaan is aan het in artikel 6:163 van het BW neergelegde relativiteitsvereiste, nu naar zijn oordeel uit de uitspraak van de AbRS van 15 december 2004 impliciet afgeleid kan worden dat het relativiteitsvereiste niet aan de aanspraak op schadevergoeding in de weg staat. Overigens stelt eiser zich op het standpunt dat in het bestuursrecht het relativiteitsvereiste toepassing mist. Subsidiair is eiser van mening dat in zijn geval voldaan is aan het relativiteitsvereiste. Verweerder heeft met zijn besluit van 14 april 1992 een algemeen verbindend voorschrift geschonden, te weten het planvoorschrift dat detailhandel op het perceel verbiedt, welk voorschrift zijn belangen beschermt. Planvoorschriften beogen immers, aldus eiser, inzicht en zekerheid te bieden op het punt van bebouwings- en gebruiksmogelijkheden en hij mag ervan uitgaan dat niet in strijd met deze voorschriften wordt gehandeld. Daarnaast heeft verweerder met het besluit van 14 april 1992 in strijd gehandeld met de ongeschreven zorgvuldigheidsnorm, die verweerder jegens elke burger in acht dient te nemen, zodat ook op grond van die schending eiser recht heeft op vergoeding van de geleden schade. Ten slotte kan eiser zich niet vinden in het standpunt van verweerder dat het onrechtmatig handelen geen titel oplevert voor schadevergoeding, alsmede dat de door eiser in de periode van 14 april 1992 tot 28 oktober 1997 geleden schade € 55.093,00 bedraagt.

De rechtbank overweegt als volgt.

Ten aanzien van de formele aspecten

Het betoog van eiser dat de nieuwe beslissing op het bezwaar na vernietiging van de oorspronkelijke beslissing op bezwaar onnodig lang heeft geduurd, biedt geen grond voor vernietiging van het bestreden besluit, nu geen sprake is van een fatale termijn, maar van een termijn van orde. Wel ziet de rechtbank in dit betoog aanleiding om – daarmee ambtshalve de rechtsgronden aanvullend in de zin van artikel 8:69 van de Awb – na te gaan of aan de eisen van artikel 6 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is voldaan.

In dat kader dient in dit geval beoordeeld te worden of verweerder door na de uitspraak van de AbRS van 15 december 2004 pas op 1 augustus 2006 een beslissing op het bezwaar te nemen, eiser heeft afgehouden van het in artikel 6 van het EVRM neergelegde recht op berechting binnen een redelijke termijn. De rechtbank beantwoordt die vraag ontkennend. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat in de opstelling van eiser een rechtvaardiging aangetroffen kan worden voor de procedurele handelwijze van verweerder. Gebleken is immers dat verweerder eiser bij brieven van 16 juni 2005 en 2 maart 2006 heeft verzocht om bescheiden te overleggen, in het bijzonder met betrekking tot het aantal verkochte liters brandstof en de inkoop- en verkoopprijs van die brandstof. Naar het oordeel van de rechtbank was eiser gehouden de gevraagde informatie te overleggen, nu deze van belang kon zijn voor het nemen van de beslissing op eisers bezwaar. Bovendien merkt de rechtbank op dat die gehoudenheid ook voortvloeit uit het feit dat bij een verzoek om schadevergoeding de bewijslast in de eerste plaats op de verzoeker ligt, zodat het op diens weg ligt om de gegevens en bescheiden over te leggen die het bestuursorgaan nodig heeft om te kunnen vaststellen of de verzoeker de door hem gestelde schade daadwerkelijk heeft geleden.

Ten aanzien van de inhoudelijk aspecten

Met de betrekking tot de inhoudelijke kant van de zaak overweegt de rechtbank als volgt.

Bij uitspraak van 15 december 2004 heeft de AbRS overwogen dat van aansprakelijkheid van verweerder voor schade geleden na 28 oktober 1997 geen sprake is. Het geschil beperkt zich in deze procedure dus tot de vraag of verweerder bij het bestreden besluit terecht eisers verzoek om vergoeding van schade, die hij in periode 14 april 1992 tot en met 28 oktober 1997 stelt geleden te hebben ten gevolge van het besluit van 14 april 1992, heeft afgewezen.

Ten aanzien van het toepasselijk recht

Ingevolge het – in artikel 6:162 van het BW en in artikel 8:73 van de Awb tot uitdrukking komende – algemeen geldende rechtsbeginsel is degene die door aan hem toerekenbaar onrechtmatig handelen of nalaten schade heeft veroorzaakt, in beginsel gehouden die aan de benadeelde te vergoeden. De rechtbank stelt voorop dat, mede gelet op de wetgeschiedenis van artikel 8:73 van de Awb, uit een oogpunt van rechtseenheid bij het beantwoorden van de vraag of en in welke omvang schade die een partij lijdt voor vergoeding in aanmerking komt, zoveel mogelijk aansluiting dient te worden gezocht bij het civielrechtelijk schadevergoedingsrecht. Daarbij is in het bijzonder van belang de jurisprudentie van de burgerlijke rechter betreffende de gevolgen van vernietiging van een overheidsbesluit door de bestuursrechter.

In dat licht is de rechtbank met eiser van oordeel dat verweerder het verzoek niet heeft kunnen afwijzen op de grond dat de schade niet zodanig van omvang is, dat deze onevenredig moet worden genoemd in die zin dat deze in redelijkheid niet door eiser behoort te worden gedragen, c.q. niet in redelijkheid niet voor zijn rekening zou behoren te blijven. Zoals blijkt uit de uitspraak van 15 december 2004 van de AbRS speelt zo’n redelijkheidstoets bij de vraag of de schade voor vergoeding in aanmerking komt, in dit geval geen rol. Uit die uitspraak blijkt dat van belang is of de schade in een zodanig verband staat tot het onrechtmatig handelen, in dit geval het nemen van het besluit van 14 april 1992, dat zij aan het bestuursorgaan dat dat besluit heeft genomen, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van die schade, als een gevolg van dat besluit moet worden toegerekend. Overigens merkt de rechtbank op dat, anders dan verweerder mogelijk meent, het verzoek om schadevergoeding niet gebaseerd is op rechtmatig overheidshandelen, zodat dat aspect niet ter beoordeling voor ligt.

Met betrekking tot de vraag of verweerder het verzoek om schadevergoeding heeft kunnen afwijzen op de grond dat niet voldaan is aan het relativiteitsvereiste overweegt de rechtbank als volgt.

Gelet op de jurisprudentie van de burgerlijke rechter betreffende de gevolgen van een door de administratieve rechter vernietigd overheidsbesluit heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank terecht getoetst of artikel 6:163 van het BW aan verlening van schadevergoeding in de weg staat. De door eiser in dit verband aangehaalde uitspraken van de AbRS bieden geen grond voor een ander oordeel. Die uitspraken hebben namelijk betrekking op de uitleg van het belanghebbendebegrip en niet op de vraag of het relativiteitsvereiste in een zaak als de onderhavige van toepassing is.

Ten aanzien van de afwijzing van het verzoek op grond van artikel 6:163 van het BW

De rechtbank deelt niet het standpunt van eiser dat verweerder niet meer bevoegd was om pas bij het bestreden besluit een beroep te doen op artikel 6:163 van het BW. Het staat verweerder, gelet op het feit dat in de bezwaarprocedure het primaire besluit is onderworpen aan een volledige heroverweging, in beginsel vrij om aan de beslissing op het bezwaarschrift een nog niet eerder uitdrukkelijk gehanteerde weigeringsgrond ten grondslag te leggen.

Daarbij merkt de rechtbank op dat, anders dan eiser meent, de AbRS niet reeds in de uitspraak van 15 december 2004 uitdrukkelijk de vraag heeft beantwoord of de met het besluit van 14 april 1992 geschonden norm strekt tot bescherming tegen de schade die eiser stelt geleden te hebben. Die conclusie kan naar het oordeel van de rechtbank niet getrokken worden uit het feit dat de AbRS in die uitspraak heeft overwogen dat de vernietiging van het besluit van 1 september 1992 voor verweerder in beginsel (cursivering: rechtbank) de verplichting met zich mee brengt om de door eiser geleden te schade te vergoeden, alsmede dat schade, die ligt tussen het moment van het nemen van het rechtens onjuiste besluit en het moment waarop een rechtmatige besluit zou hebben kunnen worden genomen, wordt toegerekend aan het rechtens onjuist bevonden besluit en deze in beginsel (cursivering: rechtbank) voor vergoeding in aanmerking komt. Daartoe acht de rechtbank die verplichtingen te algemeen geformuleerd. Het gebruik van het woorden “in beginsel” sluit naar het oordeel van de rechtbank niet uit dat om andere redenen die schade niet voor vergoeding in aanmerking kan komen, bijvoorbeeld omdat de geschonden norm niet strekt tot bescherming tegen de schade die eiser stelt te hebben geleden. Daarbij acht de rechtbank van belang dat verweerder zich noch bij het besluit van 12 maart 2002 noch in de hogerberoepsprocedures beroepen heeft op artikel 6:163 van het BW en ook de AbRS dit artikel niet in haar uitspraak heeft genoemd. De rechtbank heeft in de uitspraak van de AbRS geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat andere redenen enkel kunnen liggen in de aard van de aansprakelijkheid. De AbRS heeft zich over die redenen niet ( uitdrukkelijk) uitgelaten. In dit verband wijst de rechtbank erop dat uit het rechtzekerheidsbeginsel voortvloeit dat enkel uitdrukkelijk en zonder voorbehouden oordelen van hogerberoepinstanties partijen tegengeworpen kunnen worden.

Ter beantwoording ligt gelet op voorgaande conclusies de vraag voor of verweerder met zijn besluit van 14 april 1992 een norm heeft geschonden die strekt tot bescherming tegen de schade zoals eiser die stelt te hebben geleden.

Het relativiteitsvereiste en de schending van een planvoorschrift

Vaststaat dat verweerder met het besluit van 14 april 1992 een rechtens onjuist besluit heeft genomen. Die onjuistheid is blijkens de uitspraak van de AbRS gelegen in de omstandigheid dat verweerder ten onrechte met toepassing van artikel 7 van de planvoorschriften van het bestemmingsplan Bedrijventerrein Nes vrijstelling heeft verleend van het in artikel 6 van de planvoorschriften opgenomen verbod tot detailhandel. Naar het oordeel van de rechtbank is de onrechtmatigheid van een dergelijke vrijstelling gelegen in het feit dat zonder toereikende bevoegdheid de bescherming wordt ontnomen, die dit planvoorschrift aan derden bood. Het feit dat verweerder onder omstandigheden ingevolge artikel 19 van de WRO bevoegd kon zijn om dit verbod (deels) op te heffen, leidt niet tot een ander oordeel. Verweerder heeft immers niet op die wijze het verbod opgeheven, zodat, nog los van de vraag of ten tijde van belang de toepasselijke regelgeving en het ruimtelijk beleid daar ook rechtens de mogelijkheid voor boden, deze omstandigheid het onrechtmatig karakter aan het handelen van verweerder niet ontneemt. De rechtbank volgt verweerder dan ook niet in zijn standpunt dat de onrechtmatigheid enkel gelegen is in het toepassen van een verkeerde vrijstellingsprocedure, zodat overwegend sprake zou zijn van het schenden van een procedurele norm.

Uit het vorengaande volgt dat verweerder jegens eiser onrechtmatig heeft gehandeld als geconcludeerd kan worden dat artikel 6 van de planvoorschriften van het bestemmingsplan Bedrijventerrein Nes strekt tot bescherming van de schade zoals eiser stelt die geleden te hebben.

Volgens vaste rechtspraak hebben voorschriften die hun basis vinden in artikel 10 van de WRO, zoals bestemmingsplanvoorschriften, tot doel het gebruik van de ruimte goed te ordenen en niet om concurrentieverhoudingen van belanghebbenden te reguleren. Dat neemt niet weg dat die voorschriften van invloed (kunnen) zijn op het plaatselijke voorzieningenniveau en dus indirect een bepaald voorzieningenniveau waarborgen. Om die reden kan sprake zijn van onrechtmatig handelen jegens een handelszaak indien de overtreding van een planvoorschrift bij vestiging van een handelszaak zo duurzaam ontwrichtend is dat de levensvatbaarheid van de betrokkene exploitaties ernstig in gevaar komt en daarmee het in het bestemmingsplan beoogde voorzieningenniveau aantast. Gelet op hetgeen de AbRS in zijn uitspraak van 15 december 2004 hieromtrent heeft overwogen, dient het er in deze procedure voor gehouden worden dat van een dergelijke situatie geen sprake is geweest. Artikel 6 van de planvoorschriften van het bestemmingsplan Bedrijventerrein Nes strekt niet tot bescherming van de schade zoals eiser stelt die te hebben geleden.

Het relativiteitsvereiste en de schending van een ongeschreven zorgvuldigheidsnorm

Eiser heeft zich voorts subsidiair op de zogenoemde correctie Langemeijer beroepen, stellende dat verweerder, naast de schending van een planvoorschrift, tevens de zorgvuldigheid die in het maatschappelijk verkeer betaamt jegens hem niet in acht heeft genomen. Naar zijn mening heeft verweerder jegens hem onzorgvuldig gehandeld, nu hij erop mocht vertrouwen dat verweerder de planvoorschriften zou naleven en hij er daarom bij zijn bedrijfsvoering geen rekening ermee hoefde te houden dat op basis van het bestemmingsplan op het perceel een benzinestation zou worden geëxploiteerd. Nu verweerder met het nemen van het besluit van 14 april 1992 dit vertrouwen heeft geschonden, dient aan hem de schade worden vergoed, die hij daardoor heeft geleden, aldus eiser.

De zogenoemde correctie Langemeijer komt erop neer dat, hoewel een bepaalde rechtsnorm niet strekt tot bescherming van het geschonden belang, de overtreder van deze norm niettemin toch aansprakelijk is, omdat zijn handeling in strijd is met nog een andere zorgvuldigheidsnorm die dat belang wel beschermt. In dit verband wijst de rechtbank erop dat een wettelijke norm feitelijk onbedoelde bescherming kan bieden aan belangen, waarvoor de wettelijke norm op zich zelf niet in het leven is geroepen. De vraag doet zich voor of onder omstandigheden ook gerechtvaardigd vertrouwd mag worden op feitelijke, maar onbedoelde belangenbescherming, in die zin dat geoordeeld dient te worden dat degene die in strijd met een wettelijk norm heeft gehandeld onzorgvuldig jegens degene heeft gehandeld die in die (onbedoelde beschermde) belangen wordt geschaad. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad blijkt dat toepassing van de correctie Langemeijer onder meer afhankelijk is van de betekenis die de normovertreding in het totaal van feiten heeft, van de bijzondere omstandigheden van het geval en van de voorzienbaarheid van de schade.

De rechtbank overweegt dat de WRO een systeem kent dat als uitgangspunt heeft dat in een op basis van die wet vastgesteld bestemmingsplan wordt aangegeven voor welk doel of doeleinden gronden kunnen en mogen worden benut. Burgers zullen dus voor wat betreft ruimtelijke ordening hun handelen in eerste instantie afstemmen op het bestemmingsplan.

Gelet hierop en op het feit dat verweerder het bestuursorgaan is dat primair belast is met de uitvoering/handhaving van het bestemmingsplan en het feit dat een afzetgebied als het onderhavige met een relatief klein aantal aanbieders en afnemers extra gevoelig is voor veranderingen, is de rechtbank van oordeel dat de wijze waarop verweerder op 14 april 1992 vrijstelling van het bestemmingsplan heeft gegeven jegens eiser onzorgvuldig is geweest, aangezien dat bestemmingsplan de belangen van eiser indirect beschermde. Door op deze wijze te handelen heeft verweerder zich onzorgvuldig jegens eiser gedragen in de zin van artikel 6:162 van het BW. Hieraan doet niet af dat de WRO onder omstandigheden de mogelijkheid biedt om met toepassing van artikel 19 af te wijken van het bestemmingsplan. Dat laat immers onverlet dat eiser er op grond van die bepaling niet op bedacht hoefde te zijn dat met toepassing van een binnenplanse vrijstelling het verbod van detailhandel zou worden opgeheven. Voor zover verweerder van mening is dat een ieder gelet op het bepaalde in artikel 19 van de WRO geen (enkel) gerechtvaardigd vertrouwen kan ontlenen aan hetgeen in het bestemmingsplan is bepaald, deelt de rechtbank die mening niet. Een dergelijke opvatting zou aan het bestemmingsplan zijn betekenis ontnemen.

Uit het vorengaande volgt dat verweerder in strijd heeft gehandeld met een zorgvuldigheidsnorm die wel strekt tot bescherming tegen de schade die eiser stelt geleden te hebben. Dit betekent dat verweerder zich bij het bestreden besluit ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat niet voldaan is aan het relativiteitsvereiste.

Conclusie

Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit zal worden vernietigd. Verweerder zal opnieuw op het bezwaarschrift moeten beslissen en daarbij in het kader van de causaliteitstoets onder meer moeten bezien of de door eiser gestelde schade als een gevolg van het besluit van 14 april 1992 aan verweerder moet worden toegerekend. Daarbij dient, zoals in de uitspraak van 15 december 2004 van de AbRS is overwogen, aan de orde te komen of ten tijde van het nemen van het besluit van 14 april 1992 een rechtmatig besluit zou hebben kunnen worden genomen, dat naar aard en omvang eenzelfde schade tot gevolg zou hebben gehad. In dit verband heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat een vrijstellingsprocedure als bedoeld in artikel 19 van de WRO in dit geval circa anderhalf jaar zou hebben geduurd, zodat in dit geval het er voor gehouden kan worden dat uiterlijk begin 1994 een rechtmatig besluit zou hebben kunnen zijn genomen. De rechtbank heeft geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat het standpunt van verweerder dat een vrijstellingsprocedure als bedoeld in artikel 19 van de WRO in dit geval circa anderhalf jaar zal duren, onhoudbaar moet worden geacht. Voor een dergelijke oordeel heeft eiser vooralsnog geen feiten en omstandigheden aangevoerd.

Ter bevordering van een adequate beslechting van het geschil overweegt de rechtbank het volgende. Zij stelt dat, mocht geoordeeld worden dat begin 1994 een rechtmatig besluit zou hebben genomen kunnen worden, uit de uitspraak van de AbRS van 15 december 2004 volgt dat slechts de schade die eiser geleden heeft in de periode van 14 april 1992 tot begin 1994 voor vergoeding in aanmerking kan komen.

Het verzoek van eiser om gebruik te maken van de in artikel 8:72 van de Awb neergelegde bevoegdheid om verweerder een termijn te stellen voor het nemen van een nieuwe beslissing op bezwaar en aan die termijnstelling een dwangsom te verbinden, wijst de rechtbank af. Bij de rechtbank is geen twijfel gerezen aan de bereidheid van verweerder om tijdig te beslissen op het bezwaarschrift van eiser. Daarbij gaat de rechtbank er vanuit dat verweerder gezien de voorgeschiedenis zo spoedig mogelijk een nieuwe beslissing op het bezwaarschrift zal nemen.

Nu het beroep gegrond wordt verklaard, zal de rechtbank, gelet op het bepaalde in artikel 8:74 lid 1 van de Awb, de gemeente Ameland gelasten het door eiser betaalde griffierecht van € 141,00 aan hem terug te betalen.

Met toepassing van artikel 8:75 lid 1 van de Awb veroordeelt de rechtbank verweerder in de proceskosten. Overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht worden de proceskosten van eiser vastgesteld op € 644,00 ter zake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (beroepschrift 1 punt; verschijnen ter zitting 1 punt; waarde per punt € 322,00; gewicht van de zaak: gemiddeld). De rechtbank wijst de gemeente Ameland aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat de gemeente Ameland het griffierecht van € 141,00 aan eiser vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 644,00, aan eiser te vergoeden door de gemeente Ameland.

Aldus gegeven door mr. U. van Houten, voorzitter, en door mrs. P.G. Wijtsma en K.J. de Graaf, rechters, en uitgesproken in het openbaar door mr. U. van Houten op 29 februari 2008, in tegenwoordigheid van mr. B.M. van der Doef als griffier.

w.g. B.M. van der Doef

w.g. U. van Houten

Tegen deze uitspraak staat voor partijen hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in art. 6:13 juncto 6:24 Awb.

Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan:

de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Postbus 20019

2500 EA Den Haag

In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.