Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2008:BC5317

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
03-03-2008
Datum publicatie
04-03-2008
Zaaknummer
83553 FJ RK 07-519
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

AWBZ-indicatiebesluit op grond van de Wet op de jeugdzorg. Kinderrechter bevoegde rechter, die oordeelt als bestuursrechter. Geen respijtzorg (verblijf tijdelijk) aan mantelzorgers, indien de hulpbehoevende permanent verblijft in gezin pleegouders. Respijtzorg is niet bedoeld om de pleegouders te ontlasten, die op hun beurt de mantelzorgers ontlasten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RZA 2008, 65

Uitspraak

KINDERRECHTER LEEUWARDEN

Sector civiel - Afdeling familie

Procedurenummer: 83553 FJ RK 07-519

uitspraak van 3 maart 2008 van de kinderrechter

inzake het geding tussen

[naam] en [naam],

wonende te [woonplaats],

eisers,

gemachtigde: R.H.G. Rosenkamp, werkzaam bij MEE Friesland te Leeuwarden,

en

de Stichting Bureau Jeugdzorg Friesland (BJZ),

verweerder,

gemachtigde: mr. L.M. Kraan, advocaat te Zwolle.

Procesverloop

Bij brief van 15 januari 2007 heeft verweerder eisers mededeling gedaan van zijn besluit op bezwaar (hierna: besluit A) betreffende de toepassing van de Wet op de jeugdzorg (Wjz) ten aanzien van [naam] (hierna: [X]), de dochter van eisers.

Tegen dit besluit hebben eisers beroep aangetekend.

Bij brief van 31 mei 2007 heeft verweerder een nieuw besluit, eveneens gedateerd 31 mei 2007 (hierna: besluit B) in het geding gebracht, dat ziet op wijziging van besluit A. Met toepassing van de artikelen 6:18 en 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) acht de kinderrechter het beroep tegen besluit A mede gericht tegen besluit B.

De zaak is behandeld ter zitting van de kinderrechter op 14 november 2007. Eisers zijn verschenen, vergezeld van [naam] en [naam], de pleegouders van [X], en bijgestaan door hun gemachtigde. Namens verweerder zijn verschenen [naam] en [naam], beiden werkzaam bij verweerder, bijgestaan door verweerders gemachtigde.

Motivering

Uit de gedingstukken blijkt dat de opvoeding van [X] vanaf haar geboorte in 1995 problematisch is. Als baby sliep zij nooit en zij had vreselijke gil- en krijsbuien, overdag en 's nachts. Op een gegeven moment is vastgesteld dat [X] een ontwikkelingsstoornis heeft (MCDD: Multiplex Complex Developmental Disorder, PDD-NOS: Pervasive Developmental Disorder-Not Otherwise Specified). In verband met deze stoornis en de hiermee samenhangende problemen verloopt de opvoeding van [X] moeizaam en is de thuissituatie op een gegeven moment onhoudbaar geworden; opgroeien thuis, in het eigen gezin, was op een gegeven moment geen optie meer. Om een nieuwe klinische opname van [X] te voorkomen hebben eisers en [naam] en [naam] (hierna verder: de pleegouders) besloten [X] gezamenlijk op te voeden; [X] woont dan deels bij de pleegouders en deels bij haar eigen ouders.

In verband met deze constructie heeft verweerder bij besluit van 25 juli 2005 voor de functies "Ondersteunende begeleiding algemeen" en "Verblijf Tijdelijk" zorg toegekend over de periode van 1 augustus 2005 tot 1 augustus 2006. Voor "Ondersteunende begeleiding algemeen" is zorg naar klasse 5 toegekend (10 tot 12.9 uur per week) en voor "Verblijf Tijdelijk" is zorg naar klasse 1 (één etmaal per week) toegekend.

Per 15 augustus 2005 verblijft [X] permanent in het gezin van haar pleegouders, met dien verstande dat zij eens in de twee weken één weekend bij haar ouders verblijft. Daarnaast begeleiden haar ouders haar elke dinsdagmiddag naar het paardrijden, waarna zij bij haar ouders eet en vervolgens wordt teruggebracht naar haar pleegouders.

Bij besluit van 29 september 2006 heeft verweerder voor de functie "Ondersteunende begeleiding algemeen" over de periode van 1 oktober 2006 tot 1 oktober 2007 zorg toegekend naar klasse 2 (2 tot 3.9 uur per week). Dit besluit, waarbij -in afwijking van eerdere indicatiebesluiten- voor "Verblijf Tijdelijk" niet langer zorg is toegekend, is gebaseerd op het indicatierapport van P. Hofmeester (kenmerk: 1294250210). Bij besluit A heeft verweerder zijn besluit van 29 september 2006 gehandhaafd.

Bij besluit B heeft verweerder, na nader onderzoek en overleg met eisers met betrekking tot de zorgbehoefte van [X], besluit A gewijzigd, in die zin dat de periode waarin voor "Ondersteunende begeleiding algemeen" zorg wordt verleend is verlengd tot 1 maart 2009. Daarnaast is de zorg opnieuw verleend naar de klasse 5 (10 tot 12.9 uur per week). Verweerder heeft zijn standpunt dat niet langer aanleiding bestaat voor het toekennen van zorg voor "Verblijf Tijdelijk" gehandhaafd.

Ambtshalve overweegt de kinderrechter allereerst als volgt.

Ingevolge art. 1 onder b ten eerste van de Wjz wordt onder een jeugdige verstaan: een in Nederland verblijvende persoon die de meerderjarigheidsleeftijd nog niet heeft bereikt. Ingevolge art. 1 onder c van de Wjz wordt onder jeugdzorg verstaan: ondersteuning van en hulp aan jeugdigen, hun ouders, stiefouders of anderen, die een jeugdige als behorende tot hun gezin verzorgen en opvoeden, bij opgroei- of opvoedingsproblemen of dreigende zodanige problemen. Ingevolge art. 1 onder d van de Wjz wordt onder cliënt verstaan: een jeugdige, zijn ouders of stiefouder of anderen die de jeugdige als behorend tot hun gezin verzorgen en opvoeden.

Ingevolge art. 5 lid 1 van de Wjz heeft verweerder tot taak te bezien of een cliënt zorg nodig heeft in verband met opgroei-, opvoedings- of psychiatrische problemen, dan wel in verband met problemen van een cliënt, niet zijnde een jeugdige, die het onbedreigd opgroeien van een jeugdige belemmeren. Lid 2 van dit artikel bepaalt dat tot verweerders taak behoort het vaststellen of een cliënt is aangewezen op:

a. jeugdzorg waarop ingevolge deze wet aanspraak bestaat,

b. zorg, bestaande uit bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen vormen van geestelijke gezondheidszorg voor jeugdigen waarop ingevolge de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten dan wel ingevolge een zorgverzekering als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de Zorgverzekeringswet aanspraak bestaat.

Lid 3 bepaalt dat verweerder de taak uitoefent op verzoek van een cliënt of uit eigen beweging. Lid 4 bepaalt dat uitgangspunt bij het uitoefenen van de taak is dat zorg het belang van een onbedreigde ontwikkeling van een jeugdige dient en aansluit bij de behoefte van de cliënt. Deze zorg is in verband hiermee niet ingrijpender dan noodzakelijk en wordt geboden zo dicht mogelijk bij de plaats waar de cliënt duurzaam verblijft en gedurende een zo kort mogelijke periode. Lid 5 bepaalt dat in afwijking van art. 8:7 Awb voor beroepen op grond van die wet tegen beschikkingen, gegeven op grond van art. 5 lid 2 WJZ de kinderrechter binnen het rechtsgebied waarvan de stichting haar zetel heeft, bevoegd is.

De kinderrechter stelt vast dat verweerder met zijn indicatiebesluiten aan eisers ten behoeve van hun dochter [X] zorg als bedoeld in de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ), in de vorm van een persoonsgebonden budget (PGB), heeft toegekend. Gelet op voormeld wettelijk kader zijn deze besluiten echter niet gebaseerd op de AWBZ, maar vinden deze besluiten hun grondslag in art. 5 van de Wjz. Dit betekent dat de kinderrechter op grond van art. 5 lid 5 van de Wjz bevoegd is om kennis te nemen van het onderhavige geschil.

Met betrekking tot de vraag bij welk college hoger beroep ingesteld kan worden tegen een op de voet van art. 5 lid 5 van de Wjz gedane uitspraak overweegt de kinderrechter dat uit het bepaalde in art. 18 lid 1 van de Beroepswet volgt dat tegen een dergelijke uitspraak geen hoger beroep ingesteld kan worden bij de Centrale Raad van Beroep (CRvB). De Wjz is immers niet opgenomen in de in art. 18 lid 1 sub b van de Beroepswet genoemde bijlage. Dit betekent dat ingevolge art. 37 lid 1 van de Wet op de Raad van State tegen een uitspraak van de kinderrechter hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) kan worden ingesteld. Voor deze opvatting vindt de kinderrechter steun in de parlementaire geschiedenis van de Wjz (Kamerstukken I 2003-2004, 28 168, D, p. 13-14).

Met betrekking tot de inhoudelijke kant van de zaak overweegt de kinderrechter als volgt.

Nu verweerder besluit A niet langer handhaaft dient het beroep van eisers hiertegen niet-ontvankelijk verklaard te worden. De kinderrechter ziet geen aanleiding voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling. De kinderrechter neemt daarbij in aanmerking dat MEE Friesland aan haar cliënten geen kosten in rekening brengt en een vergoeding ontvangt voor verleende diensten op grond van de AWBZ.

Met betrekking tot besluit B stelt de kinderrechter vast dat het geschil zich beperkt tot de vraag of verweerder mocht besluiten dat eisers niet (langer) in aanmerking komen voor zorg op grond van de functie "Verblijf Tijdelijk" (hierna: respijtzorg). Eisers zijn in tegenstelling tot verweerder van mening dat respijtzorg verstrekt moet worden om een dreigende overbelasting van de pleegouders en hun kinderen (pleeggezin) te voorkomen. In dit verband heeft de gemachtigde van eisers ter zitting aangegeven -zakelijk weergegeven- dat de pleegouders ook wel eens een weekend alleen met hun kinderen, dus zonder [X], willen doormaken.

In art. 41 van de AWBZ is tot uitdrukking gebracht dat het College zorgverzekeringen (CvZ) de rechtmatige en doelmatige uitvoering van de AWBZ bevordert en dat hij met het oog hierop beleidsregels kan stellen.

Ingevolge art. 2 lid 1 aanhef en onder g van het Besluit zorgaanspraken AWBZ (BZA) -voor zover hier van belang- heeft de verzekerde aanspraak op verblijf.

Op grond van art. 2 lid 3 BZA bestaat deze aanspraak op zorg slechts voor zover de verzekerde, gelet op zijn behoefte en uit een oogpunt van doelmatige zorgverlening, redelijkerwijs daarop is aangewezen.

Ter nadere invulling van de begrippen ‘doelmatige zorgverlening’ en ‘redelijkerwijs aangewezen zijn’ is beleid ontwikkeld dat onder meer is neergelegd in de Beleidsregels indicatiestelling AWBZ (hierna: de Beleidsregels). Hierin is in hoofdstuk 9 geregeld onder welke voorwaarden een indicatie voor de functie verblijf kan worden verstrekt. In verband met de problematiek van [X] is daarnaast acht geslagen op het Protocol indicatiestelling Jeugdigen met psychiatrische problematiek.

In zijn jurisprudentie heeft de CRvB tot uitdrukking gebracht dat de indicatiemaatstaven en normeringen die zijn opgenomen in de voor de verschillende vormen van zorgverlening gehanteerde protocollen niet in strijd zijn met het geschreven en ongeschreven recht (vgl. RSV 2007, 251). Uit de jurisprudentie van CRvB kan voorts worden afgeleid dat verweerder, als indicatiesteller, gelet op de aanwezige deskundigheid, een ruime mate van vrijheid toekomt met betrekking tot de binnen het kader van de toepasselijke regelgeving bij zijn beoordeling aan te leggen indicatiemaatstaven, behoudens uiteraard voor zover geschreven of ongeschreven rechtsregels of algemene rechtsbeginselen daaraan in de weg zouden staan (vgl. RSV 2004, 114).

In hoofdstuk 9 van de Beleidsregels is tot uitdrukking gebracht dat bij respijtzorg onder meer centraal staat het ontlasten van de mantelzorg. In hoofdstuk 2, onder paragraaf 2.1, punt 6 is mantelzorg als volgt gedefinieerd: zorg die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende, door personen uit diens omgeving waarbij de zorgverlening rechtstreeks voortvloeit uit de sociale relatie. Gelet hierop dienen eisers, de ouders van [X], naar het oordeel van de kinderrechter aangemerkt te worden als mantelzorgers, die als zodanig AWBZ-functies leveren aan hun dochter [X]. De pleegouders van [X] kunnen niet als zodanig worden aangemerkt.

In zijn uitspraak van 20 december 2005 (RZA 2006, 10) heeft het CvZ tot uitdrukking gebracht dat respijtzorg geïndiceerd kan worden als de zorg die de ouders aan hun kind (om niet) geven aanmerkelijk meer is dan de zorg die ouders normaal gesproken aan een kind van die leeftijd geven. Deze respijtzorg dient ter ontlasting van de ouders die één of meer AWBZ-functies als mantelzorgers leveren. In zijn uitspraak van 20 november 2006 (RZA 2007, 28) heeft het CvZ deze opvatting herhaald en hieraan toegevoegd dat respijtzorg enkel gebruikt kan worden voor het ontlasten van de overbelaste verzorgers en niet voor het ontlasten van de pleegouders die zelf de informele verzorgers ontlasten in de vorm van permanent verblijf (7 x 24 uursverblijf).

Tegen deze achtergrond oordeelt de kinderrechter de door verweerder sinds september 2006 gehanteerde gedragslijn, inhoudende dat het verlenen van respijtzorg aan mantelzorgers, in dit geval de ouders van [X], niet mogelijk is indien de hulpbehoevende, in dit geval [X], permanent (7x24 uur) verblijft bij pleegouders, niet kennelijk onredelijk.

Vaststaat en tussen partijen is niet in geschil dat [X] per 15 augustus 2005 permanent verblijft in het gezin van de pleegouders. In verband hiermee heeft verweerder in redelijkheid kunnen besluiten dat eisers niet langer in aanmerking komen voor respijtzorg.

Gelet op voorgaande overwegingen komt de kinderrechter tot de conclusie dat het beroep tegen besluit B ongegrond moet worden verklaard. Ook voor wat betreft dit deel van het beroep bestaat geen aanleiding voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De kinderrechter:

- verklaart het beroep, gericht tegen besluit A, niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep, gericht tegen besluit B, ongegrond.

Aldus gegeven door mr. P.W.Th. Buijtenhuijs, kinderrechter, en door deze in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2008, in tegenwoordigheid van mr. J.R. Leegsma als griffier.

w.g. J.R. Leegsma

w.g. P.W.Th. Buijtenhuijs

Tegen deze uitspraak staat voor partijen hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in art. 6:13 juncto 6:24 Awb.

Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan:

de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Postbus 20019

2500 EA Den Haag

In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.