Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2008:BC4887

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
20-02-2008
Datum publicatie
21-02-2008
Zaaknummer
AWB 07/1585 en AWB 07/1586
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

herziening AOW-uitkering vanwege gezamenlijke huishouding / onrechtmatige huisbezoeken / bewijsuitsluiting

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2010, 5
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

Procedurenummers: AWB 07/1585 en AWB 07/1586

uitspraak van 20 februari 2008 van de enkelvoudige kamer op grond van artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in de gedingen tussen

1. [eiser], (thans) wonende te Cornjum, eiser,

gemachtigde: mr. M.I. Westervaarder, werkzaam bij FNV Bouw te Groningen, en

2. [eiseres] wonende te Cornjum, eiseres,

gemachtigde: mr. P.R. van den Elst, advocaat te Leeuwarden,

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (SVB), verweerder,

gemachtigde: mr. A.P. van den Berg, werkzaam bij de SVB.

Procesverloop

Bij brieven van respectievelijk 24 en 25 mei 2007 heeft verweerder eiseres en eiser afzonderlijk mededeling gedaan van zijn besluiten op bezwaar betreffende de toepassing van de Algemene Ouderdomswet (AOW).

Tegen deze besluiten hebben eisers beroep ingesteld.

De zaken zijn gevoegd behandeld ter zitting van de rechtbank, gehouden op 4 februari 2008. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigden. Namens verweerder is zijn gemachtigde verschenen. Ter zitting zijn de sociaal rechercheurs H. Kiestra en A.H.H. Wenkenbach, beiden onder verband van de belofte, als getuigen gehoord.

Motivering

Eiser en eiseres ontvingen vanaf respectievelijk 1 januari 1992 en 1 april 1995 een ouderdomspensioen ingevolge de AOW, berekend naar de norm voor een ongehuwde.

In 2006 heeft verweerder naar aanleiding van een tip, inhoudende dat eisers sinds een aantal jaren gedurende de volledige week bij elkaar zijn, een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan eisers verleende pensioenen. In dat kader zijn onder meer twee huisbezoeken afgelegd. Tijdens het eerste - onaangekondigde - huisbezoek op 11 december 2006 is eiseres door Kiestra en Wenkenbach gehoord in eisers woning te Leeuwarden. Tijdens het tweede - aangekondigde - huisbezoek op 13 december 2006 zijn eiser en eiseres beiden gehoord door Kiestra en Wenkenbach in de woning van eiseres te Cornjum. De resultaten van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 13 december 2006.

Op grond van deze onderzoeksresultaten heeft verweerder bij afzonderlijke besluiten van 28 december 2006 de ouderdomspensioenen van eiser en eiseres met ingang van december 2001 herzien en voor beiden nader vastgesteld naar de norm voor een ongehuwde die een gezamenlijke huishouding voert.

Bij de bestreden besluiten heeft verweerder de bezwaren van eisers tegen de besluiten van 28 december 2006 in zoverre gegrond verklaard dat de herziening niet ingaat per december 2001, maar per 11 december 2002. Voor het overige heeft verweerder de bezwaren ongegrond verklaard. De bestreden besluiten berusten op de overweging dat eiser en eiseres vanaf 11 december 2002 een gezamenlijke huishouding voerden.

In beroep hebben eisers onder meer aangevoerd dat de verklaring die eiseres op 11 december 2006 in eisers woning in Leeuwarden heeft afgelegd op onrechtmatige wijze tot stand is gekomen en daarom niet aan de vaststelling van een mogelijke gezamenlijke huishouding ten grondslag kan worden gelegd. Ten aanzien van eiseres zou dit - onder meer - het geval zijn, omdat er geen sprake was van "informed consent". Ten aanzien van eiser zou dit het geval zijn, omdat hij geen toestemming heeft gegeven voor het binnentreden van zijn woning. Ten gevolge van de onrechtmatigheid van het eerste huisbezoek, dienen volgens eisers de resultaten van het tweede, daaruit voortvloeiende, huisbezoek eveneens buiten beschouwing te worden gelaten.

De rechtbank dient - gelet op hetgeen door eisers in beroep is aangevoerd - in de eerste plaats te beoordelen of bij het door verweerder ingesteld onderzoek de in artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) neergelegde waarborgen zijn nageleefd. De hierna volgende overwegingen baseert de rechtbank voor een groot deel op de overwegingen van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) in de uitspraak van 11 april 2007, gepubliceerd op rechtspraak.nl, onder LJN BA2410. De rechtbank acht deze overwegingen van de CRvB, die betrekking hebben op huisbezoeken in het kader van de Wet werk en bijstand, van overeenkomstige toepassing op huisbezoeken in het kader van de AOW. De rechtbank overweegt het volgende.

Ingevolge artikel 8, eerste lid, van het EVRM heeft een ieder recht op respect voor zijn privé-leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie. Uit de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens over de op de woning betrekking hebbende persoonlijke levenssfeer (het huisrecht) valt af te leiden dat eerst van een inbreuk op het huisrecht sprake is wanneer wordt binnengetreden tegen de wil van degene die zich op dat recht beroept. Van een inbreuk is dus geen sprake wanneer de rechthebbende toestemming voor het binnentreden heeft gegeven. Deze toestemming moet op basis van vrijwilligheid zijn verleend, waarbij heeft te gelden dat sprake moet zijn van "informed consent". Dit houdt in dat de toestemming van de belanghebbende gebaseerd moet zijn op volledige en juiste informatie over de reden en het doel van het huisbezoek.

Aan "informed consent" worden zwaardere eisen gesteld, indien voorafgaand aan het huisbezoek geen aanleiding bestond om redelijkerwijs te twijfelen aan de juistheid of de volledigheid van de door betrokkene(n) voor het vaststellen van het recht op AOW-uitkering verstrekte gegevens. In dat geval dient het bestuursorgaan bij het vragen om medewerking aan het huisbezoek de betrokkene(n) duidelijk maken dat het niet geven van toestemming zonder (directe) consequenties zal blijven voor het recht op AOW-uitkering.

In dit geval bestond er voor aanvang van het eerste huisbezoek naar het oordeel van de rechtbank geen aanleiding redelijkerwijs te twijfelen aan de juistheid of volledigheid van de door eisers verstrekte gegevens. De door de Belastingdienst ontvangen melding acht de rechtbank hiervoor onvoldoende. Deze melding kon voor verweerder wel reden zijn nader onderzoek in te stellen naar de rechtmatigheid van de aan eisers verleende AOW-uitkering, maar verweerder had in dat kader eerst moeten bezien of gebruik kon worden gemaakt van andere, voor eisers minder ingrijpende onderzoeksmethoden dan een huisbezoek (vergelijk de uitspraak van de CRvB van 2 oktober 2007, gepubliceerd op rechtspraak.nl, onder LJN BB5534). Ook het feit dat de sociaal rechercheurs eiseres op 11 december 2006 aantroffen in eisers woning, terwijl hijzelf niet thuis was, acht de rechtbank onvoldoende aanleiding om redelijkerwijs te twijfelen aan de juistheid of volledigheid van de door eisers verstrekte gegevens. Dit wijst immers niet per definitie op het voeren van een gezamenlijke huishouding.

Uit het voorgaande volgt dat de sociaal rechercheurs gehouden waren eiseres bij het vragen om medewerking aan het huisbezoek mede te delen dat het niet geven van toestemming zonder consequenties zou blijven voor haar recht op AOW-uitkering. Uit de stukken kan echter niet kan worden afgeleid dat eiseres een dergelijke mededeling is gedaan. Ook ter zitting van de rechtbank, waar de beide sociaal rechercheurs als getuigen verklaringen hebben afgelegd over - onder meer - de gang van zaken voor en tijdens de beide huisbezoeken, hebben zij niet verklaard dat zij eiseres een dergelijke mededeling hebben gedaan. Bovendien kan uit het rapport van 13 december 2006 en de verklaring van Wenkenbach ter zitting worden afgeleid dat eiseres eerst nadat zij toestemming had verleend voor het binnentreden van de woning en nadat de sociaal rechercheurs de woning waren binnengetreden, op de hoogte is gesteld van de het doel en de reden van het huisbezoek. Dit brengt de rechtbank tot de conclusie dat er ten aanzien van dit eerste huisbezoek geen sprake is van een voorafgaand "informed consent" van eiseres. Dit betekent dat er in het geval van eiseres, voor zover zij in de woning van eiser woonde (welk standpunt verweerder in het bestreden besluit heeft ingenomen), sprake is geweest van een inbreuk op haar huisrecht als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van het EVRM.

Voorts staat vast dat eiser niet thuis was tijdens het eerste huisbezoek en dat hem dus ook geen toestemming is gevraagd voor het binnentreden van zijn woning. Dit betekent dat er in het geval van eiser eveneens sprake is geweest van een inbreuk op zijn huisrecht.

Ingevolge artikel 8, tweede lid, van het EVRM is verweerder bevoegd inbreuk te maken op het huisrecht, voor zover dit bij wet is voorzien en in een democratische samenleving nodig is onder meer in het economisch welzijn van het land. Zoals de rechtbank hiervoor reeds heeft overwogen, waren er bij verweerder geen objectieve feiten en omstandigheden bekend op grond waarvan redelijkerwijs kon worden getwijfeld aan de juistheid of de volledigheid van de door eisers, voor het vaststellen van (de omvang van) het recht op AOW van belang zijnde, verstrekte gegevens. Reeds hierom bestaat er naar het oordeel van de rechtbank geen rechtvaardiging voor de gemaakte inbreuk op het huisrecht van eisers.

Hieruit volgt dat de tijdens het eerste huisbezoek aan het licht gekomen gegevens moeten worden bestempeld als onrechtmatig verkregen bewijs. Het gebruik van dit bewijs is slechts dan niet toegestaan indien de bewijsmiddelen zijn verkregen op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht, dat dit gebruik onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht. De rechtbank is van oordeel dat daarvan in dit geval sprake is, omdat aan het uitgangspunt dat bij huisbezoeken als hier aan de orde sprake moet zijn van een gerechtvaardigde inbreuk op het huisrecht alle kracht wordt ontnomen, indien het desbetreffende bestuursorgaan de resultaten van een onrechtmatig huisbezoek niettemin bij de beoordeling van het recht op een AOW-uitkering zou mogen meenemen. Dit bewijs in rechte toelaten zou neerkomen op een schending van het beginsel van "fair trial" als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM. De resultaten van het eerste huisbezoek dienen daarom buiten beschouwing te worden gelaten.

De rechtbank is van oordeel dat, nu de resultaten van het eerste huisbezoek buiten beschouwing dienen te worden gelaten, voor aanvang van het tweede huisbezoek evenmin aanleiding bestond redelijkerwijs te twijfelen aan de juistheid of volledigheid van de door eisers verstrekte gegevens. Dit betekent dat de sociaal rechercheurs bij het vragen om medewerking aan dit tweede huisbezoek eveneens gehouden waren eisers mede te delen dat het niet geven van toestemming zonder consequenties zou blijven voor hun recht op AOW-uitkering. Ook in dit geval kan noch uit de stukken, noch uit de verklaringen van de beide sociaal rechercheurs ter zitting, worden afgeleid dat eisers een dergelijke mededeling is gedaan. De rechtbank is dan ook van oordeel dat er ook ten aanzien van dit tweede huisbezoek geen sprake is van een voorafgaand "informed consent" van eisers. Dit betekent dat er in het geval van eiseres en eiser, voor zover hij in de woning van eiseres woonde (welk standpunt verweerder in het bestreden besluit heeft ingenomen), sprake is geweest van een inbreuk op hun huisrecht als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van het EVRM.

De rechtbank is voorts van oordeel dat er, indien de resultaten van het eerste huisbezoek buiten beschouwing worden gelaten, bij verweerder ook in dit geval geen objectieve feiten en omstandigheden bekend waren op grond waarvan redelijkerwijs kon worden getwijfeld aan de juistheid of de volledigheid van de door eisers verstrekte gegevens. Daarom bestaat er ook in dit geval geen rechtvaardiging voor de gemaakte inbreuk op het huisrecht van eisers. Dit brengt de rechtbank tot de conclusie dat de resultaten van het tweede huisbezoek op dezelfde gronden buiten beschouwing dienen te worden gelaten als de resultaten van het eerste huisbezoek.

De rechtbank ziet de verklaring over de leefsituatie van eisers die eiser ter zitting heeft afgelegd als een uitvloeisel van de beide huisbezoeken. Daarom zal de rechtbank deze verklaring, voor zover deze betrekking heeft op een mogelijke gezamenlijke huishouding, eveneens buiten beschouwing laten.

Nu er geen ander bewijs voorhanden is op grond waarvan moet worden geconcludeerd dat eisers een gezamenlijke huishouding voerden, berusten de beide bestreden besluiten op een onvoldoende draagkrachtige motivering. Hieruit volgt dat de beroepen gegrond zijn en de bestreden besluiten in aanmerking komen voor vernietiging wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb.

De rechtbank ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb - in het kader van finale geschillenbeslechting - zelf in de zaken te voorzien. De rechtbank herroept de beide primaire besluiten van 28 december 2006, nu deze eveneens uitsluitend zijn gebaseerd op de tijdens de beide huisbezoeken verkregen informatie.

De rechtbank legt het namens eiser gedane verzoek tot toepassing van artikel 8:73 van de Awb uit als verzoek tot vergoeding van de wettelijke rente over het ten onrechte niet betaalde gedeelte van de uitkering. Dit verzoek komt voor toewijzing in aanmerking. Daarbij geldt dat de wettelijke rente is verschuldigd over het niet tijdig betaalbaar gestelde gedeelte van de bruto-uitkering, met ingang van de laatste dag van de maand volgend op de maand waarop die uitkering betrekking heeft. Verder geldt dat na afloop van ieder jaar waarover de wettelijke rente wordt berekend, deze dient te worden vermeerderd met de over dat jaar verschuldigde rente.

De rechtbank constateert dat door of namens eiseres geen verzoek is gedaan tot toepassing van artikel 8:73 van de Awb, zodat het de rechtbank niet vrijstaat eiseres een schadevergoeding toe te kennen.

Gelet op het vorenstaande en het bepaalde in artikel 8:74, eerste lid, van de Awb dient de SVB het door eisers gestorte griffierecht van (tweemaal) € 39,00 te vergoeden.

De rechtbank veroordeelt verweerder met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de proceskosten van eisers.

Overeenkomstig het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht bedragen de proceskosten van eiser terzake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand

€ 644,00 (beroepschrift één punt; verschijnen ter zitting één punt; gewicht van de zaak: gemiddeld; waarde per punt € 322,00). De rechtbank wijst de SVB aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.

Overeenkomstig het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht bedragen de proceskosten van eiseres terzake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand

€ 644,00 (beroepschrift één punt; verschijnen ter zitting één punt; gewicht van de zaak: gemiddeld; waarde per punt € 322,00). De rechtbank wijst de SVB aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden. Op grond van artikel 8:75, tweede lid, van de Awb dient het bedrag van de kosten te worden betaald aan de griffier van de rechtbank.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de bestreden besluiten;

- herroept de primaire besluiten van 28 december 2006;

- veroordeelt de SVB tot vergoeding aan eiser van de wettelijke rente over de niet tijdig betaalbaar gestelde bruto-uitkering;

- bepaalt dat de SVB het betaalde griffierecht van € 39,00 aan eiser vergoedt;

- bepaalt dat de SVB het betaalde griffierecht van € 39,00 aan eiseres vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van

€ 644,00, aan eiser te vergoeden door de SVB;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van

€ 644,00, aan de griffier van de rechtbank te vergoeden door de SVB.

Aldus gegeven door mr. P.G. Wijtsma, rechter, en door deze in het openbaar uitgesproken op 20 februari 2008, in tegenwoordigheid van mr. F.F. van Emst als griffier.

w.g. F.F. van Emst

w.g. P.G. Wijtsma

Tegen deze uitspraak staat voor partijen het rechtsmiddel hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:13 in samenhang met artikel 6:24 van de Awb.

Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan:

de Centrale Raad van Beroep

Postbus 16002

3500 DA Utrecht

In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.