Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2008:BC4813

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
19-02-2008
Datum publicatie
21-02-2008
Zaaknummer
AWB 07/2065
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Onder vrijstelling ex artikel 19 lid 1 WRO verleende bouwvergunning. Onvoldoende ruimtelijke onderbouwing van het bouwplan. Eisen van welstand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

Procedurenummer: AWB 07/2065

uitspraak van 19 februari 2008 van de enkelvoudige kamer op grond van artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

inzake het geding tussen

[naam] en [naam],

wonende te [woonplaats],

eisers,

gemachtigden: R. Brandsma, M. Scheffer en F. van Vree,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Wûnseradiel,

verweerder,

gemachtigde: mr. S. Lemstra, werkzaam bij verweerders gemeente.

Procesverloop

Bij brief van 10 juli 2007 heeft verweerder eisers mededeling gedaan van zijn besluit op bezwaar betreffende de toepassing van de Woningwet en de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO).

Tegen dit besluit hebben eisers beroep ingesteld.

De zaak is behandeld ter zitting van de rechtbank, gehouden op 21 januari 2008. Eisers hebben zich ter zitting laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden Brandsma en Scheffer. Verweerder is verschenen bij gemachtigde. Namens [naam vergunninghoudster] (hierna: de vergunninghoudster), die op de voet van art. 8:26 Awb aan dit geding deelneemt, is verschenen [X].

Motivering

Op 24 juli 2006 heeft de vergunninghoudster een reguliere bouwvergunning aangevraagd voor het plaatsen van een mestzak met rondom een aarden wal aan de Waltingaleane te Pingjum, kadastraal bekend gemeente Witmarsum, sectie E, nummers 640 en 641.

Bij besluit van 31 januari 2007 heeft verweerder onder verlening van vrijstelling als bedoeld in art. 19 lid 1 WRO de gevraagde bouwvergunning verleend.

Het tegen dit besluit ingediende bezwaarschrift is bij het thans bestreden besluit -onder aanvulling van de motivering- ongegrond verklaard. Voorts is daarbij aan de vrijstelling alsnog de voorwaarde verbonden dat de aarden wal met graszoden moet worden bedekt.

Eisers hebben in beroep aangevoerd dat het verlenen van een bouwvergunning voor een mestzak in het open landschap in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Voorts betogen eisers dat verweerder onvoldoende deugdelijk heeft gemotiveerd waarom in afwijking van het advies van de welstandscommissie Hûs en Hiem van 7 augustus 2006 bouwvergunning is verleend. Daarnaast handelt verweerder volgens eisers in strijd met de welstandsnota. Tot slot menen eisers dat de gestelde voorwaarde tot het aanbrengen van graszoden op de aarden wal in strijd is met art. 56 Woningwet.

Ter zitting hebben eisers nog aangevoerd dat zij een onderbouwing missen ten aanzien van de gekozen locatie.

De rechtbank overweegt het volgende.

Tussen partijen is niet in geschil -en ook de rechtbank stelt vast- dat het in geding zijnde bouwplan voor de mestzak in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied Noard".

Teneinde deze strijdigheid op te heffen heeft verweerder bij het bestreden besluit vrijstelling op de voet van het bepaalde in art. 19 lid 1 WRO verleend.

Op grond van art. 19 lid 1 WRO kan de gemeenteraad, behoudens het gestelde in het tweede en derde lid, ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen, dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben. Onder een goede ruimtelijke onderbouwing wordt bij voorkeur een gemeentelijk of intergemeentelijk structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied.

De rechtbank stelt voorop dat één van de voorwaarden om te kunnen overgaan tot een vrijstelling ex art. 19 lid 1 WRO is dat het project van een goede ruimtelijke onderbouwing moet worden voorzien. Dit vereiste houdt in dat het vrijstellingsbesluit een visie dient te bevatten op de toekomstige ruimtelijke ontwikkeling van het betrokken gebied, waarbinnen het bouwplan moet passen, en op de ruimtelijke effecten van het bouwplan op de omgeving. In dat verband is van belang dat naarmate de inbreuk op het geldende planologische regime groter is, meer eisen dienen te worden gesteld aan de ruimtelijke onderbouwing.

De rechtbank is, met inachtneming van het voorgaande, van oordeel dat sprake is van een onvoldoende ruimtelijke onderbouwing van het bouwplan. Verweerder heeft in het vrijstellingsbesluit enkel aangegeven dat de aanvraag conform het bepaalde in art. 19 WRO is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing. In het principeverzoek tot vrijstelling van 31 januari 2006 wordt door de vergunninghoudster evenwel enkel haar belang bij de mestzak en de door haar gewenste locatie daarvan uiteengezet. Hiermee is echter niet aangegeven op grond waarvan de realisering van de onderhavige vrijstelling vanuit planologisch oogpunt wenselijk wordt geacht. Niet wordt ingegaan op de relatie met het geldend bestemmingsplan of op de vraag welke uitgangspunten bepalend zijn geweest voor het verlenen van de onderhavige vrijstelling. Ook is niet gemotiveerd waarom het bouwplan past binnen de toekomstige bestemming van het gebied.

Nu verweerder eerst bevoegd is vrijstelling als bedoeld in art. 19 lid 1 WRO te verlenen, indien aan het project een goede ruimtelijke onderbouwing ten grondslag ligt, dient geconcludeerd te worden dat verweerder niet bevoegd was de gevraagde vrijstelling te verlenen en -gelet daarop- gehouden was de bouwvergunning te weigeren. Gelet hierop kunnen de overige argumenten van partijen onbesproken blijven.

Gelet op het voorgaande zal het beroep gegrond worden verklaard en het bestreden besluit zal wegens strijd met art. 19 lid 1 WRO worden vernietigd. Verweerder zal een nieuwe beslissing op bezwaar dienen te nemen, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

Nu het beroep gegrond is, dient de gemeente Wûnseradiel, gelet op het bepaalde in art. 8:74 lid 1 Awb, het door eisers gestorte griffierecht van € 143,00 te vergoeden.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling.

Ter voorkoming van nodeloze vervolgprocedures voegt de rechtbank hieraan nog het volgende toe. Voor wat betreft de vraag of verweerder, zoals door eisers is aangevoerd, de bouwvergunning ook had moeten weigeren op de grond van het feit dat het bouwplan niet voldoet aan redelijke eisen van welstand, overweegt de rechtbank als volgt.

Ingevolge art. 44 lid 1 aanhef en onder d Woningwet mag slechts en moet de reguliere bouwvergunning worden geweigerd, indien het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk, waarop de aanvraag betrekking heeft, in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onderdeel a, tenzij burgemeester en wethouders van oordeel zijn dat de bouwvergunning niettemin moet worden verleend.

Naar vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS), bijvoorbeeld zijn uitspraak van 24 mei 2006 (LJN AX4406), komt bij de welstandstoetsing aan het advies van de welstandscommissie weliswaar als regel een groot gewicht toe, maar is verweerder niet gebonden aan dat advies. Gelet op art. 40 lid 1 Woningwet, gelezen in samenhang met art. 44 lid 1 aanhef en onder d van die wet, is het immers aan verweerder om te beoordelen of een bouwplan al dan niet in strijd is met redelijke eisen van welstand.

Voorts heeft de AbRS in zijn uitspraak van 28 januari 2004 (LJN AO2411) overwogen dat van een negatief welstandsadvies kan worden afgeweken, indien verweerder deugdelijk gemotiveerd tot het oordeel komt dat wel aan redelijke eisen van welstand is voldaan.

Volgens het welstandsadvies van 7 augustus 2006 is het bouwplan in strijd met redelijke eisen van welstand, omdat de mestzak met eventuele voorzieningen zoals hekwerken, solitair geplaatst in het open landschap, een aantasting en verrommeling vormt van het landschap. Voorts is aangegeven dat het landschap bestaat uit open graslanden met sporadisch een enkele ondergeschikte voorziening, zoals een hekwerk op een dam. De mestzak is onvoldoende ondergeschikt, komt los geplaatst van het erf niet voor en voegt zich derhalve niet in het landschap, aldus de welstandscommissie.

Verweerder heeft in het bestreden besluit gemotiveerd aangegeven waarom van dit advies is afgeweken. Verweerder heeft daarbij gewezen op het bedrijfsbelang van de mestzak van de vergunninghoudster. Daarnaast heeft verweerder een afwijkende opvatting over de interpretatie van de welstandscriteria uit de welstandsnota. Ook weegt verweerder mee dat rond de mestzak een met graszoden bedekte aarden wal van 1,05 meter wordt gerealiseerd, zodat volgens verweerder sprake is van een goede landschappelijke inpassing van de mestzak. Mede gelet op de bouwmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt, heeft verweerder hierin naar het oordeel van de rechtbank, daartoe bevoegd ingevolge art. 44 lid 1 aanhef en onder d Woningwet, in redelijkheid aanleiding kunnen zien van het welstandsadvies af te wijken.

Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit op bezwaar;

- bepaalt dat de gemeente Wûnseradiel het betaalde griffierecht van € 143,00 aan eisers vergoedt.

Aldus gegeven door mr. P.G. Wijtsma, rechter, en door deze in het openbaar uitgesproken op 19 februari 2008, in tegenwoordigheid van mr. T. Hoekstra als griffier.

w.g. T. Hoekstra

w.g. P.G. Wijtsma

Tegen deze uitspraak staat voor partijen hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in art. 6:13 juncto 6:24 Awb.

Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan:

de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Postbus 20019

2500 EA Den Haag

In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.