Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2008:BC4786

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
21-02-2008
Datum publicatie
25-02-2008
Zaaknummer
AWB 07/1253
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Onder vrijstelling verleende bouwvergunning voor een steiger. Belangenafweging. Manouvreerbaarheid schepen van omwonenden. Descente.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

Procedurenummer: AWB 07/1253

uitspraak van 21 februari 2008 van de enkelvoudige kamer op grond van artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

inzake de gedingen tussen

1. De erven en/of rechtverkrijgenden van [eiser 1],

2. [eiseres] en

3. [eiser 2],

allen wonende te Sneek,

tezamen ook te noemen: eisers,

gemachtigde: mr. J.A.M. van de Sande, advocaat te Rotterdam,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Sneek,

verweerder,

gemachtigde: M.D. Grondsma, werkzaam bij verweerders gemeente.

Procesverloop

Bij brief van 2 mei 2007 heeft verweerder eisers mededeling gedaan van een besluit op bezwaar betreffende de toepassing van de Woningwet en de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO).

Tegen dit besluit hebben eisers beroep aangetekend.

Op grond van artikel 8:26 lid 1 van de Awb heeft de rechtbank [naam vergunninghouder] (verder te noemen [vergunninghouder]) in de gelegenheid gesteld als partij aan de gedingen deel te nemen. Hij heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt, daartoe bijgestaan door mr. L. de Man, werkzaam bij DAS rechtsbijstand te Amsterdam, die een schriftelijke uiteenzetting over de zaak heeft gegeven.

De zaken zijn behandeld ter zitting van de rechtbank, gehouden op 26 november 2007. [eiseres] en [eiser 2] zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Ook [vergunninghouder] is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Op deze zitting heeft de rechtbank onder toepassing van artikel 8:64 lid 1 van de Awb het onderzoek geschorst, ten einde een onderzoek ter plaatse als bedoeld in artikel 8:50 lid 4 van de Awb (een "descente") te houden. Van deze descente, die op 14 december 2007 heeft plaatsgevonden en waarbij partijen aanwezig waren, heeft de griffier een proces-verbaal opgemaakt en aan partijen toegezonden.

Met schriftelijke toestemming van partijen heeft de rechtbank op grond van artikel 8:57 van de Awb bepaald dat een tweede onderzoek ter zitting achterwege blijft.

Bij brief van 4 februari 2008 heeft mr. Van der Sande de rechtbank bericht dat [eiser 1] op 1 januari 2008 is overleden en dat zijn erfgename, te weten zijn weduwe [eiseres], het beroep overneemt en voortzet.

Vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Motivering

Feiten

[vergunninghouder] heeft in juli 2005 een bouwvergunning aangevraagd voor een steiger van 4,5 meter breed op zijn perceel 't Rietschar 1 te Sneek (hierna: het perceel). Verweerder is tot de conclusie gekomen dat het bouwplan in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Tinga-Duinterpen", Uitwerkingsvoorschrift "Duinterpen IV 2e fase" (hierna: het bestemmingsplan). Op grond van de bestemmingsplanvoorschriften mag een steiger namelijk alleen in het verlengde van de insteekhaven en niet "voorlangs" het perceel gebouwd worden. Verweerder voert echter het beleid dat voor een steiger "voorlangs" een perceel in het bestemmingsplangebied vrijstelling kan worden verleend. Hij heeft zich bereid verklaard medewerking te verlenen aan de bouw van een steiger van maximaal 2,5 meter breed door vrijstelling te verlenen op grond van artikel 19 lid 3 van de WRO. [vergunninghouder] heeft de breedte van de geplande steiger vervolgens in oktober 2005 aangepast naar 2,5 meter. De lengte van de steiger is volgens de bij de bouwaanvraag behorende tekening 9 meter.

Eisers zijn eigenaren van tegenover het perceel van [vergunninghouder] gelegen percelen in de wijk "De Brekken" (Spijkerboor 2, eigendom van [eiseres], en Spijkerboor 4, eigendom van [eiser 2]) en hebben tegen het voornemen van verweerder om vrijstelling te verlenen zienswijzen ingediend. Zij vrezen dat er door de bouw van de steiger onvoldoende open vaarwater resteert, waardoor zij niet of nauwelijks meer hun boten hun eigen insteekhavens in- en uit kunnen manoeuvreren.

Bij besluit van 4 april 2006 heeft verweerder naar aanleiding van de zienswijzen en een beoordeling van de situatie ter plaatse de gevraagde bouwvergunning en vrijstelling geweigerd. [vergunninghouder] heeft tegen dit besluit bezwaar aangetekend. Bij besluit op bezwaar van 9 oktober 2006 heeft verweerder het bezwaar, overeenkomstig een advies van de Algemene kamer van de commissie voor de bezwaarschriften gemeente Sneek (hierna: de Commissie), gegrond verklaard en het besluit van 4 april 2006 herzien. Bij brief van 20 november 2006 heeft verweerder besloten om [vergunninghouder] alsnog bouwvergunning en vrijstelling te verlenen voor de bouw van een steiger van 2,5 meter breed.

Tegen dit laatste besluit hebben eisers beroep aangetekend. Tevens hebben zij een voorlopige voorziening gevraagd. Bij uitspraak van 25 januari 2007 (procedurenummers 06/2552, 06/2646 en 06/2735) heeft de voorzieningenrechter de beroepen gegrond verklaard en de besluiten van 9 oktober 2006 en 20 november 2006 vernietigd, omdat verweerder de Awb-bepalingen met betrekking tot de hoorplicht in de bezwaarschriftprocedure niet juist had toegepast. Hij heeft het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.

Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder, na een hoorzitting en overeenkomstig een nader advies van de Commissie, de bezwaren van eisers tegen het besluit van 20 november 2006 ongegrond verklaard.

Standpunten van partijen

Eisers hebben - onder meer en samengevat - aangevoerd dat hun percelen in een smalle hoek van de kom van het vaarwater liggen. Dit vaarwater, dat eigendom is van de gemeente Sneek of van de Staat, is ter plekke 9 meter breed. De percelen 't Rietschar 1, Spijkerboor 2 en Spijkerboor 4 beschikken elk over een eigen strook vaarwater van 5 meter breed. [eiseres] en [eiser 2] hebben ieder een insteekhaven van 10 meter diep. Om hun boten in hun insteekhaven te manoeuvreren, moeten zij verderop in het bredere deel van het vaarwater een draai maken. De plaatsing van de steiger van [vergunninghouder] betekent voor hen een substantiële belemmering om gebruik te maken van hun eigen insteekhavens. Bij de aankoop van hun boten hoefden zij alleen rekening te houden met de breedte van het openbare dan wel open vaarwater, alsmede met het feit dat het bestemmingsplan alleen steigers in het verlengde van de insteekhavens toelaat, dus haaks op de voorzijde van het perceel. Verder menen eisers dat [vergunninghouder] moet dulden dat zij gebruik maken van de 5 meter openbaar water die hem toebehoort.

Zij vinden het bovendien opmerkelijk dat verweerder in eerste instantie tot het oordeel is gekomen dat er door een steiger te weinig openbaar water zou overblijven. Ook al zou [vergunninghouder] verder niet het doel hebben om boten af te meren aan zijn steiger, dan is zo'n gebruik door [vergunninghouder] zelf, zijn bezoekers, derden en/of rechtsopvolgers wel aannemelijk. In dat geval blijft er voor eisers te weinig ruimte over om gebruik te maken van hun eigen insteekhavens. Voorts mochten eisers erop vertrouwen dat, gelet op de akte van levering van Spijkerboor 2, er alleen steigers in het verlengde van de insteekhavens gebouwd mochten worden. Ten slotte heeft verweerder volgens eisers niet een behoorlijke afweging gemaakt, omdat [vergunninghouder] geen bijzondere belangen heeft op grond waarvan hij hoe dan ook een steiger zou moeten aanleggen.

Verweerder wijst er - onder meer en samengevat - op dat het vaarwater ter plaatse 9,25 meter breed is, exclusief de eigen 5 meter van de percelen van eisers, en dat zij dus voor het in- en uitvaren beschikken over 14,25 meter (9,25 meter plus 5 meter eigen water). Gelet op de lengte van de boot van [eiseres], 10,5 meter, zijn die 14,25 meter voldoende. Verweerder is voorts van mening dat er geen strijd is met opgewekt vertrouwen; in de akte van levering van de percelen in De Brekken zijn bepalingen opgenomen over het aanleggen van boten (deze mogen niet aangelegd worden in openbaar vaarwater of water gelegen binnen de eigen perceelsgrens, met uitzondering van de eigen havensteken) en een boete- en kettingbeding. Op grond van nieuw beleid met betrekking tot steigers zal verweerder echter geen gebruik maken van zijn bevoegdheid om boetes te innen. Ten slotte bestrijdt verweerder het standpunt van eisers, dat er geen behoorlijke belangenafweging heeft plaatsgevonden.

[vergunninghouder] heeft - onder meer en samengevat - uiteengezet dat eisers naar zijn mening niet worden gehinderd door zijn steiger. Zij hebben geenszins aangetoond dat zij onvoldoende manoeuvreerruimte hebben. Er blijft naar zijn mening voldoende openbaar water over om de percelen Spijkerboor 2 en 4 te kunnen bereiken. Voor het overige komt het betoog van [vergunninghouder] erop neer, dat hij zich kan aansluiten bij verweerders standpunt.

Algemene rechtsoverwegingen

Ingevolge artikel 19 lid 3 van de WRO kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in bij algemene maatregel van bestuur aan te geven gevallen. Hieraan is uitvoering gegeven bij het Besluit ruimtelijke ordening 1985 (Bro). Artikel 20 lid 1 onder c Bro bepaalt dat voor toepassing van artikel 19 lid 3 WRO onder meer in aanmerking komt een bouwwerk, geen gebouw zijnde, waarvan het bruto-vloeroppervlak niet groter is dan 25 m² en dat gemeten vanaf het aansluitende terrein niet hoger is dan 5 m. Het al dan niet verlenen van een vrijstelling op grond van artikel 19 lid 3 WRO betreft een vrije bevoegdheid van verweerder. Dit betekent dat de beslissing van verweerder terughoudend dient te worden getoetst.

Niet in geschil is dat het bestemmingsplan het bouwplan niet toestaat, nu daarin de bepaling is opgenomen dat het afmeren van boten bij woningen in het gebied "De Brekken" uitsluitend in de aangelegde aanlegplaats of aan een steiger in het verlengde van de aanleghaven (haaks op de perceelsgrens) is toegestaan, en dat in de verkoopakte van de bouwgrond is geregeld dat de boten uitsluitend in de aanleghaven mogen worden afgemeerd.

Verweerder heeft echter beleid vastgesteld ten aanzien van vlonders en steigers "voorlangs" het eigen perceel. Dit beleid is neergelegd in zijn brief van 27 juni 2005 aan de bewoners van de wijk "De Brekken" en houdt in, dat die steigers kunnen worden toegestaan op voorwaarde dat de steiger mét eventuele boot binnen de 5 meter eigen water blijft en er voldoende open vaarwater overblijft. Voorts houdt dit beleid in dat verweerder de boetes die in de koopakten zijn geregeld als boten niet worden afgemeerd in de daarvoor aangelegde aanlegplaats, niet zal innen. De rechtbank is van oordeel dat in beginsel niet gezegd kan worden dat dit beleid onredelijk is.

De rechtbank stelt op grond van de overzichtskaart die verweerder haar op 12 december 2007 heeft gezonden, vast dat de breedte van het water ter plaatse 19,38 meter bedraagt (aan elke kant vijf meter in eigendom bij eisers respectievelijk bij [vergunninghouder] en 9,38 meter gemeentelijk water). Op grond van de verklaring van verweerder tijdens de descente is voorts voldoende aannemelijk dat ter plaatse uitgegaan kan worden van een waterdiepte van 1,80 meter, met dien verstande dat de bodem richting de wal enigszins oploopt. Op basis van het desbetreffende certificaat stelt de rechtbank verder vast dat de motorkruiser van [eiseres] van staal is, "over alles" een lengte heeft van 11,00 meter en een breedte heeft van 3,45 meter. Voorts acht zij voldoende aannemelijk dat de lengte van dit vaartuig over de waterlijn 10,50 meter is en de diepgang tussen de 90 en 95 centimeter ligt. De zeilboot van [eiser 2] is, zo stelt zij op grond van diens onweersproken verklaringen vast, van polyester, meet 7,20 meter en heeft een ophaalbare kiel, waardoor de diepgang varieert tussen de 40 (opgehaalde kiel) en 140 (niet opgehaalde kiel) centimeter. Ten tijde van de descente was de steiger nog niet aanwezig; wel stonden er meerpalen in het water op 2,5 meter van de kant van het perceel van [vergunninghouder], waarop de steiger zou moeten worden aangebracht.

Vervolgens stelt de rechtbank vast dat het bestemmingsplan niet, zoals [vergunninghouder] heeft gesteld, bepaalt dat een boot maar 10 meter lang mag zijn. Het komt de rechtbank voor dat hij dit baseert op het tweede advies van de Commissie, waarin deze kennelijk uit het bestemmingsplan en de feitelijke inrichting van de wijk (aanlegplaatsen van 10 meter) afleidt dat er op praktische gronden rekening moet worden gehouden met schepen van ongeveer 10 meter.

Verder is de rechtbank van oordeel dat verweerder in dit geval een juiste interpretatie heeft gegeven van het begrip "voorlangs het perceel", zoals in zijn beleid vermeld, nu het begrip per definitie alleen betrekking kan hebben op de naar het water gerichte zijde van het perceel en de tuin van [vergunninghouder] enigszins rond loopt.

De conclusie van de rechtbank is, dat verweerder bevoegd was om met toepassing van zijn beleid op grond van artikel 19 lid 3 van de WRO een vrijstelling te verlenen. In het onderstaande zal zij vervolgens beoordelen of verweerder, zonder in strijd te handelen met enig beginsel van behoorlijk bestuur, van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

Het beroep van [eiseres]

Op grond van hetgeen de rechtbank tijdens de descente heeft geconstateerd, is zij van oordeel dat de enkele aanwezigheid van de steiger, recht tegenover de insteekhaven van [eiseres], het in- en uitmanoeuvreren door [eiseres] niet onmogelijk zal maken. Weliswaar vereist dit manoeuvreren enige behendigheid, zoniet enig "kunst- en vliegwerk", maar zij heeft vastgesteld dat het de insteekhaven in- en uitvaren, met een kundig gebruik van de scheepsschroef, in combinatie met de boegschroef, mogelijk is. Daarbij weegt de rechtbank mee dat ten tijde van de descente in de insteekhaven van [eiser 2], onmiddellijk gelegen naast die van [eiseres], niet diens eigen boot van 7,20 meter was afgemeerd, maar een veel langere boot van ongeveer 11 meter, waarvan [eiseres] bij het manoeuvreren wel enige hinder ondervond. Aan te nemen valt dan ook dat het in- en uitvaren door [eiseres] nog wat zal worden vergemakkelijkt als de zeilboot van [eiser 2] in zijn insteekhaven ligt.

Toch komt de rechtbank tot de conclusie dat het bestreden besluit ten aanzien van eiseres geen stand kan houden. Immers, aan zijn steiger van 2,5 meter kan [vergunninghouder] nog een boot aanleggen van maximaal 2,5 meter breed, mits een en ander maar blijft binnen zijn eigen strook water van 5 meter breed. Op grond van hetgeen zij tijdens de descente heeft geconstateerd, is de rechtbank van oordeel, dat het in- en uitvaren door [eiseres] in dat geval wél onmogelijk wordt gemaakt. Zij leidt dit met name af uit het feit dat [eiseres] bij haar manoeuvres nu al, ook al gebruikte zij de boegschroef, bijna tegen de meerpalen van [vergunninghouder] aanvoer. Als aan die meerpalen een boot was afgemeerd, had [eiseres] geen ruimte gehad om haar schip haar insteekhaven in- of uit te varen.

Bij zijn belangenafweging heeft verweerder dan ook onvoldoende aandacht besteed aan de vraag in hoeverre de aanwezigheid van een boot aan de steiger van [vergunninghouder], ook al blijft deze daarmee binnen zijn eigen 5 meterzone, [eiseres] zal belemmeren als bovenbedoeld. Dit klemt te meer, nu hij bij zijn eerdere weigering van vrijstelling en bouwvergunning heeft overwogen, dat het nu al voor [eiseres] lastig is om de boot in de insteekhaven te krijgen. Verweerder heeft destijds ter plaatse de situatie opgenomen en is toen tot de conclusie gekomen dat, ook als de steiger uitsluitend als vlonder wordt gebruikt en er geen boot ligt afgemeerd, het vaarwater nog te smal is om te kunnen in- en uitdraaien in de insteekhaven. Een steiger van welke breedte dan ook maakt het invaren zeer moeilijk dan wel onmogelijk voor [eiser 1], zodat hij en [eiser 2] worden beperkt in het uitoefenen van hun eigendomsrecht, aldus verweerder. Weliswaar heeft de Commissie in haar adviezen beargumenteerd waarom het bouwplan alsnog met vrijstelling zou kunnen worden toegestaan, maar verweerder heeft noch in de gedingstukken, noch ter zitting kunnen motiveren, waarom de beknopte argumentatie van de Commissie hem van zijn eerdere, stellige standpunt heeft afgebracht.

Bij het nemen van het bestreden besluit heeft verweerder dan ook ten aanzien van [eiseres] gehandeld in strijd met het in artikel 3:2 van de Awb neergelegde beginsel dat een besluit zorgvuldig moet worden voorbereid en genomen, en met het in artikel 7:12 lid 1 van de Awb neergelegde beginsel, dat een besluit op bezwaar moet zijn voorzien van een deugdelijke motivering. De rechtbank zal het beroep van [eiseres] gegrond verklaren en het bestreden besluit wegens strijd met deze Awb-artikelen vernietigen. Verweerder zal opnieuw op haar bezwaar moeten beslissen, met inachtneming van het in deze uitspraak overwogene.

Gelet op het vorenstaande en op het bepaalde in artikel 8:74 lid 1 van de Awb dient de gemeente Sneek het door [eiseres] gestorte griffierecht van ?€ 143,= te vergoeden.

Op grond van artikel 8:75 lid 1 van de Awb veroordeelt de rechtbank verweerder in de proceskosten. Overeenkomstig het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht bedragen de proceskosten van [eiseres] € 805,= ter zake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (beroepschrift 1 punt; verschijnen ter zitting 1 punt; bijwonen onderzoek ter plaatse 0,5 punt; waarde per punt € 322,=; gewicht van de zaak: gemiddeld.). De rechtbank wijst de gemeente Sneek aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.

Het beroep van [eiser 2]

Tijdens de descente heeft de rechtbank [eiser 2] niet zien in- en uitvaren. Gelet op de beschikbare gegevens is zij echter van oordeel dat de steiger van [vergunninghouder], inclusief een daaraan afgemeerde boot, voor hem geen onoverkomelijke problemen oplevert. Blijkens het proces-verbaal van de descente heeft [eiser 2] opgemerkt dat hij met zijn huidige zeilboot kan manoeuvreren, zij het dat dat met enige vaart moet gebeuren. Op grond van het beschikbare kaartmateriaal constateert de rechtbank dat [eiser 2], met zijn boot van 7,20 meter, in staat moet zijn om zijn insteekhaven zonder problemen in- en uit te varen. Niet aannemelijk is dat die manoeuvres, bij een breedte van het water tot aan een aan de steiger afgemeerde boot van 14,38 meter, in onevenredige mate worden bemoeilijkt. De positie van de te bouwen steiger laat [eiser 2] bovendien iets meer manoeuvreerruimte in de richting van het bredere vaarwater dan voor [eiseres] het geval is. De rechtbank gaat daarbij uit van de huidige situatie en acht niet van belang, dat [eiser 2] mogelijk in de toekomst ook een boot van ongeveer 11 meter zou willen aanschaffen.

Het beroep van [eiser 2] zal ongegrond worden verklaard. De rechtbank ziet geen aanleiding om ten aanzien van dat beroep een partij in de proceskosten te veroordelen.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep van [eiseres] gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat de gemeente Sneek het griffierecht ad € 143,= aan haar vergoedt;

- bepaalt dat verweerder haar proceskosten tot een bedrag van € 805,= vergoedt, aan haar te betalen door de gemeente Sneek;

- verklaart het beroep van [eiser 2] ongegrond.

Aldus gegeven door mr. P.G. Wijtsma, rechter, en door deze in het openbaar uitgesproken op 21 februari 2008, in tegenwoordigheid van mr. J.R. Leegsma als griffier.

w.g. J.R. Leegsma

w.g. P.G. Wijtsma

Tegen deze uitspraak staat voor partijen hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in artikel 6:13 juncto 6:24 van de Awb.

Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan:

de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Postbus 20019

2500 EA Den Haag

In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.