Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2008:BC4007

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
11-02-2008
Datum publicatie
12-02-2008
Zaaknummer
AWB 06/2753
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Onder vrijstelling verleende bouwvwergunning. Ruimtelijke onderbouwing. Besluit luchtkwaliteit 2005. Flora- en faunawetgeving, Wet geluidhinder, Wet vervoer gevaarlijke stoffen. Verkeersveiligheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

Procedurenummer: AWB 06/2753

uitspraak van 11 februari 2008 van de enkelvoudige kamer op grond van artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

inzake het geding tussen

[naam],

wonende te [woonplaats],

eiser,

gemachtigde: mr. B. Hamburger, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Leeuwarden,

verweerder,

gemachtigden: A.J. Grondsma en G. Klont, beiden werkzaam bij verweerders gemeente.

Procesverloop

Bij brief van 7 november 2006 heeft verweerder eiser mededeling gedaan van een besluit op bezwaar betreffende de toepassing van de Woningwet en de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO).

Tegen dit besluit heeft eiser beroep aangetekend.

Op grond van artikel 8:26 lid 1 van de Awb heeft de rechtbank [X] (verder te noemen: [X]) als derde-belanghebbende aangemerkt.

De zaak is - gevoegd met de soortgelijke zaak met procedurenummer 06/2732 WRO - behandeld ter zitting van de rechtbank, gehouden op 10 december 2007. Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. [X] heeft zich laten vertegenwoordigen door P.T.W. van Duinen en drs. I.S.A. Hollak. Gedeputeerde Staten van Fryslân (GS) hebben zich niet laten vertegenwoordigen.

De rechtbank heeft besloten om in deze zaak afzonderlijk uitspraak te doen.

Motivering

Op 17 november 2004 heeft [X] een bouwvergunning aangevraagd voor het oprichten van drie woontorens met acht bouwlagen (waarin in totaal 100 woningen) op het perceel Eeskwerd in Leeuwarden, kadastraal bekend onder nr. E 5256 (hierna ook: het perceel).

Op het perceel is van toepassing het bestemmingsplan "Bilgaard" (hierna: het bestemmingsplan). Op het perceel rusten de bestemmingen "Openbaar Groen" en "Meergezinshuizen in 7 bouwlagen op onderbouw in 1 bouwlaag, met bijbehorende erven", zodat het bouwplan met deze bestemmingen in strijd is. Verweerder heeft daarom de bouwaanvraag mede opgevat als een verzoek om vrijstelling op grond van artikel 19 van de WRO.

Op - voor zover in dit geding van belang - 29 maart 2005 heeft de gemeenteraad een voorbereidingsbesluit voor het perceel genomen, dat op 29 april 2005 in werking is getreden. Op 25 september 2006 heeft de raad wederom een voorbereidingsbesluit genomen, dat op 28 september 2006 van kracht is geworden. Op 15 maart 2005 hebben GS een verklaring van geen bezwaar afgegeven. Bij brief van 14 november 2005 heeft de welstandscommissie Hûs en Hiem verklaard, dat het bouwplan aan redelijke eisen van welstand voldoet. Bij besluit van 27 april 2006 heeft verweerder [X] bouwvergunning en vrijstelling verleend. Bij het bestreden besluit heeft verweerder, overeenkomstig een advies van zijn Adviescommissie bezwaarschriften (hierna: de Adviescommissie), het bezwaar van eiser tegen het besluit van 27 april 2006 ongegrond verklaard.

In beroep heeft eiser - onder meer en samengevat - aangevoerd dat ten tijde van het vrijstellingsbesluit niet voldaan was aan de eis, dat er voor het desbetreffende gebied een voorbereidingsbesluit gold als bedoeld in artikel 19 lid 4 van de WRO. Voorts stelt hij vast dat de ruimtelijke onderbouwing dateert van vóór de datum van de bouwaanvraag. Hij acht die ruimtelijke onderbouwing onvoldoende; een visie op de toekomstige ruimtelijke ontwikkeling van het betrokken gebied en op de ruimtelijke effecten van het project op de omgeving heeft hij niet kunnen ontdekken. Daarbij merkt hij op dat volgens de Adviescommissie verweerders commentaar op de inspraakreacties en op de zienswijzen bij de onderbouwing moet worden inbegrepen. Dit alles lijkt hem niet te stroken met het bepaalde in artikel 19 lid 1 van de WRO. Ook is hem niet gebleken dat verweerder het bouwplan heeft getoetst aan het Besluit luchtkwaliteit 2005, noch aan andere regelgeving zoals Flora- en faunawetgeving, Wet geluidhinder, Wet vervoer gevaarlijke stoffen en dergelijke. Ten slotte is hem niet duidelijk waarom verweerder geen grond ziet voor vrees dat, gelet op het geldende verkeersregiem, de ontsluiting van het complex zal leiden tot verkeersonveilige situaties.

In zijn verweerschrift heeft verweerder erop gewezen dat op het moment dat de bouwvergunning is verleend, te weten 27 april 2006, wel een voorbereidingsbesluit gold, omdat dit voorbereidingsbesluit op 29 april 2005 in werking is getreden en sindsdien nog geen jaar was verstreken. Voorts heeft hij nog eens uiteengezet waarom hij van mening is dat de vrijstelling is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing. Verder wijst verweerder er op dat aan het besluit Luchtkwaliteit is getoetst, een ecologisch onderzoek in het kader van de Flora - en faunawet heeft plaatsgevonden, een inventariserend archeologisch onderzoek is gedaan, Wetterskip Fryslân een watertoets heeft gedaan en de bouwaanvraag in het kader van een milieutoets is beoordeeld op de aspecten bodem en geluid. Verder is gebleken dat de desbetreffende contour van de gevaarlijke transportroute die over de Dammelaan loopt, binnen de grenzen van de wet blijft. Ten slotte ontkent verweerder niet dat het aantal verkeersbewegingen zal toenemen door het bouwplan, maar hij verwacht niet dat die toename zal leiden tot een ontoelaatbare toename van verkeersonveilige situaties, omdat het gebied een 30 kilometerzone is.

De rechtbank overweegt het volgende.

Op grond van artikel 19 lid 1 van de WRO kan de gemeenteraad ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en gedeputeerde staten vooraf hebben verklaard dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben. De gemeenteraad kan deze bevoegdheid delegeren aan burgemeester en wethouders.

In artikel 19 lid 4 van de WRO is verder bepaald, dat vrijstelling op grond van het eerste lid niet wordt verleend voor een project dat wordt uitgevoerd in een gebied waarvoor het bestemmingsplan niet tijdig is herzien, tenzij voor dit gebied een voorbereidingsbesluit geldt of een ontwerp voor een herziening van het bestemmingsplan ter inzage ligt.

Naarmate de inbreuk op het geldende planologische regime geringer is, behoeven minder zware eisen te worden gesteld aan de ruimtelijke onderbouwing van het project.

Als gebruik wordt gemaakt van de vrijstellingsbevoegdheid van artikel 19 lid 1 van de WRO vormt artikel 44 aanhef en onder c van de Woningwet - op grond waarvan de bouwvergunning moet worden geweigerd bij strijd van het bouwplan met het bestemmingsplan of krachtens dit plan gestelde eisen - geen belemmering meer voor de inwilliging van de bouwaanvraag.

In het onderhavige geval is voldaan aan de formele vereisten voor het verlenen van vrijstelling als bedoeld in het eerste lid van artikel 19 WRO. Zo heeft de gemeenteraad voorbereidingsbesluiten genomen, in aanmerking nemende dat het bestemmingsplan ouder is dan tien jaar, en hebben GS een verklaring van geen bezwaar afgegeven. Verweerder heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat ook ten tijde van het verlenen van vrijstelling en bouwvergunning een voorbereidingsbesluit van kracht was. Uit de gedingstukken blijkt verder dat de gemeenteraad op 19 april 2004 heeft besloten zijn bevoegdheid met betrekking tot - onder meer - de onderhavige procedure te delegeren aan verweerder.

Naar het oordeel van de rechtbank vertegenwoordigt het bouwplan een niet geringe inbreuk op het vigerende bestemmingsplan, daar een groot deel van het perceel de bestemming "Openbaar Groen" heeft en daarop drie woontorens van forse omvang zijn gepland. Daarbij dient echter niet uit het oog te worden verloren dat het bestemmingsplan reeds aan de westzijde van het perceel een appartementencomplex met zeven bouwlagen toestaat. Niettemin dienen er aan de ruimtelijke onderbouwing de nodige eisen worden gesteld.

Blijkens het bestreden besluit wordt de ruimtelijke ordening in dit geval gevormd door verweerders notitie Ruimtelijke Onderbouwing Voorzieningenstrip Bilgaard (hierna: de Notitie), de reactie op de ingediende zienswijzen en de resultaten van onderzoeken, alsmede hetgeen in het bestreden besluit verder is overwogen. De rechtbank ziet niet in waarom een notitie die voorafgaand aan de bouwaanvraag is opgesteld, geen deel zou mogen uitmaken van de ruimtelijke onderbouwing. Van belang is immers, dat de in de ruimtelijke onderbouwing gegeven argumentatie het project planologisch kan dragen.

De rechtbank is van oordeel dat de ruimtelijke onderbouwing voldoet aan de daaraan in dit geval te stellen eisen, in aanmerking genomen dat verweerder bij de invulling van het desbetreffende gebied een grote mate van beleidsvrijheid toekomt. In deze ruimtelijke onderbouwing is een relatie gelegd met de toekomstige bestemming van het gebied. Verweerder heeft gemotiveerd aangegeven waarom woningbouw van deze aard ter plaatse planologisch aanvaardbaar geacht kan worden. Hij heeft daarbij zijn visie op Eeskwerd gegeven en aangegeven hoe het perceel in relatie tot Eeskwerd moet worden ingevuld. Voor hem is daarbij de Notitie het uitgangspunt geweest. Uit pagina 3 van de Notitie blijkt dat verweerder het van groot belang acht om de veranderingen die in de wijk Bilgaard plaatsvinden goed in het geheel in te bedden, omdat deze wijk - waarin Eeskwerd is gelegen - een zeer eigen stedenbouwkundig karakter kent. De Notitie waarborgt de bestaande structuur en geeft de mogelijkheid om tegemoet te komen aan verweerders wens om de woningbouw in bestaande wijken een kwantitatieve en kwalitatieve impuls te geven.

Verweerder wijst in zijn voorstel van 8 april 2004 aan de gemeenteraad erop dat het bouwplan weliswaar valt buiten de in de Notitie genoemde "voorzieningenstrip" in Bilgaard, maar dat het gebied waar het bouwplan zal worden gerealiseerd wel in de Notitie wordt genoemd. In de stedenbouwkundige structuur van de wijk is, zo blijkt uit pagina 10, het gebied wat vorm betreft afwijkend van de zogenaamde "stempels" in het overig deel van de wijk. Mede door de ligging aan de Dokkumer Ee is het gebied echter uitermate geschikt als woonlocatie, zonder dat daarbij het openbaar karakter in gevaar hoeft te komen. Door een afwijkende vorm van het terrein en de ligging aan de Dokkumer Ee kan voor dit gebied een nieuwe bebouwingstypologie worden geïntroduceerd. Eeskwerd is uitermate geschikt als woonlocatie, waarbij kan worden gedacht aan een aantal losse bebouwingseenheden (appartementen in meerdere lagen) in het groen. Volgens verweerder wordt met de ontwikkeling van het onderhavige bouwplan voldaan aan de uitgangspunten van de Notitie. Daaraan voegt de rechtbank toe dat op pagina 9 van de Notitie staat dat de nieuwe woonwijk Havankpark via Bilgaard wordt ontsloten op de Dammelaan via (onder meer) Eeskwerd en dat de route ter hoogte van de entree van de wijk een extra kwaliteitsimpuls zou moeten krijgen, te vertalen in een herinrichting van de openbare ruimte.

In de ruimtelijke onderbouwing is verder aan de orde gesteld of er sprake is van eventuele belemmeringen - voor zover hier van belang - uit oogpunt van milieu, verkeer, ecologie en waterbeheer. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in die onderbouwing, toegelicht en aangevuld bij verweerschrift, voldoende aannemelijk gemaakt dat de resultaten van de diverse, daarin aangehaalde onderzoeken, aan de realisering van het bouwplan niet in de weg hoeven te staan, te meer daar van de zijde van eiser geen concrete argumenten zijn aangevoerd die tot een andere conclusie kunnen leiden. Voorts heeft hij voldoende gemotiveerd waarom hij van mening is dat er geen ontoelaatbare toename van verkeersonveilige situaties zal optreden, waarbij nog moet worden aangetekend dat ook thans het bestemmingsplan al woningbouw van enige omvang toelaat. Eiser moet verder worden toegegeven dat verweerder niet heeft getoetst aan het Besluit luchtkwaliteit 2005, maar nu gebleken is dat dit laatste Besluit voor wat betreft de toepasselijke grenswaarden niet afwijkt van het daarvoor bestaande Besluit luchtkwaliteit (waaraan verweerder het bouwplan wél heeft getoetst) zal de rechtbank aan deze omissie geen gevolgen verbinden. Uit dit alles volgt dat verweerder de bevoegdheid had om op grond van artikel 19 lid 1 van de WRO vrijstelling te verlenen van het ter plaatse geldende bestemmingsplan.

Naar het oordeel van de rechtbank kon verweerder in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik maken. Niet is gebleken dat hij, na afweging van de betrokken belangen, niet tot het bestreden besluit heeft kunnen komen.

Met het verlenen van de vrijstelling is geen sprake meer van strijd met het bestemmingsplan. Nu niet in geschil is dat ook aan de overige vereisten van artikel 44 van de Woningwet is voldaan, is de bouwvergunning terecht verleend.

Het bestreden besluit kan dan ook de rechterlijke toets doorstaan en het beroep zal ongegrond worden verklaard. De rechtbank ziet geen aanleiding om een proceskostenveroordeling uit te spreken.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. P.G. Wijtsma, rechter, en door deze in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2008, in tegenwoordigheid van mr. B.M. van der Doef als griffier.

w.g. B.M. van der Doef

w.g. P.G. Wijtsma

Tegen deze uitspraak staat voor partijen hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in artikel 6:13 juncto 6:24 Awb.

Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan:

de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Postbus 20019

2500 EA Den Haag

In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.