Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2008:BC3167

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
24-01-2008
Datum publicatie
31-01-2008
Zaaknummer
07/2033
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vrijsteling ex artikel 19 lid 3 WRO. Uitleg bestemmingsplan. Welstand. Aan- en uitbouw woning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

Procedurenummer: AWB 07/2033

uitspraak van 24 januari 2008 van de enkelvoudige kamer op grond van artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

inzake het geding tussen

[naam],

wonende te [plaats],

eiseres,

gemachtigde: mr. E.H. de Vries, advocaat te Wolvega,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ooststellingwerf,

verweerder,

gemachtigde: mr. E.M. Kroese - Rink, werkzaam bij verweerders gemeente.

Procesverloop

Bij brief van 9 mei 2007 heeft verweerder eiseres mededeling gedaan van een besluit op bezwaar betreffende de toepassing van de Woningwet (Ww) en de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO).

Tegen dit besluit heeft eiseres beroep aangetekend.

De zaak is behandeld ter zitting van de rechtbank, gehouden op 10 december 2007. Eiseres is in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Motivering

Voor de feiten en omstandigheden die voor de onderhavige zaak van belang zijn, verwijst de rechtbank naar de uitspraak (procedurenr. 06/1362) die zij op 26 januari 2007 tussen partijen heeft gewezen. De rechtbank heeft in die uitspraak het beroep van eiseres gegrond verklaard en het bestreden besluit van 24 mei 2006 vernietigd. Daartoe heeft zij onder meer het volgende overwogen:

"Niet in geschil is dat voor het uitvoeren van het onderhavige bouwplan een lichte bouwvergunning nodig is.

Op grond van artikel 44 lid 1 en lid 3 Ww wordt de lichte bouwvergunning onder meer geweigerd indien het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan of met de eisen die krachtens zodanig plan zijn gesteld.

Ter plaatse geldt het bestemmingsplan "Oosterwolde-Dorp 2003". In artikel 3 (de algemene beschrijving in hoofdlijnen) is onder 3 ten aanzien van het straat- en bebouwingsbeeld onder meer bepaald dat, mits hieraan geen afbreuk wordt gedaan, het oprichten van aan- en uitbouwen en aangebouwde bijgebouwen tot voor (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw is toegestaan.

Vastgesteld moet worden dat de aangehaalde bepaling uitsluitend ziet op aangebouwde en niet op vrijstaande bijgebouwen. Hoewel dat in het primaire en het bestreden besluit niet uitdrukkelijk wordt gesteld, neemt verweerder kennelijk het standpunt in dat daaruit volgt dat vrijstaande bijgebouwen slechts achter de voorgevelrooilijn opgericht mogen worden. Naar het oordeel van de rechtbank volgt deze uitleg echter niet dwingend uit de tekst van artikel 3 lid 3 van de planvoorschriften. Daarin wordt opgemerkt dat het huidige straat- en bebouwingsbeeld in de omgeving gekenmerkt wordt door aan- en uitbouwen en door al dan niet vrijstaande bijgebouwen die overwegend gesitueerd zijn achter (het verlengde van) de naar de weg gekeerde gevel van het hoofdgebouw. Gelet op het gebruik van het woord "overwegend" en de verwijzing naar "al dan niet vrijstaande" bijgebouwen, kan derhalve, aangenomen dat met dit artikelonderdeel beoogd is om het huidige straat- en bebouwingsbeeld zoveel mogelijk te behouden, niet zonder meer gesteld worden dat het bestemmingsplan de oprichting van vrijstaande bijgebouwen voor de voorgevelrooilijn verbiedt. Daar komt bij dat in dit artikelonderdeel ten aanzien van aangebouwde bijgebouwen de mogelijkheid wordt geboden om voor de voorgevelrooilijn te bouwen (mits geen afbreuk wordt gedaan aan het huidige straat- en bebouwingsbeeld), maar dat de beschrijving van dat straat- en bebouwingsbeeld, zoals hierboven aangehaald, spreekt over de naar de weg gekeerde gevel van het hoofdgebouw. Zeker gelet op de ligging van de woning van eiseres (in de kom van de weg [adres]) valt uit het voorgaande moeilijk af te leiden aan welke gevellijn het onderhavige bouwplan getoetst zou moeten worden. De rechtbank betrekt bij dit alles bovendien dat in de planvoorschriften die zien op de bestemming wonen (welke bestemming blijkens de plankaart op de in geding zijnde gronden rust) geen enkel voorschrift wordt gegeven ten aanzien van de situering van bijgebouwen, vrijstaand of aangebouwd.

Nu, gezien het voorgaande, het standpunt van verweerder dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan op een ontoereikende motivering berust, zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren. Vooralsnog wordt derhalve niet toegekomen aan de vraag of verweerder in redelijkheid vrijstelling van het bestemmingsplan op grond van artikel 19 lid 3 Wet op de ruimtelijke ordening (WRO) heeft kunnen weigeren. De rechtbank merkt alvast wel op dat verweerder, indien in de komende bezwaarprocedure opnieuw aan die vraag wordt toegekomen, gezien de door eiseres naar voren gebrachte argumenten, nader zal dienen te motiveren wat dat beleid precies inhoudt, waar dat op is gebaseerd, hoe dat beleid zich verhoudt tot het belang van eiseres en in hoeverre dat beleid bestendig wordt toegepast (waarbij de rechtbank erop wijst dat eiseres meermalen heeft aangegeven dat bij de woning aan [adres] [huisnummer[huisnummer], en niet [huisnummer] zoals verweerder kennelijk nog altijd meent, wel een vrijstaande garage is opgericht)."

Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres, overeenkomstig een advies van zijn Commissie van advies voor Bezwaar- en Beroepschriften en Klachtenbehandeling, wederom ongegrond verklaard.

Verweerder heeft - onder meer en samengevat - aangevoerd dat op basis van de voorschriften van het geldende bestemmingsplan Oosterwolde Dorp 2003 (hierna: het bestemmingsplan) de gronden, waarop het bijgebouw gebouwd moet worden de bestemming "woongebied" hebben. Op basis van de bijbehorende voorschriften kunnen burgemeester en wethouders nadere eisen stellen ten aanzien van de situering van gebouwen. Dat is mogelijk indien dit noodzakelijk is ter voorkoming van een onevenredige aantasting van het straat- en bebouwingsbeeld. In dit geval is er volgens verweerder sprake van aantasting van dat beeld, omdat het bijgebouw beoogd is vóór de voorgevel van de woning. Als voorgevel moet in dit geval beschouwd worden de zijde van de woning die grenst aan het openbaar groen en de weg. Volgens verweerder moet het algemene bebouwingsbeeld, waarbij aangebouwde en losse gebouwen terugliggend naast of achter de woning zijn gelegen, worden gerespecteerd en mag dit niet worden aangetast. De nadere eis bestaat dan ook uit een situering van het losstaand bijgebouw achter de voorgevel. Om deze reden is verweerder van mening dat er sprake is van strijdigheid met de voorschriften van het bestemmingsplan. Voorts is verweerder niet bereid om een vrijstelling te verlenen omdat de naar de weg toegekeerde gevel door het bouwen van het losstaande bijgebouw wordt overschreden, hetgeen hij stedenbouwkundig niet aanvaardbaar acht. Ten slotte wijst verweerder erop dat het bouwplan volgens de welstandscommissie Hûs en Hiem in strijd is met redelijke eisen van welstand en dat er geen sprake is van een geval dat - zoals eiseres wél betoogt - te vergelijken is met de situatie op [adres] [huisnummer].

Eiseres heeft - onder meer en samengevat - in beroep haar belangen bij de gewenste garage geschetst, inhoudende dat zij overlast ervaart van een grote lindeboom waardoor onder meer haar auto wordt besmeurd. Voorts is volgens haar het bestreden besluit onjuist gemotiveerd, nu blijkens artikel 3 van de toelichting van het bestemmingsplan het criterium van het straat- en bebouwingsbeeld ten aanzien van vrijstaande bijgebouwen niet geldt. Dit type gebouwen wordt immers, anders dan in de eerste zin, in de tweede zin van dit artikel niet meer expliciet genoemd. Verder is zij van mening dat "de naar de weg gekeerde gevel van het hoofdgebouw" in deze de zijgevel van [adres] [huisnummer] is, en niet de voorgevel van haar woning. In verband met de aanwezigheid ter plaatse van een carport en van een hoge haag wordt voorts het bebouwingsbeeld ten opzichte van de huidige situatie niet gewijzigd, zodat er geen sprake is van strijd met het straat- en bebouwingsbeeld. Eiseres wijst verder op de volgens haar wel degelijk vergelijkbare situatie op [adres] [huisnummer]. Ten aanzien van het welstandsaspect is eiseres ten slotte van mening dat het argument dat de gewenste positie is uitgesloten, strijdig is met het bestemmingsplan, dat welstandscriteria alleen kunnen zien op architectonische criteria en dat zij bereid is ten aanzien van de uitvoering van de garage bereid is tot overleg.

De rechtbank overweegt als volgt.

Allereerst is zij met verweerder van mening dat als voorgevel van de woning van eiseres moet worden aangemerkt de zijde van haar woning die grenst aan het openbaar groen en de weg. Aan die zijde zit ook de voordeur van haar woning, zodat de rechtbank het niet in overeenstemming met de realiteit acht om de zijgevel van het huis van haar buren ([adres] [huisnummer]) als voorgevel te beschouwen. De rechtbank acht de opvatting van verweerder in overeenstemming met de op dit punt gevormde jurisprudentie.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat verweerder nog steeds niet genoegzaam heeft gemotiveerd waarom de gewenste vrijstaande garage in strijd is met artikel 3 lid 3 van het bestemmingsplan, omdat deze bepaling volgens verweerder inhoudt dat vrijstaande bijgebouwen niet vóór de voorgevelrooilijn mogen worden gebouwd. Ook ter zitting heeft verweerder niet aannemelijk kunnen maken dat zijn standpunt in overeenstemming is met die bepaling. Uit de letterlijke tekst van artikel 3 lid 3 van het bestemmingsplan kan de rechtbank immers niets anders afleiden dan dat bijgebouwen, al dan niet vrijstaand, overwegend zijn gesitueerd achter de voorgevel van het hoofdgebouw. De rechtbank kan dit niet anders lezen dan dat vrijstaande bijgebouwen in voorkomend geval ook vóór de voorgevelrooilijn mogen worden geplaatst. Het is de rechtbank verder niet ontgaan, dat de bepaling ook de beperking bevat dat er geen afbreuk mag worden gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld. Evenwel geldt deze beperking - alweer volgens de letterlijke tekst van het artikel - alleen voor het oprichten van aan- en uitbouwen en aangebouwde bijgebouwen voor (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw, en niet voor vrijstaande bijgebouwen. Het standpunt van verweerder dat het bouwplan van eiseres in strijd is met artikel 3 lid 3 van het bestemmingsplan kan op dit onderdeel de rechterlijke toets dan ook niet doorstaan.

Reeds omdat het welstandsadvies ten aanzien van de plaatsing van de gewenste garage aansluit bij bovengenoemd standpunt van verweerder omtrent de plaatsing van het gebouw, faalt voorts het beroep dat verweerder op dit advies heeft gedaan. Bovendien staan, voor zover in dit advies wordt verwezen naar de gemeentelijke welstandsnota die deze dominante positie (te weten vóór de voorgevel van de woning) zou uitsluiten, de rechtbank - als de welstandsnota op dat punt al niet in strijd zou zijn met artikel 3 lid 3 van het bestemmingsplan - geen stukken ter beschikking waaruit die eis zou blijken. Daarbij heeft de rechtbank kennisgenomen van het standpunt van eiseres, dat zij bereid is tot overleg over de kritiek die de welstandscommissie heeft op hoofdvorm, aanzichten en materiaalkeuze. Ook verweerders standpunt, dat het bouwplan in strijd is met redelijke eisen van welstand kan de rechterlijke toets niet doorstaan.

Gelet op al het vorenstaande behoeven de weigering van verweerder om voor het bouwplan vrijstelling te verlenen en het beroep van eiseres op de vergelijkbare situatie op [adres] [huisnummer] geen bespreking meer.

De rechtbank concludeert dat verweerder bij het nemen van het bestreden besluit heeft gehandeld in strijd met het in artikel 3:2 van de Awb neergelegde beginsel, dat een besluit zorgvuldig moet worden voorbereid en genomen, en met het in artikel 7:12 lid 1 van de Awb neergelegde beginsel, dat een besluit op bezwaar moet berusten op een deugdelijke motivering. Het beroep zal gegrond worden verklaard, het bestreden besluit zal wegens strijd met deze Awb-artikelen worden vernietigd en verweerder zal een nieuw besluit op bezwaar moeten nemen met inachtneming van het in deze uitspraak overwogene.

Gelet op artikel 8:74 lid 1 van de Awb zal de rechtbank bepalen dat de gemeente Ooststellingwerf het griffierecht ad € 143,= aan eiseres moet terugbetalen. Tevens ziet de rechtbank aanleiding om verweerder met toepassing van artikel 8:75 Awb te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep heeft moeten maken en die op voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot worden op € 644,= voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (beroepschrift 1 punt, verschijnen ter zitting 1 punt, waarde per punt € 322,= en wegingsfactor 1). De gemeente Ooststellingwerf zal worden aangewezen als de rechtspersoon die deze kosten aan haar moet vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

-verklaart het beroep gegrond;

-vernietigt het bestreden besluit;

-bepaalt dat de gemeente Ooststellingwerf het griffierecht ad € 143,= aan eiseres moet terugbetalen;

-veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ad € 644,=, onder aanwijzing van de gemeente Ooststellingwerf als de rechtspersoon die deze kosten aan haar moet vergoeden.

Aldus gegeven door mr. P.G. Wijtsma, rechter, en door deze in het openbaar uitgesproken op 24 januari 2008, in tegenwoordigheid van mr. E.H. Pot als griffier.

w.g.E.H. Pot

w.g. P.G. Wijtsma

Tegen deze uitspraak staat voor partijen hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in artikel 6:13 juncto 6:24 van de Awb.

Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan:

de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Postbus 20019

2500 EA Den Haag

In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.

Afschrift verzonden op: